Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

inkeer

Onder uw leiding ging ik mijn innerlijk binnen 

 

Hét bekeringsmoment van Augustinus, bekend als de tolle-lege-scène in de tuin in Milaan, is de laatste stap die Augustinus zette op weg naar zijn doopsel. Hieraan gaan vele inzichten vooraf. In boek 5 van zijn Belijdenissen verlaat hij het manicheïsme, in boek 6 ontmoet hij Ambrosius en leert hij de Bijbel verstaan. In boek 7 maakt hij met behulp van de neoplatonici kennis met de metafysica en onderzoekt hij het kwaad. Ook de astrologie laat hij los.

Vervolgens beschrijft hij hoe hij bij zichzelf naar binnen durfde te kijken en hoe hij met het oog van zijn ziel, boven zijn geest, een licht ziet, een onveranderlijk, liefdevol licht. Hij hoort hoe God hem toespreekt: 'Ik ben voedsel voor de groten. Groei, dan kun je mij eten.'


[16] Het lezen van deze boeken was voor mij een aansporing om in te keren tot mijzelf en onder uw leiding ging ik mijn innerlijk binnen. Ik kon het omdat u mijn helper was. Ik ging naar binnen en als met een oog van mijn ziel, hoe kwetsbaar ook, zag ik boven dit oog van mijn ziel, boven mijn geest, een onveranderlijk licht. Niet dit gewone licht dat elke mens ziet. Geen licht van deze orde maar dan groter, geen licht dat veel en veel feller schijnt en heel indringend over alles heen valt. Dat was het niet, het was anders, helemaal anders dan al dit andere licht. Het was ook niet boven mijn geest zoals olie op water drijft of zoals de hemel boven de aarde staat. Het was hoger in de zin dat het mij geschapen heeft. En ik was lager, ik ben door dit licht geschapen. Wie de waarheid kent, kent dit licht en wie weet van dit licht, weet van eeuwigheid. De liefde kent het. O eeuwige waarheid en ware liefde en lieve eeuwigheid! U bent mijn God, naar u verlang ik dag en nacht. 

Zodra ik u zag, hief u mij omhoog. En ik zag dat er voor mij iets te zien was en dat ik nog niet in staat was het te zien. U heeft mijn zwakke blik laten afketsen door heftig op mij in te stralen en ik huiverde van liefde en van vrees. Ik werd me ervan bewust ver van u vandaan te zijn in het land van ongelijkheid en het was alsof ik uit den hoge uw stem hoorde: ‘Ik ben voedsel voor de groten. Groei, dan kun je mij eten. En je zult mij niet laten opgaan in jou, zoals voedsel voor je lichaam, nee, jij zult opgaan in mij.’

En ik leerde zien dat u de mens kastijdt als straf voor zijn zonde en mijn ziel ineen hebt laten schrompelen als een spinnenweb. En ik zei: ‘Als de waarheid geen ruimte inneemt, begrensd of onbegrensd, bestaat ze dan niet?’ En vanuit de verte riep u: ‘Juist wel, Ik ben die ben.’ Ik hoorde het zoals je hoort met je hart en er bleef geen ruimte meer over voor twijfel. 

Eerder nog zou ik twijfelen aan mijn eigen bestaan dan aan het bestaan van de waarheid, die in de schepping voor de rede zichtbaar wordt.

Augustinus, Belijdenissen 7,16 / vert. Wim Sleddens

 
kleiner A  -  A groter
Sitemap
28 Oktober 2020