Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > Tolle, lege - Pak op en lees
zoeken
printen

Tolle, lege - Pak op en lees

De crisis waarin Augustinus zich sinds zijn vertrek naar Rome bevond, is bijna ten einde. In Milaan heeft hij als onrustige zoeker naar een gelukkig leven, naar waarheid, wijsheid, rechtvaardigheid zijn God gevonden. Nog in tranen waarom het hem niet lukt zich aan God over te geven, hoort Augustinus een stem 'Pak op en lees!' Hij begrijpt dat hij de Bijbel moet pakken om te lezen. De tekst die hij dan op goed geluk openslaat, overtuigt hem.

[28] Dit diep nadenken had heel mijn ellende uit zijn verborgen schuil­hoeken naar boven gehaald en bij elkaar gezet voor de ogen van mijn hart. Toen stak er een hevige storm op, met een enorme stortbui van tranen. Om die helemaal te laten uitstromen en uitrazen stond ik op. Een plek waar ik alleen was leek me beter voor dit huilen. Ik liep zo ver van Alypius weg dat niemand om mij heen me hinderde, ook hij niet. Zo stond het op dat moment met mij en dat begreep hij ook. Ik zal wel iets gezegd hebben, vermoed ik, waar je de tranen in mijn stem aan kon horen. Ik stond dus op en hij bleef achter op de plek waar wij zaten, helemaal verbluft.

Ik wierp me plat op de grond, onder een vijgenboom - precies weet ik het niet meer - en liet mijn tranen de vrije loop. De stromen braken los uit mijn ogen, een aangenaam offer voor u. En niet precies met deze woorden, maar wel in deze geest riep ik tot u, telkens opnieuw: ‘Hoelang nog, Heer? Hoelang nog, Heer? Zal uw woede dan blijven duren? Zult u ons blijven herinneren aan onze zonden van vroeger?’ Want die hielden me tegen, dat voelde ik. En ik klaagde maar: ‘Hoelang nog, hoelang nog? Morgen, altijd maar mórgen. Waarom niet nú? Waarom niet nu meteen een einde aan mijn schande?’

'Neem en lees'

[29] Ik riep maar en huilde maar, mijn hart was vermorzeld en voelde heel bitter. En daar hoor ik een stem uit een huis in de buurt telkens weer: ‘Neem en lees, neem en lees.’ Was het een jongen of een meisje? Ik kon het niet zeggen. Meteen veranderde mijn gezicht en ik begon na te denken of kinderen zoiets misschien zongen bij een spel. Maar ik kon me niet herinneren dat ik het ooit ergens had ge­hoord. Ik hield mijn tranen in en stond op. Ik kon het niet anders verstaan dan als een opdracht van God om het boek open te slaan en de eerste tekst te lezen die ik voor me kreeg. Ik had van Antonius gehoord dat hij zich door een tekst uit het evange­lie, die hij toeval­lig hoorde voorlezen, aangespro­ken had gevoeld als was hij voor hem bedoeld: ‘Ga uw bezit verkopen en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om mij te volgen.’ Op dat woord had hij zich meteen bekeerd tot u. Vlug holde ik dus terug naar de plek waar Alypius zat, want daar had ik het boek van de apostel laten liggen toen ik was opgestaan. Ik pakte het, sloeg het open en las stil de eerste tekst waar mijn oog op viel: ‘Geen bras- en slemppartijen, geen ontucht en losbandig­heid, geen tweespalt en jaloezie. Bekleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan uw eigen wil die begeerten in u opwekt.’ Verder lezen wilde ik niet en was ook niet nodig. Opeens, aan het eind van deze zin, stroomde er zoiets als een licht van zekerheid mijn hart binnen en alle duistere twijfels vluchtten weg.

 

Augustinus, Belijdenissen 8, 27-28 / vert. Wim Sleddens

kleiner A  -  A groter
Sitemap
28 Oktober 2020