Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustinus' Leven > Invloed > Nussbaum
zoeken
printen

Nussbaum

Augustinus bij Martha Nussbaum : de liefde

 

Filosofie van de liefde

      Het magnum opus van Martha Nussbaum, Oplevingen van het denken, is volgens de ondertitel gewijd aan de intelligentie die in emoties te vinden is. Maar in feite kan het werk als een belangrijke bijdrage tot een filosofie van de liefde worden beschouwd.(1) Wijsbegeerte betekent etymologisch ‘liefde tot wijsheid’. Het boek van Nussbaum gaat vooral in op de wijsheid van de begeerte en de liefde. Van de drie gedeelten in haar boek wordt in het eerste deel de mogelijkheid van een rationele benadering van de emoties onderzocht. Het tweede deel handelt over het medelijden. De titel van haar boek slaat vooral op het derde deel waarin het oplichten van de liefde wordt besproken. Nussbaum steunt voor haar filosofie van de liefde niet alleen op ethische theorieën, maar ook op literatuur en muziek. In de filosofie heeft men steeds een dubbele houding aangenomen ten aanzien van de erotische liefde vanwege haar geweldige diepte en kracht. De filosofie weet van de energie die de liefde levert om het goede te doen, maar ze wantrouwt de ondermijnende kracht. Filosofen hebben steeds geprobeerd om de erotische liefde zodanig bij te sturen of te hervormen, dat enerzijds haar creatieve kracht behouden blijft, maar anderzijds de liefde zelf tevens gezuiverd wordt van buitensporigheid. Deze traditie gebruikt meestal de metafoor ‘verheffing’: de aspirant-minnaar beklimt een ladder. Vertrekkend van de oorspronkelijke, banale liefde met alle bijbehorende problemen stijgt hij op naar een hogere, waarlijk vervullende liefde. Het beklimmen van de ladder betekent altijd dat de minnaar er zowel iets bij krijgt alsook iets kwijtraakt.
       Het derde deel van Nussbaums boek gaat in op deze traditie van ‘verheffing’ door vier verheffingsverhalen te beschouwen: (1) de ‘platoonse’ verheffing als intellectuele bezinning op het goede en schone; (2) de ‘christelijke’ verheffing waarin de rol van nederigheid, verlangen en genade wordt onderzocht; (3) de ‘romantische’ verheffing die een statisch einddoel verwerpt en stelt dat het strevende verlangen de transcenderende kracht van liefde is. (4) Haar eigen positie ziet Nussbaum gesitueerd in de wereld van James Joyce. Daar vindt een omgekeerde verheffing plaats, een ‘afdaling’ van de liefde, waarin de menselijke begeerte zichzelf tot taak stelt de onvolmaakte mensenwereld met liefde te aanvaarden. Mijn stelling is, dat men de eigen positie van Nussbaum in feite reeds bij een christen als Augustinus kan vinden.

 


De platoonse en christelijke liefde


      Als Nussbaum de platoonse traditie behandelt, rekent zij behalve Plato ook Proust en Spinoza daartoe. Deze traditie beziet de liefde in het licht van het goddelijke idee. De grote kracht waardoor de geliefde ‘godgelijk’ wordt, is echter tevens haar zwakte. Deze liefde maakt in een bepaald opzicht blind, want in het streven om een goddelijk standpunt te bereiken, is er geen plaats voor nood en gebrek. Dat in deze visie de zonde van hoogmoed besloten ligt, omdat de mens hier zelf in staat wordt geacht een godgelijk standpunt in te nemen, wordt pas zichtbaar in het licht van de ‘christelijke’ visie.
      De christelijke visie staat immers voor opstijgen én afdalen. Vooral in zijn gesprek met de platoonse traditie komt bij Augustinus deze visie naar voren. Nussbaum analyseert bijvoorbeeld de ladders van de liefde die in De quantitate animae en De Genesi contra manichaeos te vinden zijn. De quantitate animae laat in zeven stadia de wijze zien waarop de ziel zich verheft boven het vegetatieve en zintuiglijke leven tot de contemplatieve volmaaktheid. In De Genesi contra manichaeos kan men een soortgelijke opstijging in zeven fasen vinden, nu gekoppeld aan de zeven dagen van de schepping. Dat geeft wel verandering in inhoud en accenten, ofschoon ook hier na zes ‘dagen’ van actie en beweging, de laatste dag er een van contemplatie is, een dag van rust en goddelijke vrede.

 


Augustinus’ visie op de liefde


       Nussbaum had natuurlijk op nog vele andere vroege teksten van Augustinus kunnen wijzen en zelfs op fragmenten uit het zevende boek van de Belijdenissen. De platoonse wijze van verheffen is vooral bij de jonge Augustinus sterk aanwezig. De persoon moet het temporele en de lichamelijke gebondenheid overstijgen om in een stadium van intellectuele onafhankelijkheid een hoogtepunt te bereiken. Zodra de ziel helemaal van dit intellectuele licht vervuld is, is ze van alle dingen volledig los gekomen. Deze sfeer van sereniteit en eeuwigheid is volgens Nussbaum in de Belijdenissen niet meer aanwezig. Augustinus laat daar zien dat de platonisten het christelijke van de weg die Jezus is niet hebben gezien: de weg van nederigheid, de weg van de incarnatie. Daardoor onderkenden ze evenmin de kracht van de genade. Het platoonse doel van een godgelijk zichzelf voldoende bestaan verschijnt nu als de zonde bij uitstek, de zonde van hoogmoed. De platoonse gedachte gaat van de veronderstelling uit dat wij de goddelijke bestaanswijze op eigen kracht bereiken en zelf onder controle hebben. In plaats van een hang naar intellectuele zekerheid komt bij Augustinus een verlangen naar voren naar: openheid, kunnen wachten, berouw, belofte van een uiteindelijke liefde. De zuivere activiteit van het intellect wisselt Augustinus in tegen een complete psychologie van ontvankelijkheid en liefde, getekend door genade en erbarming.
      In de platoonse (en stoïcijnse) visie komt aan de emoties een ondergeschikte plaats toe ten opzichte van het redelijke inzicht. Met deze visie deelt Augustinus dat men zich niet moet laten beheersen door emoties die gericht zijn op aardse dingen en omstandigheden. Volgens hem moeten emoties geordend worden in liefde tot God en de naaste. Vooral op grond van De civitate Dei XIV.9 vat Nussbaum het verschil tussen Augustinus en de stoïcijnse apatheia samen: de stoïcijnse wijze moet van meet af aan alle vrees en gevoel vermijden, terwijl de christen deze niet hoeft te vermijden doch zich alleen moet onthouden van verkeerde gevoelens voor aardse zaken en personen. Het verschil tussen de Stad van God en de aardse stad ligt niet in de aan- of afwezigheid van sterke emoties, maar in de keuze van de emoties of liever van de zaken waarop de emoties gericht zijn. Degene die bevangen is door de verkeerde en zieke aardse stad is in zekere zin toch dichter bij God dan de onbewogen stoïcijnse wijze. Want deze is bevangen door een fatale trots. De eerste kan door bekering tot genezing komen, terwijl de tweede in de eigengereide overtuiging geheel en al gezond te zijn, in die zelf gevonden rust zich heeft afgesloten voor de weg naar het heil.
      Nussbaum vergelijkt Augustinus’ opvatting over de liefde tot God zelfs met een menselijke liefde in een heftige relatie, die noch bevrediging noch een gerust geweten geeft. Men voelt zich hierin als de slaaf van krachten die buiten alle controle liggen. Men voelt zich ziek en machteloos, hongerig en dorstig, maar men heeft de kracht niet om hiertegen iets te ondernemen zonder het erger te maken. Het drama van de christelijke liefde bij Augustinus heeft iets van zo’n ‘love story’. In het verlengde van de anti-stoïsche passages uit De Civitate Dei wordt duidelijk dat zuiver menselijke liefde enerzijds en christelijke liefde anderzijds niet twee verschillende vermogens zijn, maar aspecten van hetzelfde vermogen om lief te hebben en te verlangen: een vermogen dat in één beweging werkzaam is in de liefde tot de andere mens en in de liefde tot God.

 


Nussbaums interpretatie van Augustinus


      Vanwege het menselijke vertrekpunt in de liefde, is Nussbaum van mening dat Augustinus’ bijdrage in filosofisch opzicht zelfs belangrijker is dan die van Plato. Dus moet bezien worden of Augustinus in staat is de vragen op te lossen inzake de punten waar, volgens Nussbaum, de platoonse visie op het sociale leven tekort schoot: 1. individualiteit, 2. wederkerigheid en 3. medelijden.

      Ad 1. Meer dan de platoonse visie bleek Augustinus uit te gaan van de individualiteit en de eigen verantwoordelijkheid van de mens in deze veranderlijke en dubbelzinnige wereld. Nussbaum vraagt zich echter af of de liefde voor concrete levende individuen in Augustinus’ werk voldoende tot zijn recht komt. Volgens haar laat Augustinus de eigelijke liefde uitgaan naar God. Met een beroep op Hannah Arendt werpt ze de vraag op of zo ieder individu wel werkelijk wordt bemind.
      Ad 2. Anders dan bij de platoonse visie is bij Augustinus veel meer sprake van een wisselwerking in een relatie. Nussbaum vindt dat Augustinus in zijn latere leer van de erfzonde en de predestinatie zo sterk van de menselijke zonde en onmacht uitgaat, dat de menselijke moraliteit, individualiteit en vrijheid op de achtergrond raken. Zij doet ook hier een beroep op Hannah Arendt die zich laat leiden door een Joodse conceptie van wederkerigheid in het samenleven, waarbij de mens wel degelijk in staat is tot iets goeds en tot een gemeenschap van evenwaardige individuen. Door de leer van de erfzonde zo sterk te benadrukken kennen Nussbaum en Arendt aan Augustinus een opvatting toe, die de mensen tot een gemeenschap van verwerpelijke en hulpeloze slachtoffers maakt. Ik ben echter van mening dat Augustinus' leer over de gemeenschap (zoals die bijvoorbeeld in zijn kloosterregel ligt uitgedrukt) aanzetten biedt om tot een meer genuanceerd standpunt te komen. Bij Augustinus is wel degelijk een gemeenschap van gelijkwaardige individuen mogelijk en juist binnen die gemeenschap is de mens tot iets goeds in staat. Hier fungeert de gemeenschap zelf als genade.
      Ad 3. Omdat mensen in dit aardse leven hulpbehoevend en afhankelijk van elkaar zijn, staat in de christelijke liefde de deugd van medelijden centraal. In tegenstelling tot de kerkelijke sociale leer, waarin Nussbaum medelijden op een goede manier ziet functioneren om honger, vervolging en ander kwalen in de maatschappij te bestrijden, ontdekt ze bij Augustinus een opvatting van medelijden die ze afwijst: de aardse noden en onrechtvaardigheid verliezen hun uiteindelijke betekenis omdat de ware liefde alleen Godgericht zou zijn. Nussbaum bespreekt in dit verband ook Augustinus’ opvatting over seksualiteit: in het paradijs was die oorspronkelijk goed gericht, maar door de val, als gevolg van de verkeerd gerichte wil, komt seksualiteit in het teken van de schaamte te staan. Beschaamd raakt men als men iets of iemand begeert. Al het genieten wordt veroordeeld indien het genieten niet staat in het licht van de transcendente glorie van God. Zo blijven er, volgens Nussbaum, heel wat platonistische resten bij Augustinus bewaard.
      Dat de onafhankelijke wil en de seksualiteit door Augustinus worden gezien als metafoor van de verkeerd gerichte wil, staat volgens Nussbaum een maatschappelijk engagement in de weg. Augustinus’ gedachten over het kwaad zullen volgens haar niet leiden tot de juiste handelingen hier en nu. De prijs die voor deze christelijke gedachte betaald moet worden, is namelijk een diepe schaamte. In plaats van te handelen leidt die tot zich verbergen, tot wroeging, berouw en afwachten. Zo’n houding leidt tot vormen van onderdanigheid en gehoorzaamheid die politiek gevaarlijk kunnen worden. Onrecht is reëel en niet slechts tijdelijk; honger is reëel en niet slechts tijdelijk. Men moet de feiten onder ogen zien, stelt Nussbaum. In de christelijke verheffing gaat degene die liefheeft, net als de platonist, toch weer voorbij aan de werkelijke aardse noden, aan het lijden en de onrechtvaardigheid. De Stoa hield de mens het ideaal voor zo hard als staal te zijn en opgewassen te zijn tegen iedere situatie. In plaats daarvan komt in de christelijke visie een mens naar voren die zich schaamt voor zijn seksualiteit, zijn nieuwsgierigheid en zijn trots.

      Is Nussbaums kritiek op Augustinus wel terecht? Ze heeft in elk geval de belangrijke betekenis van Augustinus’ kritiek op de platonisten en de centrale betekenis van de liefde binnen zijn denken gezien. Ze volgt daarin Max Scheler die in de 20er jaren van de vorige eeuw al aandacht vroeg voor de ordo amoris. Maar het lijkt erop alsof bij Nussbaum Augustinus’ denken alleen maar een stap in de goede de richting is. Naar mijn mening doet zij hem onrecht door hem in haar vierdelig schema te plaatsen: de ‘platoonse’ verheffing waarin de intellectuele bezinning gericht is op het goede en schone; de ‘christelijke’ verheffing, waarin nederigheid, verlangen en genade een grote rol spelen en waar zij behalve Augustinus ook Dante bespreekt; de ‘romantische’ verheffing, die een statisch einddoel verwerpt en waarin het strevende verlangen en de transcendentie van liefde wordt geaccentueerd; en ten slotte de beaming van de aardse werkelijkheid op Bloomsday van James Joyce. Natuurlijk is het genieten in Dublin sensueler en spreekt het de hedendaagse mens meer aan. En natuurlijk is Augustinus’ opvatting van seksualiteit gemakkelijk te situeren in een traditie die de begeerte onderdrukt. Maar beknelt Nussbaum Augustinus’ visie niet door hem zo in haar vierdelig schema te plaatsen? Is er bij hem niet ook sprake van beaming van de aardse werkelijkheid? Had bij uitstek Augustinus niet de kracht van de erotische liefde begrepen? Heeft juist Augustinus al niet de idee van een omgekeerde verheffing verkondigd: een ‘afdaling’ van de liefde waarin de menselijke begeerte zichzelf tot taak stelt de onvolmaakte mensenwereld met liefde te aanvaarden? Tars van Bavel heeft laten zien dat er een ontwikkeling plaats heeft in Augustinus’ opvatting van de liefde, waarbij de liefde tot de naaste steeds belangrijker wordt en zelfs tot criterium wordt voor de liefde tot God.
     

       In plaats van bij James Joyce had Nussbaum reeds bij Augustinus zelf de aandacht voor de onvolmaakte mensenwereld kunnen aantreffen. Want, als iets zijn latere werk kenmerkt, is het de afdaling tot het concrete bestaan van gewone mensen. Door zijn verantwoordelijkheid voor de gemeenschap trad in de plaats van het filosoferen met vrienden het harde en tegelijk deemoedige bestaan van de prediker, zielzorger en bisschop.

 


Tekst: prof. dr. Bert Blans, bijzonder hoogleraar wijsbegeerte vanwege de Radboudstichting
Gebruikte literatuur:
Oplevingen van het denken, over de menselijke emoties / M.Nussbaum. - Amsterdam: Anthos Ambo, 2004. - Vertaling van : Upheavals of Thought, The Intelligence of Emotions. - Cambridge, New York: Cambridge University Press, 2001. – ISBN : 0-521-46202-9

 

Top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
11 Maart 2019