Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustinus' Leven > Tijdgenoten > Romeinse godsdienst
zoeken
printen

Romeinse godsdienst

Ofschoon de kerstening van het keizerrijk in de loop van de vierde eeuw een aanzienlijke voortgang had gemaakt, waren de niet-christenen toch nog talrijk. In de steden overheerste het aantal christenen wel, maar op het platteland niet. Meergodendom, de bijbehorende heidense tradities en het bijeenhoren van staat en geloof waren in die tijd gebruik onder de aanhangers van het Romeinse godendom.

 

Augustinus in discussie met de aanhangers van het Romeinse godendom

 

In zijn discussie met aanhangers van de oude Romeinse godsdienst disputeerde Augustinus vooral over bepaalde aspecten van de toen gangbare literatuur en intellectuele traditie. Bovendien keerde hij zich van tijd tot tijd tegen heidense gebruiken van christenen en niet-christenen in zijn directe omgeving. Sommige preken waren voor hen bedoeld. Maar met name zijn magistrale werk De Stad van God (ciu.) was onbewimpeld gericht tegen de heidense bovenlaag, en wilde tevens een antwoord geven aan hen die geïnteresseerd waren in de christelijke opvattingen en argumentaties rond de godsdienst. Met de argumenten die Augustinus aanvoerde, konden trouwens ook de christenen hun voordeel doen.
Ze kwamen van pas wanneer men zich moest verdedigen tegen lieden die hun de actuele catastrofen in de schoenen schoven. Men verweet hen bijvoorbeeld dat Rome bescherming ontbeerde, omdat in de 'christelijke tijden' die waren aangebroken, aan de oude goden de verschuldigde verering onthouden werd. Zo maakten aanhangers van de oude godsdienst stemming tegen de christenen door hun de schuld te geven van de plundering door de Visigothen onder Alarik die Rome in augustus 410 moest ondergaan.


In De Stad van God (ciu.) spreekt Augustinus over de verhouding tussen kerk en staat. In tegenstelling tot interpretaties van latere christelijke auteurs moet hij niets hebben van een samenvallen van beide. Ook over de zogenaamde zegen der 'christelijke tijden' is de oude Augustinus tamelijk sceptisch, terwijl hij steeds meer de instellingen van de staat - al zijn ze gebrekkig - gaat waarderen.
Daarbij verliest hij echter geen moment de eindtijd uit het oog als een tijd om naar uit te zien omdat dan Gods beloften ten volle vervuld zullen worden. De christen moet zich realiseren hier op aarde geen vaste woonplaats te hebben.


De joden

 

De aard van de discussie tussen christenen en joden lag anders dan die met de andere groeperingen. Dat kwam omdat de joden, in tegenstelling tot de anderen in een bepaald opzicht geaccepteerd werden door de kerkvaders. Zij zagen het bestaan van de joden als behorend tot een goddelijk plan waarin de joden een vastgestelde plaats hadden. Daar komt bij dat de sociale invloed van joodse gemeenschappen in Noord-Afrika ten tijde van Augustinus' episcopaat niet te verwaarlozen was. Augustinus had in Hippo contact met verschillende joodse rabbijnen. Aan hun kennis van het Hebreeuws en aan hun uitleg van de Bijbel ontleende hij een aantal interpretaties. In Brief 8* blijkt een zekere Licinius, een jood, niet tevergeefs een beroep op Augustinus te hebben gedaan: de bisschop bemiddelde met succes in diens conflict met een kerkelijke gezagsdrager.

De joden als voorboden
Dat wil niet zeggen dat de verhouding tussen christenen en joden rimpelloos was. Zo hanteerden de kerkvaders de discussie met de joden als instrument om de grenzen vast te stellen tussen het volk van het Oude Testament en dat van het Nieuwe. Terwijl Augustinus beslist afwijzend stond ten opzichte van de godsdienst der heidenen, rekende hij de joden tot hen die geloofden in de ware God. Ook wees hij op overeenkomsten tussen joden en christenen. Beide gemeenschappen verwachtten in een of ander opzicht de Messias. Volgens Augustinus was het bijbelshistorische volk Israël de concrete kern van het tot voltooiing geroepen nieuwe Godsvolk. Het joodse volk was de voorafbeelding van het nieuwe Israël. De voltooiing zou pas een feit zijn, wanneer ook dat deel van het joodse volk dat nog niet was binnengetreden, deel zou uitmaken van het nieuwe Israël. Het zou daartoe op het einde der tijden door God apart worden uitgenodigd.

De joden als getuigen van de wet van God
In de vierde en vijfde eeuw was het joodse volk niet zomaar een feit uit het verleden. Het had zich als volk weten te handhaven en het bleef Gods voorschriften trouw onderhouden. Daarom voelde Augustinus steeds meer de verplichting het concrete bestaan van het joodse volk in zijn eigen tijd opnieuw te interpreteren.
Omdat God het joodse volk niet geslagen had door een totale ondergang, kreeg de hele wereld de kans zijn wet te leren kennen. Want door hun 'verstrooiing onder de heidenen' hadden de joden ervoor gezorgd dat Gods Woord door hun geschriften overal ter wereld bekend werd. Ook bleef de joodse wet haar geldigheid behouden en werd zij niet afgeschaft. Maar daar tegenover stond dat de joden de tekenen des tijds niet verstonden en zich vastklampten aan de tekenen van Mozes, alsof het definitieve werkelijkheden waren. Na de verstrooiing werden de bepalingen van Mozes' wet niet opgeheven, volgens Augustinus, maar kregen ze een nieuwe, geestelijke betekenis. Door die vergeestelijking konden ze de nieuwe heilsfeiten in Christus voorafbeelden. Daarom dienden de christenen de besnijdenis, de sabbat en het pascha wel te behouden, maar dan in geestelijke zin.
De joden waren dus trouwe getuigen van de wet van God. Door hun trouw boden ze, volgens Augustinus, tot in zijn tijd weerstand aan de heidense machten. Daarin verdienden ze de bewondering van de christenen. De Hebreeuwse boeken mochten niet verworpen worden of veronachtzaamd. Onder geen voorwaarde mochten de joden worden lastig gevallen, laat staan gedood. Omdat op het einde der tijden ook de joden deel zouden uitmaken van het nieuwe Israël, dienden de christenen hen geduldig en liefdevol tegemoet te treden. En door te beseffen wat hun wortels waren, moesten zij tegenover de joden bescheiden zijn en vol aandacht, want de geschiedenis van God met de joden herhaalde zich in zekere zin in het christendom. Hun geschiedenis was daarom voor het geloof uiterst leerzaam.

Ontwikkeling in visie
Wanneer Augustinus tegenover de manicheeër Faustus het Oude Testament verdedigt, betrekt hij daarin niet alleen de positie van de manicheeërs maar ook die van de joden. Hij doet dat ook in zijn polemiek tegen het arianisme en pelagianisme. Augustinus ziet het jodendom namelijk niet als een sociologisch maar als een theologisch verschijnsel.
In zijn visie op de joden doet zich wel een ontwikkeling voor. In het begin rekent hij de joden in een bepaald opzicht onder de ketters en scheurmakers, later ziet hij hen als het prototype van de doorsnee gelovige die na veelvuldig vallen, uiteindelijk zal opstaan om tot de Vader terug te keren. Geloven is een proces dat zich in de geschiedenis voltrekt, meer in gebreken en onbegrip dan in begrijpen en opstaan, soms in een vermoeden, meestal in den blinde, en toch met een gelukkig einde. Want Gods stem blijft steeds uitnodigen.

Naarmate hij de historische concreetheid van de joden zwaarder liet wegen, is Augustinus minder negatief over hen. Het is de vrucht van een ontwikkeling waarin hij steeds meer uitgaat van het concreet-menselijke. Zo weet hij in de loop der jaren zijn meer persoonlijk verlangen naar de waarheid, waarvan vooral de Belijdenissen getuigen, te verbreden tot het gemeenschappelijk hunkeren naar vrede waarvan alle mensen willen genieten, want vrede geniet je nooit in je eentje. Van die visie getuigt zijn werk De Stad van God (ciu.).

 

Tekst dr Martijn Schrama OSA en drs Anke Tigchelaar

Gebruikte literatuur
•    Augustine through the ages : An encyclopedia / ed. by Allan D. Fitzgerald OSA - Grand Rapids (Mi), Eerdmans, 1999. ISBN: 0-8028-3843-X. - Met name de artikelen: "Arius Arianism, Donatus Donatism, Mani Manicheism, Jews and Judaism"
•    Augustinus, de binnenkant van zijn denken / Martijn Schrama. - Zoetermeer: Meinema, 1999. - ISBN: 90-211-3746-1. 
•    Zoals het hart verlangt: Preken over de Psalmen / Aurelius Augustinus ; vert. en ingel. door Martijn Schrama, Wim Sleddens en Hugo de Lil. - (Sleutelteksten in godsdienst en theologie ; 24). - Zoetermeer: Meinema, 2001. - ISBN: 90-211-3793-3.- Met name p. 26-32.

Andere beschrijvingen Augustinus' Leven en Werk op internet
•   
Gestalt und Werk Augustins van het Zentrum für Augustinus-Forschung 

Top

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
11 Maart 2019