Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > Allerheiligen en allerzielen
zoeken
printen

Allerheiligen en allerzielen

bloemen op een kerkhof in de herfst

In het licht van de herfst bezoeken talloze mensen op de kerkhoven de graven van hun geliefden. De stenen worden geschrobd, een vers boeket bloemen biedt troost of een lichtje op het graf verzacht het tanende daglicht. Intussen denkt men aan de gestorvene of bidt voor de overledene om eeuwige rust en vrede. 

Voor persoonlijke meditatie of voor het samenstellen van een viering staan hier ter inspratie tekstfragmenten uit het werk van Augustinus. 

 

De vrede van de rust

Heer God, u hebt ons alles gegeven, geef ons nu ook vrede, de vrede van de rust, de vrede van de sabbat, de vrede zonder avond. Heel deze volmaakte ordening van zeer goede dingen zal zijn tijd vol maken en voorbijgaan: want zij hebben een morgen en een avond.

Maar de zevende dag heeft geen avond en geen ondergang, u hebt hem geheiligd om eeuwig te duren. Dat u na al uw zeer goede werken, die u in rust hebt gemaakt, op de zevende dag hebt gerust:  daarin kondigt de stem van uw Boek ons aan dat ook wij na onze werken  – zeer goed omdat u ze ons geeft – tot rust zullen komen in u op de sabbat van het eeuwige leven.

Dan zult u op dezelfde manier in ons rusten als u nu in ons aan het werk bent. Die rust zal zijn uw rusten in ons zoals onze daden uw daden zijn door ons. Heer, u bent altijd aan het werk en altijd in rust, u kent geen tijd, beweegt niet naar tijd en rust niet naar tijd. En toch schept u ons zien in de tijd, de tijden zelf en ons uitrusten daarna.

Zie Augustinus, Belijdenissen, 13, 50-52

= = 

Christus als koopman 

Waarom zou Christus ons niet zijn vreugde schenken? Hij heeft toch ook ons leed geleden? Het enige waar we op deze aarde, in deze barre tijden, meer dan genoeg van hebben is: geboorte, lijden, dood. Bekijk het menselijk bestaan en weerleg mij als ik lieg. Kijk naar alle mensen: zijn ze soms voor iets anders op deze wereld dan voor geboorte, lijden en dood?

Dat is de handelswaar van ons domein, daarvan hebben we hier meer dan genoeg. Voor dat soort handel kwam die koopman naar beneden. Elke koopman geeft en ontvangt: hij geeft wat hij heeft en ontvangt wat hij niet heeft. Als hij iets koopt geeft hij geld en ontvangt het gekochte. Zo ook Christus: bij die handel gaf Hij en ontving Hij. Wat ontving Hij dan? Waar we hier meer dan genoeg van hebben: geboorte, lijden, dood. En wat gaf Hij? Wedergeboorte, opstanding, eeuwige heerschappij. 

zie Augustinus' preek 130,2 in: De weg komt naar u toe

= = 

Wij worden ook onsterfelijk  

Op 2 november, Allerzielen, worden alle doden herdacht, in het bijzonder degenen die het afgelopen kerkelijk jaar overleden zijn. Daags daarvoor op 1 november, Allerheiligen, worden alle heiligen en martelaren herdacht. De titel 'heilige' krijgen die overleden personen die bijzonder rechtschapen en vroom hebben geleefd.    

Wij zijn iets groots aan het worden. Niemand hoeft zichzelf te minachten: wij waren niets, nu zijn we iets. We zei­den tot de Heer: "Gedenk dat we stof zijn." Maar Hij heeft van dat stof een mens gemaakt, en leven aan dat stof geschonken, en in Christus onze Heer heeft Hij dat stof zelfs naar het rijk van de hemel ge­bracht. Hier bij ons kreeg Hij een lichaam, hier bij ons werd Hij van aarde. En Hij die aarde en hemel heeft gemaakt, ver­hief de aarde naar de hemel.

Stel dat we mochten kiezen tussen twee dingen die nog nooit waren vertoond, en we kregen de vraag: "Wat is wonderlijker, een God die mens wordt, of een mens die een mens van God wordt? Wat is won­der­lijker, wat is moeilijker?" Wat heeft Chris­tus ons be­loof­d? Iets wat we nog niet zien: we zullen mensen van Hem zijn en met Hem heersen en in eeuwigheid niet sterven­. Het lijkt moeilijk te geloven dat wie als mens geboren is, het leven zal berei­ken waar hij nooit sterft. Dat is wat wij geloven als ons hart is wak­ker geschud, ik bedoel als het stof van de wereld er is afge­schud. Dan kan dat stof ons de ogen van het geloof niet sluiten. Dit is wat wij moeten geloven: na onze dood zullen wij zelfs met ons gestorven lichaam­­ leven en nooit sterven.

Dat is wonderlijk, maar nog wonderlijker is wat Christus heeft gedaan. Want wat is moeilijker te geloven: dat de mens eeu­wig leeft of dat God ooit sterft? Dat de mens het leven krijgt van God is makkelijk­ te geloven. Dat God de dood krijgt van de mens is volgens mij moeilijker te geloven. Toch is dat al gebeurd. Laten we dus ook gelo­ven wat nog komt. En nu gebeurd is wat het moeilijkst te gelo­ven valt, zal Hij ons dan niet geven wat makkelijker te gelo­ven is?

Zie Augustinus' preek 130,4 in: De weg komt naar u toe 

= = 

Hij die God was, werd mens en mensen worden goden.
Van het ene geloven we dat al is gebeurd,
het andere verwachten we in de toekomst.

Tot welke hoop de Heer onze God ons heeft geroepen, is u bekend, geliefde broeders en zusters. U weet wat we nu met ons meevoeren, wat we verdragen en waarnaar we uitzien. Daar twijfel ik niet aan. We voeren onze sterfelijkheid met ons mee, we verdragen onze zwakheid en we zien uit naar onze goddelijkheid. Want God wil ons niet alleen levend maken maar ook goddelijk. Hoe zouden we in onze menselijke zwakheid daarop durven hopen, als de goddelijke waarheid het niet beloofde? De goddelijke waarheid heeft - ik zei het al - beloofd dat we goddelijk zouden worden. En dat is geen loze belofte. Zo'n betrouwbare belover bedriegt niet. Zo'n almachtige gever laat zich door niets tegenhouden bij het vervullen van zijn belofte. Toch is het God niet genoeg geweest om ons goddelijkheid in Hem te beloven. Hij heeft ook onze zwakheid op zich willen nemen. Het was alsof Hij zei: 'Wil je weten hoezeer Ik je liefheb, hoe zeker je ervan kunt zijn dat Ik je mijn goddelijkheid zal geven? Ik heb jouw sterfelijkheid aangenomen.'

We hoeven het niet ongelooflijk te vinden, broeders en zusters, dat mensen goden worden, dat wil zeggen: dat zij die eerst mensen waren, ooit goden worden. Ongelooflijker is wat ons nu al is gegeven, namelijk dat Hij die God was, mens werd (vgl. Joh. 1,14) Van het ene geloven we dat het al is gebeurd. Het andere verwachten we in de toekomst. De Zoon van God is de Zoon van een mens geworden om de zonen van de mensen tot zonen van God te maken. Prent dit goed in uw geheugen. 

Zie Augustinus' preek 23B,1 in: Schatkamer van het geloof

= =

Zo'n almachtige gever laat zich door niets tegenhouden bij het vervullen van zijn belofte. Toch is het God niet genoeg geweest om ons goddelijkheid in Hem te beloven. Hij heeft ook onze zwakheid op zich willen nemen. Het was alsof Hij zei: 'Wil je weten hoezeer Ik je liefheb, hoe zeker je ervan kunt zijn dat Ik je mijn goddelijkheid zal geven? Ik heb jouw sterfelijkheid aangenomen. 

zie Augustinus' preek 23C,1 in Schatkamer van het geloof

= =  

Zondigen is al dood zijn; schuld belijden als levend worden

In preek 67 gaat Augustinus dieper in op de levende doden, dat wil zeggen de mensen die zondigen. De vergelijking tussen zondig zijn en dood zijn maakt Augustinus aan de hand van het woord "belijden" wanneer Jezus tegen de Vader zegt : “Ik belijd” (Mt 11,25). Belijden, concludeert Augustinus, is dus duidelijk niet alleen maar ‘je schuld belijden’. Als dat zo was, had Jezus dat woord nooit kunnen gebruiken. Nee, het kan ook 'je dank belijden’ zijn, iets wat je tot uitdrukking kunt brengen door God te prijzen. En dat is precies wat Jezus doet. Het is dan ook de bedoeling dat de mensen zijn voorbeeld gaan volgen. Doen ze dat ook, dan zullen de beide op het eerste gezicht tegenstrijdige betekenissen ineens allesbehalve tegenstrijdig blijken. “Welbeschouwd is jezelf terechtwijzen hetzelfde als Hem prijzen”, zegt Augustinus (sermo 67,2). Je schuld belijden is dus niets anders dan je dank belijden. Hoe dat kan? Als zondig zijn hetzelfde is als dood zijn, moet het niet- zondig-zijn leven zijn, en betekent je schuld belijden dus levend worden. “Je was dood, maar bent weer levend geworden”. Augustinus beroept zich op een tekst uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach: “Bij een dode, die is alsof hij niet bestaat, verstomt het belijden (Sir 17,28). En als het belijden verstomt bij een dode, kan iemand die belijdt, niet dood zijn”. Het is zo helder als de dag: wie zijn schuld of zijn dank belijdt, leeft. 
Zie Augustinus' preek 67 in: Zondig zijn - dood zijn en in: Van aangezicht tot aangezicht.  

= =  

Boekentip: Wat kunnen wij voor de doden doen?

Wie naast de zorg bij het graf en de aandacht voor de gestorvene deze herfsttijd ook eens wil kleuren met verdieping van het eigen geloof en inspiratie voor de eigen ziel, raden we aan om alleen of samen met anderen kennis te nemen van Wat kunnen wij voor de doden doen? een pastorale beschouwing van de bekende kerkvader Augustinus.

Zie: Wat kunnen wij voor de doden doen [De cura pro mortuis] Hier staan ook links naar andere teksten.  

= =

Voor langere leesfragmenten zie het Liturgisch jaar > Allerzielen (onderaan de pagina) 

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
Wat kunnen wij voor de doden doen?
Wat kunnen wij voor de doden doen? [De cura pro mortuis gerenda] / Aurelius Augustinus; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan den Boeft en Hans van Reisen. - Budel: Damon, november 2010; 3de gewijzigde druk. - ISBN: 978-94-6036-071-8, - € 11,90 hb lees verder
26 Oktober 2020