Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > All04: Troost voor bedroefden
zoeken
printen

All04: Troost voor bedroefden

Dit gedeelte komt uit een preek die Augustinus hield ter nagedachtenis aan de doden. Augustinus wil de mensen troosten door duidelijk te maken dat het christelijk geloof totaal anders is dan het heidense geloof. In de Bijbel staat immers ‘Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven. Iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.’ (Joh. 11,25-26) Dat betekent dat een mens dan wel tijdelijk mag sterven, maar hij zal niet voor eeuwig sterven. 
Eerst legt Augustinus uit waarom we sterven (door de zonde) en dat de dood bitter is, voor iedereen. En toch is er troost: God zal de doden laten herleven. Bij zoveel hoop mogen wij gelovigen die tempels van God zijn, niet bedroefd blijven. Daar (in zijn tempel) woont Hij die belooft en niet bedriegt. Wij geloven daarom in een leven na dit leven.

 
[2] Laten wij dan troost zoeken bij elkaar, en ook in mijn woorden. Het is beter dat het hart genezen wordt van zijn verdriet door te treuren, dan dat het onmenselijk wordt door niet te treuren. Maria klemde zich vast aan de Heer en treurde om haar dode broer. Waarom bent u verbaasd dat Maria treurt op het moment dat zelfs de Heer moet huilen?  Maar het kan wel verbazing wekken dat Hij huilt om een dode die Hij direct daarna zal gebieden om te leven!  Nee, Hij huilt niet om de dode die Hij zelf gaat opwekken, maar om de dood die een mens zichzelf aandoet door te zondigen.

Als de zonde er niet eerst was geweest, zou de dood ongetwijfeld niet zijn gevolgd. De dood van het lichaam volgde dus op de dood van de ziel. De dood van de ziel kwam eerst. De dood van de ziel kwam eerst doordat zij God verliet, en de dood van het lichaam volgde toen de ziel het lichaam verliet. Het eerste gebeurde uit vrije wil, het tweede was noodzakelijk en gebeurde onvrijwillig. Het leek alsof tegen de ziel werd gezegd: “Je hebt verlaten wie je had moeten beminnen, verlaat dan nu wat je hebt bemind.” Wie wil er nu sterven? Helemaal niemand, ja zozeer niemand dat tot de heilige Petrus werd gezegd: “Een ander zal je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.”  Trouwens, als de dood helemaal niet bitter was zou de moed van de martelaren niets voorstellen.

[3] Daarom ook zegt de apostel Paulus: “Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren zoals de heidenen, die geen hoop hebben.” Het is onvermijdelijk dat u treurt. Maar als u treurt, laat de hoop u dan troosten. Ja, hoe zou u niet treuren als het lichaam, dat leeft door de ziel, ontzield wordt omdat de ziel het verlaat? Wie kon lopen ligt daar nu, wie kon spreken zwijgt, de gesloten ogen vangen geen licht meer, het oor is doof voor elk geluid. Alle taken van het lichaam zijn in ruste. Er is niemand meer om de voeten te laten lopen, de handen te laten werken, de zintuigen te laten waarnemen. Moeten we niet denken aan een huis dat een onzichtbare bewoner mooi heeft ingericht? Die onzichtbare bewoner is vertrokken, gebleven is wat we met verdriet aanschouwen.

Dat veroorzaakt onze droefheid. Als dit onze droefheid veroorzaakt, laat er dan een troost zijn voor deze droefheid. Welke troost? Paulus zegt: “Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij Hem zijn.”  Laat de smart verdwijnen waar zoveel troost is. Laat de rouw worden verjaagd uit ons hart, laat het geloof ons verdriet verdrijven.

Bij zoveel hoop mag de tempel van God niet bedroefd zijn. Daar woont de goede Trooster, daar woont Hij die belooft en niet bedriegt. Waarom zo lang getreurd om een dode? Omdat de dood bitter is? Ook de Heer is er doorheen gegaan. Mogen deze paar woorden voldoende voor u zijn, lieve mensen. Meer troost krijgt u van Hem die uw hart niet verlaat. Moge Hij de goedheid hebben om daar te wonen en zo ook de goedheid hebben om ons aan het eind te veranderen.


uit: Sermo 173,2 en 3 (ingekort)  in Geloof is het begin.  

zie ook Doden die leven: gedachten over dood, verdriet en hoop op eeuwig leven (Augustinus aan het woord nr 15)

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019