Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > Augustinus over vriendschap
zoeken
printen

Augustinus over vriendschap

Augustinus over de gloed van de vriendschap

 

Houten beeldje van Augustinus met het hart dat brandt van liefde voor Godsamen praten en samen lachen
hartelijk met elkaar omgaan
samen een goed boek lezen
samen schertsen en serieus zijn,

het soms met elkaar oneens zijn zonder haat
alsof je het oneens was met jezelf
en met dat zeldzame verschil van mening de eensgezindheid van altijd kruiden,
aan elkaar en van elkaar iets leren,

uitkijken naar de terugkomst van wie afwezig is
en blij zijn als hij er weer is;

met deze en andere soortgelijke tekenen
vanuit het hart van mensen die elkaar graag mogen,
en wat je zegt met je mond, je spraak, je ogen
en duizend andere lieve gebaren
zielen als door vuur laten samensmelten en van vele één maken

dat hebben we lief in onze vrienden
en wel op zo'n manier dat ons geweten er ons een verwijt van maakt
als we genegenheid niet met genegenheid beantwoorden, 
zonder echter iets anders van hen te verwachten 
dan een teken van welwillendheid.

Augustinus, Belijdenissen 4,13 / vertaling Wim Sleddens 

 

Voor Augustinus was vriendschap enorm belangrijk: hij had vele vrienden en zijn vriendschappen waren hecht. Hij noemt zijn trouwe vriend Alypius zelfs 'de broer van mijn hart'. (Conf. 9,7) Wanneer een goede jeugdvriend van hem overlijdt (Conf. 4,11), heeft Augustinus het gevoel dat de helft van zijn ziel is overleden. 

Augustinus kan niet zonder vrienden zoals hij schrijft in zijn Belijdenissen (conf. 6,26) Hij diept de definities over vriendschap (amicitia) van de antieke filosofie uit waarbij God de drager van vriendschap wordt. 

 

Hoe goed kun je een ander leren kennen?

Beroemd is de volgende uitspraak van Augustinus:
'et nemo nisi per amicitiam cognoscitur – men kan niemand leren kennen tenzij door vriendschap'. (diu. qu. 71,5 – Over 83 vraagstukken) Augustinus bedoelt hier dat elkaar leren kennen niet alleen een kwestie van het verstand is, van kritisch overleg, maar ook en vooral van liefde, van overgave aan de ander. Alleen echte liefde maakt een volledig verstaan van de ander mogelijk. Niemand wordt volledig begrepen, geliefd, als die ook niet volledig bemind wordt. (diu.qu 35,2) In het gezelschap van goede vrienden hoef je je niet anders voor te doen dan je bent; ieder mag zichzelf zijn.

Echte vrienden kunnen elkaar de waarheid zeggen: 'Houd van je vrienden, niet van hun fouten' zegt Augustinus in preek 49. Goede vrienden gaan steeds meer op elkaar lijken, in positieve zin. Wederzijdse welwillendheid, waardering, aandacht voor elkaar is een voorwaarde voor echte vriendschap. Eigenbelang en berekening passen hier niet; echte vriendschap is belangenloos. Toch blijft de ander altijd een ander, en dat karakteristieke van de ander moet worden gerespecteerd. Vriendschap blijft dus een zaak tussen mensen en kan nooit volmaakt worden.

De ideale vriendschap kan alleen God ons bieden. Vriendschap komt op een hoger plan wanneer ze bij God wordt gebracht. Augustinus wil vriend worden van God. Zo wordt hij door Gods woord in vuur en vlam gezet. 'U hebt mijn hart getroffen met uw woord en ik ben u gaan beminnen.' (Conf. 9,3 en 10,8) Hij ontdekt al schrijvend aan de Belijdenissen God als drager van vriendschap. 

Augustinus' verlangen naar ware vriendschap blijkt o.a. uit zijn Regel: 'eensgezind tezamen wonen, één van ziel en één van hart op weg naar God'. Wij zijn elke dag met onze vrienden en vijanden op weg naar God. Hier op aarde kunnen wij leren God te ontmoeten in de ander. Een mooi voorbeeld is een citaat uit Augustinus' brief aan Proba (nr 130):  

Als armoede nijpt, als rouw droevig stemt, als lichamelijke pijn onrustig maakt, als ballingschap teneerdrukt, als welk onheil ook ons kwelt, dan zijn daar goede mensen die niet alleen de kunst verstaan vrolijk te zijn met de vrolijken, maar ook te wenen met de wenenden. Mensen die een opbeurend woord weten te spreken en een weldoend gesprek weten te voeren. Meestal wordt dan wat hard is verzacht, wat zwaar is verlicht, wat tegen zit te boven gekomen. Maar eigenlijk is het God die dit door en in die mensen bewerkt, God die hen door zijn Geest tot goede mensen maakt.

Nu het tegendeel! Stel dat we zwemmen in rijkdom, door geen rouw getroffen worden, een goede, lichamelijke gezondheid genieten, in een vrij vaderland wonen, maar samen moeten leven met mensen onder wie er niet één is die we kunnen vertrouwen, niet één van wie we geen list, bedrog, haat, ruzie en valstrikken te verduren en te vrezen hebben, wordt dan dat alles niet hard en bitter, zonder nog iets vriendelijks of zoets erin? Immers, zonder een mens die onze vriend is, komt geen enkel ding in de wereld ons nog vriendelijk voor. 

Brief 130 aan Proba, in: Staat van ontlediging, staat van gebed / vert. en ingel. door Anne-Marijke Silvius-Janssen. - Brugge; Tabor, 1992, 49-82. - ISBN: 90-6597-016-9. - Bevat: brief 130, 131. - (de vertaling van dit citaat licht bewerkt door Ingrid van Neer-Bruggink)  

Tekst: Ingrid van Neer-Bruggink 
Dit is een samenvatting van de lezing die gehouden is op 13 november 2020 in DomusDela op de vierde Augustijnendag. Het thema in 2020 was 'Houvast - hoe verhouden we ons tot van buiten komend onheil?  

Bronnen:
* Charisma: Gemeenschap als plaats voor de Heer / T.J. van Bavel, OSA. - Leuven-Heverlee, Augustijns Historisch Instituut, 2000. Met name hoofdstuk 2 - Vriendschap 
* Ooit een land van kloosters. Teksten van Augstinus over het kloosterleven / inl. en vert. door prof.em. T.J. van Bavel OSA. - Heverlee-Leuven: Augustijns Historisch Instituut, 1999 
* God in de ander. Augustinus over gastvrijheid en vriendschap / Martijn Schrama OSA. 1998. - Uitgave van de Elim-groep bij gelegenheid van het 10-jarig bestaan. Met name het hoofdstuk 'Vriendschap'. (uitverkocht)
* Augustinus, van liefde en vriendschap / T.J. Van Bavel OSA. Baarn: Het Wereldvenster, 1970. (uitverkocht) 



 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
16 November 2020