Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Epi05

Epifanie: Openbaring van de Heer aan de heidenen


Nog maar een paar dagen geleden vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag moeten wij niet minder plechtig zijn openbaring aan de heidenen vieren. Op deze dag namelijk is de Heer voor het eerst aan hen geopenbaard. Op zijn geboortedag al kregen de joodse herders de pasgeborene te zien, vandaag aanbidden de magiërs uit het oosten Hem. De pasgeborene is immers de hoeksteen, waar twee muren in vrede samenkomen, besnedenen en onbesnedenen; geen gering ver­schil in herkomst. Ze moesten met elkaar verbonden worden in Hem die onze vrede is gewor­den en die de twee één heeft gemaakt (Ef 2,14). Met de herders zijn de joden voorafgebeeld, met de magiërs de heidenen. Dat was het begin van wat in de hele wereld vrucht moest dragen en moest groeien. Laten wij deze twee dagen, die van de geboorte en die van de openbaring van onze Heer daarom van harte vieren in geeste­lijke vreugde.
      De herders, joden, werden naar Hem gebracht door de boodschap van een engel; de magiërs, heidenen, door een ster die hun de weg wees. De ster bracht de astrologen met hun ijdele berekenin­gen en voorspellingen in de war, toen zij de sterrenaanbid­ders duidelijk maakte dat zij beter de Schepper van hemel en aarde konden aanbid­den. Want Hij die bij zijn geboorte een nieuwe ster liet schijnen, ontnam bij zijn dood de zon van het oude bestel haar licht (Mt 27,45). Met het licht van de ster is het geloof begonnen, terwijl de duister­nis een aanklacht vormt tegen het ongeloof.
       Wat was dat voor een ster, die nooit eerder tussen de sterren was verschenen en die ook later niet aan het firmament bleef staan? Wat was die ster anders dan prachtige hemeltaal die de glorie van God moest verkondi­gen? (Ps 19,1) Die met ongewone schittering moest roepen over de ongewone maagdelijke bevalling. Later, toen de ster niet meer ver­scheen, moest daarvoor in de hele wereld het evangelie in de plaats komen. Wat vroegen de magiërs immers bij hun komst? "Waar is de pasgeboren koning van de joden?" (Mt 2,2) Wat betekent dat? Waren er in het verleden al niet zovelen als koning van de joden geboren? Waarom verlangden de magiërs er zo vurig naar om de koning van een vreemd volk te leren kennen en te aanbidden? "Omdat wij zijn ster in het oosten hebben gezien," zeiden ze, "en gekomen zijn om Hem onze hulde te brengen." (Mt 2,2) Zouden zij werkelijk met zoveel toewijding navraag doen en met zo'n diep gevoel van godsvrucht naar Hem verlangen, als zij in de koning van de joden niet Hem erkenden, die zelfs de koning der eeuwen is?

     Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 46 (sermo 201,1)

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019