Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > A-jaar (Matteüsevangelie)
zoeken
printen

A-jaar (Matteüsevangelie)

Advent 
Kerstmis
Epifanie 
Door het jaar jan-febr
Veertigdagentijd
Pasen
Paastijd
 
Door het jaar juni-juli  
Door het jaar aug-sept 
Door het jaar okt-nov 

 

In het A-jaar (2019-2020) is in vele kerken op zon- en feestdagen het evangelie volgens Matteüs uitgangspunt voor verkondiging en overweging. We bieden u een aantal fragmenten aan uit de werken van Augustinus die het Matteüsevangelie behandelen. De citaten staan in volgorde van het liturgische jaar.

Deze fragmenten kunnen helpen bij persoonlijke meditatie of dienen als korte overweging bij doordeweekse vieringen, als opening of afsluiting bij kerkelijke vergaderingen, als korte gedachte in een kerkblad of als orde van dienst op zondag. Zo kan het evangelie op zondag naklinken bij andere kerkelijke activiteiten doordeweeks. 
Het staat u vrij om deze fragmenten te vermelden op uw eigen website op voorwaarde dat u de boekgegevens overneemt en/of verwijst naar www.augustinus.nl 
Voor meer informatie over onze boeken zie Publicaties-NL-vertalingen, voor citaten per thema zie het Webarchief, of Citaten en de serie Augustinus aan het woord.  Om te weten welke datum bijv. de 'tweede zondag door het jaar' valt, kunt u de Liturgische kalender van Berne Media raadplegen (2019-2020 pdf)

 

Advent

1ste zondaag van de Advent 
bij Mt 24,37-44 uit Augustinus' sermo 114B,1

De Heer sprak over zijn wederkomst en over het einde der tijden. Hij had al gewag gemaakt van de vele verschrikkingen die de mens­heid zal moeten ondergaan als het einde nadert. Daarna leverde Hij kritiek op de mensen die in zekerheid willen leven waar geen zekerheid is en zo maakte Hij hen doodsbang. Hij zei dat het bij de komst van de men­sen­zoon voor dat laat­ste oordeel - dat iedereen angst aanjaagt maar voor trouwe gelo­vi­gen toch ook iets is om naar uit te zien - Hij zei dus dat het bij zijn komst net zo zou gaan als in de dagen van Noach (Mt 24,47 en Lc 17,26-27). Met deze woor­den joeg Hij het hart van iedere gelovige schrik aan. Want Hij zei: "Zoals in de dagen van No­ach: ze aten en dron­ken, huwden en werden uitgehu­we­lijkt, kochten en ver­kochten toen de ark door Noach gebouwd werd, en de zondvloed kwam en ver­delgde allen." (Gn 7,1-24, Mt 24,37-39 en Lc 17,26-27)
    De mensen uit die tijd leefden in een gevaarlijk soort zekerheid en genoten van alle genoegens van deze wereld. Dat deden zij, totdat Noach de ark binnenging en de zond­vloed hen naakt en met lege handen aan­trof. Door deze woorden jaagt de Heer ook vandaag elke ziel schrik aan, maar wij heb­ben nog tijd om wakker te worden. Nog is de dag van het oor­deel niet aan­ge­broken, nog is er geen zondvloed. Nog steeds wordt er in de bossen hout ge­kapt dat niet kan rotten, nog steeds wordt er ge­bouwd aan de ark.
  Uit: Aurelius Augustinus - Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie, Budel 2007. - p. 273 (= sermo 114B,1)

2de zondaag van de Advent 
bij Mt 3,1-12  uit Augustinus' sermo 71,19

De eerste weldaad die de milde God ons gelovigen bewijst, is de vergeving van zonden met de hulp van de Heilige Geest. Daarom wordt het begin van de verkondiging van Johannes de Doper, die vóór de Heer uit was gezonden, als volgt beschreven: "In die dagen kwam Jo­han­nes de Doper in de woestijn van Judea verkondigen: Bekeer u, want het rijk der hemelen is ophanden." (Mt 3,1-2) En de verkondiging van de Heer be­gint op dezelfde manier, want verderop staat: "Vanaf toen begon Je­zus te verkondigen. Hij zei: Bekeer u, want het rijk der hemelen is ophanden." (Mt 4,17) Johannes richtte zich tot hen die zich door hem kwa­men laten dopen, hij zei onder meer: "Ik doop u met water opdat u zich bekeert. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger dan ik. Ik ben het niet waard om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen met Hei­lige Geest en vuur." (Mt 3,11) Ook de Heer zegt: "Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met Heilige Geest, bin­nen enkele dagen." (Hnd 1,5) Met Pinksteren dus.
    Je kunt in het woord vuur in de aankondiging van Johannes dat de Heer met vuur komt dopen, natuurlijk de marte­lingen lezen, die de gelovigen te doorstaan zouden krijgen, omdat ze de naam van Chris­tus droegen. Toch is het helemaal niet zo vreemd om in het woord vuur ook een verwijzing naar de Heilige Geest te zien. Daarom staat er in de Schrift ook, als de Heilige Geest verschijnt op de dag van Pinksteren: "Er verschenen hun vurige tongen, die zich ver­spreidden en zich op ieder van hen neerzetten." (Hnd 2,3) Daarom zegt de Heer: "Ik kwam om vuur op de wereld te brengen." Lc 12,49) En daarom zegt de apostel Paulus: "Wees vurig van geest, want dan branden we van lief­de." (Rom 12,11) En de liefde wordt in onze harten uitgestort door de Hei­li­ge Geest die ons geschonken wordt. (Rom 5,5) Maar: "De liefde van velen zal bekoelen." (Mt 24,12) Dit plaatst de Heer tegenover deze vurigheid.
     De volmaakte gave van de Heilige Geest is de volmaakte lie­f­de. Maar daaraan voorafgaand komt er eerst een gave die tot de ver­ge­ving van zonden moet leiden. Door die weldaad worden wij aan de macht van de duisternis ontrukt. (Kol 1,13)
Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p. 315 (= Sermo 71,19)  

3de zondaag van de Advent 
bij Mt 11,2-11 uit Augustinus' sermo 66,2

Johannes de Doper gaf een gunstig getuigenis van de Heer, en de Heer deed hetzelfde van Johannes. “On­der hen die uit vrouwen ge­bo­ren zijn,” zei de Heer, “is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Do­per. Maar de klein­ste is in het rijk der hemelen weer groter dan hij.” (Mt 11,11) Door die woor­den te gebruiken wilde de Heer het tot ons laten doordringen dat Hij het over zichzelf had: de kleinste in leeftijd, de grootste in majes­teit. Onder de mensen is Johannes heel groot, onder de men­­sen is alleen Christus groter dan hij.
    Je kunt die woorden van de Heer ook anders opvatten: “Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er nie­mand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Maar de kleinste in het rijk der hemelen is groter dan hij.” ­­­Dat is dus anders dan zojuist, toen ik zei: “Maar de kleinste is in het rijk der hemelen gro­ter dan hij.” Met “het rijk der hemelen” bedoelt de Heer dan de plaats waar de engelen zich bevinden. En de kleinste on­der de engelen is nog altijd groter dan Johannes. De Heer beveelt ons een rijk aan om ernaar te verlangen. En Hij stelt ons een stad in het vooruit­zicht waarvan we de inwoner moeten wil­len zijn. Wat voor mensen wonen daar dan? En hoe groot zijn ze? Zelfs de kleinste is daar nog groter dan Johan­nes. Welke Johannes? Wel, die Johannes van wie de Heer zegt dat er onder hen die uit vrouwen geboren zijn, nie­mand is opgestaan die groter is dan hij.
  Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.261  (= Sermo 66,2).

4de zondaag van de Advent 
bij Mt 1,18-24 uit Augustinus' sermo 51,9

Er zijn mensen die het geloof in de evan­geliën afbreuk doen. Zij houden ons voor dat we eigen­lijk klakkeloos geloven wat er staat. Daarom zijn zij eropuit om wat er staat, belachelijk te maken. Er staat: "Zijn moeder Maria was verloofd met Jozef, en voordat ze bij elkaar gingen wonen, bleek zij zwanger te zijn van de Heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, een rechtvaardige was en haar niet in opspraak wilde bren­gen, kwam hij op de gedachte om in stilte van haar te schei­den." (Mt 1,18-19)
    Hij wist dus dat zij niet zwanger was van hém en als ge­volg daarvan dacht hij dat zij hem ontrouw was geweest. "Omdat hij een recht­vaardige was," zoals de Schrift zegt, "en haar niet in opspraak wilde brengen" - dat wil zeggen: hij wilde haar niet voor iedereen te schande maken, want dat staat ook in vele vertalingen - "kwam hij op de gedachte om in stilte van haar te schei­den." Jozef was ontzet, hij was per slot van reke­ning haar man, maar omdat hij een recht­vaardige was, be­gon hij niet tegen haar op te spelen. Want aan deze man wordt zo'n recht­vaardig­heid toegeschre­ven, dat hij wel­is­­waar geen on­trouwe vrouw wilde hebben, maar haar ook niet aan een openbare be­straf­­fing bloot wilde stellen. "Hij kwam op de gedachte," staat er, "om in stilte van haar te schei­den." Hij wilde haar dus niet alleen niet bestraf­fen, maar ook niet te schande maken. Wat een op­rechte recht­vaardig­heid is dat! (...) Deze recht­vaar­dige man wil zijn vrouw niet bij zich houden. Hij houdt dus niet van haar om haar lichaam. Toch wil hij haar ook niet aan be­straffing blootstel­len. Hij ontziet haar dus uit mede­lij­den. Wat is die man recht­vaar­dig! Hij houdt zijn on­trou­we vrouw niet bij zich en hij wekt ook niet de in­druk haar te ont­zien uit lichame­lijke begeer­te. En toch be­straft hij haar niet en maakt haar ook niet te schan­de. Die man is dus volko­men terecht uitgekozen tot ge­tuige van de maag­delijkheid van zijn vrouw. Door ­men­se­lijke zwak­heid was Jozef van zijn stuk ge­bracht, door godde­lijk gezag is hij ge­sterkt. 
  Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.52  (= Sermo 51,9). 

Top  

Kerstmis 


24 december - Kerst
Kerstnacht bij Lc 2,1-14 uit Ambrosius' exp.eu.Lc. 2,36-37

Nu wij over de geboorte van de Heiland gaan spre­ken is het, dachten wij, niet misplaatst de vraag op te werpen naar de tijdsomstandigheden waarin hij ter wereld kwam. Wat heeft nu de aangifte van wereldse gegevens te maken met de geboorte van de Heer? Ook dat is een goddelijk mysterie. Onder het uiterlijk van de wereldse aangifte voltrekt zich er een op geestelijk vlak, niet voor de aardse maar voor de hemelse vorst bestemd. Deze aangifte van het geloof registreert het innerlijk leven van de mensen. Nu de oude heffing in de synagoge is afgeschaft, wordt er een nieuwe voor de kerk voorbereid: niet om dwangsommen op te eisen maar om die af te schaffen. ...­­ Hier worden geen landerijen opgemeten, maar zielen en harten gepeild­. Hier worden geen grenzen vastgesteld maar vooruitgeschoven. Hier maakt men geen onderscheid tussen oud en jong, maar wordt iedereen bijge­schreven. Niemand is immers van deze heffing vrijgesteld, omdat mensen van alle leeftijden schatplichtig zijn aan Christus. ...
    Bij deze aangifte hoeft u niets te vrezen dat schrik aanjaagt, niets dat harteloos aandoet, niets dat ­ongelukkig maakt. Deze aanslag ondertekent iedereen alleen met het geloof. Wilt u weten hoe de belastingdienaren van Christus zijn? Zij krijgen de opdracht de vermogens op te nemen zonder stok en terreur, het volk te winnen met welwillendheid, het zwaard in de schede te steken en geen goud te bezitten (Vgl. Mt 10,9-10, Mc 6,8-9 en Lc 9,3). Met zulke belastingdienaren is de wereld gewonnen. Kortom, de plicht om zich te melden gold de hele wereld. Daaruit kunt u opmaken dat deze aangifte niet van Augustus maar van Christus uitging.
  Uit : Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p.  (= boek 2, § 36-37).

25 december - Kerstdag 
bij Joh 1,1-18 uit Augustinus' sermo 118,2:

Laat God de ruimte om voort te brengen wat eeuwig is. Alstublieft, luister goed over wie we het hebben. ... We hebben het over God. We belijden en ge­loven dat de Zoon even eeu­wig is als de Vader. "Maar," zeggen ze, "als mensen kinderen krijgen, is de eerste generatie ouder dan de tweede generatie." Ja, dat is zo: bij de mensen is de eerste generatie ouder dan de tweede. Maar het kind gaat zijn vader in kracht evenaren. En dat komt natuurlijk omdat de een opgroeit en de ander ouder wordt. Als de vader stil stond in de tijd en het kind hem al groeiend zou in­halen, dan zou u op een bepaald moment kunnen vaststellen dat ze even oud waren. Goed, ik geef u een voorbeeld om het te kunnen begrij­pen. Het vuur brengt een gloed voort die even oud is als het vuur zelf. Bij de men­sen vindt u alleen maar kinderen die jonger zijn dan hun ouders; ze zijn nooit even oud. Maar zoals gezegd, ik geef u een voorbeeld: de gloed die even oud is als het vuur, zijn vader. Het vuur brengt na­melijk gloed voort en bestaat nooit zon­der gloed. Als u dan inziet dat de gloed even oud is als het vuur, sta God dan een even eeuwi­ge zoon toe. Als u het begrijpt: wees blij. Als u het niet begrijpt: ge­loof! Want het woord van de profeet kan niet ongedaan worden ge­maakt­: "Als u het niet ge­looft, zult u het niet begrijpen." (Js 7,9 LXX).
  Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. - p. 59 (= Sermo 118,2).  

26 december - Gedachtenis van de heilige Stefanus, eerste martelaar
bij Hnd 6,8-10 en 7,54-60 uit Augustinus' sermo 314,1

Gisteren vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag vieren we de geboortedag van zijn dienaar. Maar als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij geboren wilde worden. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij de overwinningskrans ontving. Als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij het kleed van ons vlees heeft aangenomen. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij het kleed van zijn lichaam heeft afgelegd. Op de geboortedag van de Heer vierden wij dat Hij aan ons gelijk is geworden. Op de geboortedag van zijn dienaar vieren wij dat hij de naaste van Christus is geworden.Want zoals Christus zich door zijn geboorte met Stefanus verbond, zo heeft Stefanus zich door zijn dood met Christus verbonden.
     Maar van onze Heer Jezus Christus gedenkt de kerk in twee plechtige vieringen de dag van zijn geboorte en die van zijn lijden en dood, omdat beide genezing brengen. Want Hij is geboren om ons opnieuw geboren te laten worden en Hij is gestorven om ons eeuwig te laten leven. De martelaren traden echter bij hun geboorte aan voor een hachelijke strijd, gebukt als zij gingen onder de last van de erfzonde. Maar bij hun dood gingen ze over tot onaantastbaar geluk en lieten ze alle zonde achter zich. Als de beloning van het komend geluk hen niet had gesterkt toen ze overgeleverd waren aan de vervolging, hoe hadden ze dan die terechtstelling met alle folteringen doorstaan?
     Als de heilige Stefanus, blootgesteld aan een regen van stenen, niet had gedacht aan de toekomstige beloning, hoe zou hij dan die hagelbui hebben doorstaan? Maar hij droeg in zijn hart het gebod van Hem die hij aanwezig zag in de hemel. Tot Hem opgetild door vurige liefde verlangde hij zo snel mogelijk dit lichaam te verlaten en omhoog te vliegen naar Hem. Hij kende ook geen vrees meer voor de dood, want hij zag Christus levend, ook al wist hij dat Hij voor hem was gestorven. Daarom haastte hij zich ook zelf voor Hem te sterven om met Hem te leven.
     Want wat de heilige martelaar Stefanus zag, weet u zonder enige twijfel uit zijn woorden die u geregeld hoort uit de Handelingen van de Apostelen. Hij zei: "Ik zie de hemel geopend en Christus, die aan Gods rechterhand staat."[Hnd 7,56 volgens de Latijnse tekst] Hij zag Jezus staan en daarom bleef hij ook zelf staan en viel hij niet. Want Hij die daar stond in de hoogte en die van boven neerzag op hem die beneden strijd leverde, gaf zijn soldaat onoverwinnelijke kracht, zodat hij niet zou vallen.
     Hij zei: "Ik zie de hemel geopend." [Hnd 7,561] Gelukkig de man voor wie de hemel openstond.

  Uit: nog niet gepubliceerd, maakt deel uit van een nog lopend vertaalproject. 

1 januari - Moederschap van Maria 
bij Lc 2,16-21 uit Ambrosius' exp.eu.Lc. 2,53 

Laat die herders u niet te gewoon lijken. Ja, zo is het: hoe geringer in menselijke wijsheid, des te kostbaarder voor het geloof. De Heer heeft geen gymnasia met rijen geleerden bezocht, maar Hij ging naar het eenvoudige volk omdat dat zijn woorden niet kon opsieren of verfraaien. Er wordt immers eenvoud gevraagd en niet verlangd carrière te maken. U moet niet denken dat u de woorden van zulke profeten mag versmaden. Door herders krijgt zelfs Maria gegevens die haar geloof verhelderen. Door herders komt er volk bijeen om God te eren: de mensen stonden verbaasd over wat hun door herders werd gezegd. (Lc 2,18) 

  Uit : Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 116

Top 


 
Epifanie

Openbaring van de Heer
bij Mt 2,1-12 uit Augustinus' sermo 201,1

Nog maar een paar dagen geleden vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag moeten wij niet minder plechtig zijn openbaring aan de heidenen vieren. Op deze dag namelijk is de Heer voor het eerst aan hen geopenbaard. Op zijn geboortedag al kregen de joodse herders de pasgeborene te zien, vandaag aanbidden de magiërs uit het oosten Hem. De pasgeborene is immers de hoeksteen, waar twee muren in vrede samenkomen, besnedenen en onbesnedenen; geen gering ver­schil in herkomst. Ze moesten met elkaar verbonden worden in Hem die onze vrede is gewor­den en die de twee één heeft gemaakt (Ef 2,14). Met de herders zijn de joden voorafgebeeld, met de magiërs de heidenen. Dat was het begin van wat in de hele wereld vrucht moest dragen en moest groeien. Laten wij deze twee dagen, die van de geboorte en die van de openbaring van onze Heer daarom van harte vieren in geeste­lijke vreugde.
    De herders, joden, werden naar Hem gebracht door de boodschap van een engel; de magiërs, heidenen, door een ster die hun de weg wees. De ster bracht de astrologen met hun ijdele berekenin­gen en voorspellingen in de war, toen zij de sterrenaanbid­ders duidelijk maakte dat zij beter de Schepper van hemel en aarde konden aanbid­den. Want Hij die bij zijn geboorte een nieuwe ster liet schijnen, ontnam bij zijn dood de zon van het oude bestel haar licht (Mt 27,45). Met het licht van de ster is het geloof begonnen, terwijl de duister­nis een aanklacht vormt tegen het ongeloof.
    Wat was dat voor een ster, die nooit eerder tussen de sterren was verschenen en die ook later niet aan het firmament bleef staan? Wat was die ster anders dan prachtige hemeltaal die de glorie van God moest verkondi­gen? (Ps 19,1) Die met ongewone schittering moest roepen over de ongewone maagdelijke bevalling. Later, toen de ster niet meer ver­scheen, moest daarvoor in de hele wereld het evangelie in de plaats komen. Wat vroegen de magiërs immers bij hun komst? "Waar is de pasgeboren koning van de joden?" (Mt 2,2) Wat betekent dat? Waren er in het verleden al niet zovelen als koning van de joden geboren? Waarom verlangden de magiërs er zo vurig naar om de koning van een vreemd volk te leren kennen en te aanbidden? "Omdat wij zijn ster in het oosten hebben gezien," zeiden ze, "en gekomen zijn om Hem onze hulde te brengen."[ Mt 2,2.3] Zouden zij werkelijk met zoveel toewijding navraag doen en met zo'n diep gevoel van godsvrucht naar Hem verlangen, als zij in de koning van de joden niet Hem erkenden, die zelfs de koning der eeuwen is?
  Uit : Aurelius Augustinus -Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p.46 (= sermo 201,1)

 

Driekoningen

 

Doop van de Heer
bij Mt 3,13-17 uit Augustinus' sermo 52,1

We zien dat onze God zich bij de rivier de Jordaan als Drie-eenheid aan ons vertoont. We kunnen het duidelijk zien: het wordt als een goddelijk schouw­spel voor ons opgevoerd. Jezus komt naar Johannes toe en laat zich door hem dopen, de Heer door de dienaar. Hiermee geeft Hij een voor­beeld van nederigheid: Hij laat zien dat gerechtigheid juist in nederig­heid wordt vervuld. Johannes zegt dan: "Ik moet mij door U laten dopen, en U komt bij mij?"(Mt 3,14) Waarop Jezus antwoordt: "Laat nu maar, want zo moet de gerechtigheid volledig worden vervuld." (Mt 3,15) Nadat Hij gedoopt is, gaat de hemel open en daalt de Heilige Geest op Hem neer in de gedaante van een duif. (Mt 3,16) Vervolgens klinkt er een stem van boven: "Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind." (Mt 3,17)
     We zien hier een soort verscheidenheid binnen de Drie-eenheid: in de stem herkennen we de Vader, in de mens de Zoon en in de duif de Heilige Geest. Ik hoef u daar alleen maar op te wijzen, want het is gemakkelijk te zien. Er is geen twijfel mogelijk, het is volkomen duidelijk: hier wordt de Drie-eenheid opgevoerd. Christus zelf, de Heer, die in de gestalte van een dienaar naar Johannes toekomt, kan niet anders dan de Zoon zijn. Niemand kan zeggen dat Hij de Vader is of de Heilige Geest. "Jezus kwam," (Mt 3,13) staat er, en Jezus is natuurlijk de Zoon van God. En is er iemand die twij­felt over de duif? Die vraagt: “Wat betekent die duif?" Nee toch? ­Het evangelie getuigt hier in alle duide­lijk­heid: "De Heilige Geest daalde over Hem neer in de gedaante van een duif”? En ook over over de stem kan er geen enkele twijfel be­staan. Het is de stem van de Vader die zegt: "Jij bent mijn Zoon." (Mcv 1,11 en Lc 3,22) ­Het gaat dus om een Drie-eenheid in verscheidenheid. 
  Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p. 78 (= Sermo 52,1).  

Top

Tijd door het jaar: januari - februari 

2de zondag door het jaar
bij Joh 1,29-34 uit Augustinus' Io.eu.tr. 4,13

Was het nodig dat de Heer werd gedoopt? Ik antwoord meteen met een tegenvraag: was het nodig dat de Heer werd geboren? Was het nodig dat Hij werd gekruisigd? Was het nodig dat Hij stierf? Was het nodig dat Hij werd begraven? Als Hij dus zoveel vernederingen voor ons heeft ondergaan, waarom zou Hij dan de doop niet ondergaan hebben? En wat voor nut had het dat Hij de doop van zijn dienaar onderging? Dat u het niet beneden uw stand zou achten de doop van uw Heer te ondergaan.
    Let goed op, dierbare gelovigen. Er zouden later in de kerk catechumenen voorkomen die een zeer grote genade zouden ontvangen. Je ziet immers wel eens een catechumeen die zich van sexuele omgang onthoudt, de wereld vaarwel zegt, afziet van zijn bezittingen en ze uitdeelt aan de armen. Hij is nog maar catechu­meen maar niettemin is hij zo mogelijk nog beter onderlegd in de heilsleer dan menige gelovige. Toch valt voor zo iemand te vrezen dat hij bij zichzelf zegt over de doop waardoor de zonden worden verge­ven: “Wat kan ik erbij winnen? Kijk maar, ik ben beter dan die gelovige en die gelovige ....” En hij denkt dan aan gelovigen die getrouwd zijn, of die misschien niet zo veel weten, of die hun eigendom­men nog bezitten terwijl híj ze al onder de armen heeft verdeeld. Hij stelt zich voor dat hij beter is dan wie al is gedoopt. Hij weigert zich te laten dopen en zegt: “Dan zal ik hetzelfde krijgen als die en die.” En hij haalt zich daarbij de mensen voor de geest die hij veracht. Het is hem als het ware te min hetzelfde te ontvangen als die mensen die minder zijn, omdat hij zichzelf nu al beter vindt dan hen. En toch drukken al zijn zonden nog op hem en als hij niet tot de heilzame doop nadert waardoor de zonden worden vergeven, kan hij met al zijn voortref­felijkheid niet binnen­gaan in het koninkrijk der hemelen.
    Maar de Heer wilde hem met al zijn voortreffelijkheid kunnen uitnodigen om zich door Hemzelf te laten dopen zodat zijn zonden vergeven zouden worden. Daarom is de Heer zelf gekomen om zich door zijn dienaar te laten dopen. Hoewel Hijzelf niets had dat Hem vergeven moest worden, niets waarvan Hij schoongewassen moest worden, onderging Hij toch de doop van zijn dienaar. Hij heeft als het ware die trotse en hoogmoe­dige zoon aangesproken, die misschien wel wilde weigeren om samen met simpele zielen te ontvangen wat hem zijn redding zou brengen. De Heer zei als het ware: “Hoe groot maak jij jezelf? Hoe hoog verhef jij je? Hoever gaat die voortref­felijkheid van jou? Hoe groot is je genade? Kan die groter zijn dan de mijne? Als Ik naar een dienaar ben toegegaan, vind jij het dan te min om naar de Heer toe te gaan? Als Ik de doop van een dienaar heb ondergaan, vind jij het dan te min om door de Heer te worden gedoopt?”
  Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie. - Budel: Damon, 2010.- p.113 (= tract. 4,13)

3de zondag door het jaar
bij Mt 4,12-23 uit Ambrosius' exp.eu.Lc. 1,8-9

In een volmaakt mens is een dubbele voortreffelijkheid: de goede wil en het handelen. Beide voortreffelijke eigenschappen geeft de heilige evangelist bij de apostelen aan. "Zij hebben het Woord niet alleen gezien, maar ook gediend," zegt Lucas (Lc 1,2). De goede wil heeft met het zien te maken; het handelen met het dienen. Het handelen is het doel van de goede wil. Het uitgangspunt van het handelen ligt in de goede wil.

Om een voorbeeld te ontlenen aan de apostelen: het was alleen nog maar goede wil, toen Petrus en Andreas op het horen van de stem van de Heer zonder enig uitstel hun boot in de steek lieten en het Woord volgden (Mt 4,20), toen de Heer zei: "Ik zal u vissers van mensen maken." (Mt 4,19) Maar goede wil houdt nog niet direct het handelen in. Er was nog geen sprake van handelen, maar slechts van goede wil toen Petrus vroeg: "Heer, waarom kan ik U niet terstond volgen? Mijn leven zal ik voor U geven." (Joh 13,37) Er was wel sprake van goede wil om te lijden, maar er was nog geen sprake van daadwerkelijk lijden. Hij handelde al wel door te vasten, door te waken en door de lichamelij­ke genoegens te versmaden: dat zijn ware daden van een christen! Goede wil en handeling gaan immers niet overal hand in hand: terwijl in het ene geval al van handelen sprake is, is er in een ander geval alleen nog maar goede wil. Want Petrus had als apostel met niet aflatende ijver veel gedaan. ­Toch heeft hij pas later, toen de Heer hem had gezegd: "Volg Mij," (Joh 21,22) zijn kruis opgeno­men en is hij het Woord gevolgd: het handelen vond plaats in het lijden dat hij onderging. Maar al zouden bij Petrus, Andreas, Johannes en de overige apostelen de goede wil en het handelen min of meer zijn samengevallen, toch is er soms meer sprake van goede wil dan van handeling, of meer sprake van handeling dan van goede wil.
  Uit : Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 123 (= boek 1,§ 8-9).

4de zondag door het jaar
bij Mt 5,1-12 uit Augustinus' serm.dom.m. 1,2

Het begin van de toespraak op de berg luidt aldus: "Bij het zien van de grote menigte ging Jezus de berg op en toen Hij was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij opende zijn mond en onderrichtte hen met deze toespraak." (Mt 5,1-2) Stel dat iemand vraagt: “Wat verbeeldt die berg?” Men begrijpt het goed dat de berg staat voor de belangrijkste voorschriften van de gerechtigheid. De voorschriften die aan de joden waren gegeven, zijn immers minder belangrijk. Toch is het de ene God die volgens een uitstekend geordende tijdsindeling door zijn heilige profeten en dienaren de minder belangrijke voorschriften heeft gegeven aan een volk dat nog door vrees in toom moest worden gehouden. Maar door zijn Zoon heeft Hij de belangrijkste voorschriften gegeven aan een volk dat nu door liefde in vrijheid behoorde te worden gesteld. De minder belangrijke voorschriften worden aan een klein volk gegeven en de belangrijkste aan een groot volk. Alle voorschriften komen echter van Hem, die als enige in staat is op het juiste ogenblik het geschikte geneesmiddel aan de mensheid te verlenen. En het is niet verwonderlijk dat de belangrijkste voorschriften worden gegeven omwille van het koninkrijk der hemelen en de minder belang­rijke zijn gegeven omwille van een aards koninkrijk: wel zijn ze allemaal afkomstig van één en dezelfde God die hemel en aarde gemaakt heeft. Over de zojuist genoemde­ gerechtigheid wordt dan ook op profetische wijze gezegd: "Uw gerechtigheid is als de bergen van God." (Ps 36,7) En zo wordt er fraai op gezinspeeld dat de enige Leraar die voor het onderricht van zulke belang­rijke dingen geschikt is, onderricht geeft op een berg.
    De Heer geeft zittend onderricht. Dat slaat op de waardigheid van de leraar. En zijn leerlingen kwamen bij Hem. Om zijn woorden te horen wilden zij ook lichamelijk dichterbij zijn, nu ze er geestelijk aan toe waren om zijn voorschriften te vervullen.­
  Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.58 (= serm.dom.m. 1,2) 

Top 


5de zondag door het jaar 
bij Mt 5,13-16 uit Augustinus, s.dom.m. 1,17

"U bent het licht van de wereld." (Mt 5,14) Zoals de Heer eerder "zout van de aarde" zei, zo zegt Hij nu "licht van de wereld." Want eerder mochten we "de aarde" niet opvatten als de aarde die wij met onze lichamelijke voeten betreden. Nee, aarde stond voor ménsen die de aarde bewonen, of voor zondaars: om hun stinkende wonden te verzorgen en weg te werken heeft de Heer het zout van de apostelen gezonden. En in deze passage mogen we onder "de wereld" niet de hemel en de aarde verstaan. Nee, het gaat hier om mensen die in de wereld zijn of de wereld beminnen: om hen te verlichten zijn de apostelen gezonden.
   Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p. 68 (= serm.dom.m. 1,17)

6de zondag door het jaar
bij Mt 5,17-37 uit Augustinus, s.dom.m. 1,20

"Denk niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen maar om te vervullen." (Mt 5,17) Die uitspraak heeft twee betekenissen. Beide dienen te worden behandeld. Want wie zegt: "Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen maar om te vervullen," heeft de bedoeling de wet te vervolledigen door aan te vullen wat aan de wet ontbreekt, of door te volbrengen wat de wet inhoudt. Laten we nu eerst bekijken wat ik als eerste heb genoemd. Want wie aanvult wat ergens aan ontbreekt, heft in elk geval niet op wat men aantreft. Nee, men versterkt het eerder door het te vervolmaken. En daarom vervolgt de Heer: "Ik verzeker u: eer hemel en aarde vergaan, zal er niet één tittel of jota van de wet afgaan voordat alles is vol­bracht." (Mt 5,18) Wanneer namelijk ook de regels worden volbracht die men toevoegt om te vervolmaken, geldt des te meer dat de bestaande regels worden volbracht. Dat de Heer zegt: "Niet één tittel of jota zal van de wet afgaan,” kan alleen maar worden opgevat als een krachtige uitdrukking van volmaaktheid. De afzonderlijke letters tonen dat. Onder die letters is de jota kleiner dan de andere: het is maar een streepje. En de tittel is zelfs maar een stipje daar bovenop. Met die woorden laat de Heer zien dat ook de kleine lettertjes van de wet in acht moeten worden genomen.
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p. 71(= serm.dom.m. 1,20)

7de zondag door het jaar 
bij Mt 5,38-48 uit Augustinus, s.dom.m. 1,56

De Heer gaat dan verder en zegt: “U hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand (Ex 21,24-25; Lv 24,20 en Dt 19,21). Maar Ik zeg u geen weerstand te bieden aan het onrecht. Maar als iemand u een klap op uw rechterwang geeft, houd hem dan ook de andere voor. Als iemand een geding tegen u aanspant om uw hemd te krijgen, geef hem dan ook uw jas. Als iemand u dwingt hem een mijl te begeleiden, ga er dan twee met hem mee. Geef aan wie u iets vraagt, en wend u niet af als iemand van u wil lenen.” (Mt 5,38-42)
    De geringere gerechtigheid van de farizeeën is dat ze bij bestraffing de maat niet overschrijden: niemand mag méér vergelden dan hij heeft geïncasseerd. Dat is een grote stap voorwaarts! Men vindt immers niet gemakkelijk iemand die, wanneer hij een klap heeft gekregen, slechts één klap wil teruggeven en wanneer hij van iemand één scheldwoord te horen heeft gekregen, zich ermee tevreden stelt met een soortgelijk scheldwoord te reageren. Maar hij neemt veel te veel wraak omdat hij door woede zichzelf niet meer meester is; of omdat hij het rechtvaardig vindt dat een ander die met beledigen begonnen is, zwaarder wordt beledigd dan iemand die niet zelf had beledigd. Zo'n instelling is grotendeels aan banden gelegd door de wet waarin geschreven staat: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” Met die woorden wordt de maat aangegeven om te voorkomen dat de wraak het onrecht overtreft. En dat is het begin van de vrede. De volmaakte vrede houdt echter in dat we zo'n wraak helemaal niet willen.
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.103 (= serm.dom.m. 1,56)


8ste zondag door het jaar
bij Mt 6,24-34 uit Augustinus, s.dom.m. 2,53

De Heer vervolgt: “Vraag u dan niet bezorgd af: Wat zullen we eten, wat zullen we drinken en wat zullen we aantrekken? Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Uw hemelse Vader weet wel dat u dat allemaal nodig hebt. Zoek eerst het koninkrijk en de gerechtigheid van God, dan krijgt u dat alles erbij.” (Mt 6,31-33) Aldus geeft de Heer zeer duidelijk het volgende aan: wij mogen die dingen niet nastreven alsof zij zo goed voor ons zijn dat wij bij alles wat we doen met het oog daarop het goede moeten doen. Maar Hij geeft wel aan dat ze noodzakelijk zijn. Wat het verschil is tussen het goede dat moet worden nagestreefd, en het noodzakelijke dat moet worden gebruikt, heeft Hij aangegeven in deze uitspraak: “Zoek eerst het koninkrijk en de gerechtigheid van God, dan krijgt u dat alles erbij.” Het koninkrijk en de gerechtigheid van God: dat is dus het goede voor ons, daarnaar moeten we streven en dat moeten we onszelf ten doel stellen. Alles wat we doen, moeten we doen met het oog daarop. Maar aangezien wij in dit leven strijd voeren om dat koninkrijk te kunnen bereiken en het niet mogelijk is in leven te blijven zonder die noodzakelijke dingen, zegt Hij: “Dat alles krijgt u erbij, maar zoek eerst het koninkrijk van God en de gerechtigheid.” Wanneer Hij immers van het laatstgenoemde heeft gezegd dat het het eerste is, heeft Hij te kennen gegeven dat het eerstgenoemde het laatst moet worden gezocht, niet gelet op de tijd maar op de waarde ervan: het ene als het goede voor ons, het andere als het noodzakelijke voor ons, noodzakelijk omwille van het goede.
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.161 (= serm.dom.m. 2,53)

9e zondag door het jaar
bij Mt 7,21-27 uit Augustinus, s.dom.m. 2,87

Nu dus het slot van de gehele toespraak. We moeten er goed op letten hoe vreeswekkend dat slot klinkt. De Heer zegt: “Ieder dus die deze woorden van Mij hoort, en doet wat Ik zeg, zal te vergelijken zijn met een verstandig man die zijn huis bouwde op de rots.” (Mt 7,24) Zo iemand bekrachtigt immers wat hij hoort en in zich opneemt, alleen maar door het te doen. En als Christus de rots is (1 Kor 10,4), wat de Schrift in veel getuigenissen verklaart, bouwen allen op Christus, die doen wat zij uit zijn mond horen. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze sloegen tegen dat huis, en het stortte niet in, want het was op de rots gegrondvest. (Mt 7,25) Zo iemand is dan ook niet bevreesd voor wat voor nevelig bijgeloof ook. Wat wordt er anders met de “regen” bedoeld? Het staat hier in de betekenis van een of ander kwaad. Evenmin is hij bevreesd voor de praatjes van de mensen die ik gelijk acht aan de wind, of voor de stroom van dit leven die met zijn zondige begeerten bij wijze van spreken de aarde overstroomt. Wie zich namelijk door het geluk van dat drietal laat meeslepen, gaat kapot aan het ongeluk ervan. Maar wie zijn huis op de rots heeft gegrondvest, is voor geen ervan bevreesd, dat wil zeggen: wie niet alleen de geboden van de Heer hoort, maar ze ook volbrengt.
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p. 189(= serm.dom.m. 2,87)  

10e zondag door het jaar
bij Mt 9,9-13 uit Augustinus, sermo 80,4 

Christus is naar de zieken gekomen en Hij moest vaststellen dat allen ziek waren. Vlei jezelf niet met de gedachte dat je gezond bent. ­Als je tenminste niet door de dokter weggestuurd wilt worden. Chris­tus heeft moeten vaststellen dat iedereen ziek was. "Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de godde­lijke heerlijkheid," zegt de apos­tel Paulus (Rom 3,23). Christus heeft dus vastgesteld dat iedereen ziek ­­was. Toch was er wel een onderscheid, er waren twee soorten zieken.­­­ Som­migen gingen naar de dok­ter, klampten zich aan Christus vast, luis­terden naar Hem, eerden Hem, volgden Hem en be­keer­den zich. Christus ontving hen allemaal en genas hen zonder de minste weerzin. ­­­­­En daar liet Hij zich niet voor be­talen, want Hij behandelde hen vanuit zijn al­macht. Daar­om waren ze ook zo op­ge­togen toen Hij hen op­nam en hen met zichzelf verbond om hen te genezen.
     De anderen echter, de zieken die hun verstand al verloren hadden door de ziekte van de zonde en die niet wisten dat ze ziek wa­ren, dreven de spot met de dokter omdat Hij de zieken opnam. Ze vroe­gen aan zijn leer­lin­gen: "Ziet u niet wat voor iemand uw mees­ter is, iemand die met zon­daars en tollenaars zit te eten?" (Mt 9,11) Maar de Heer, die heel goed wist wat zij voorstelden en wie ze waren, ant­woordde hun: "Niet de gezonden hebben een dok­ter nodig, maar dege­nen die er slecht aan toe zijn." (Mt 9,12; vgl. Mc 2,17 en Lc 5,31) En zo maakte Hij hun duidelijk wie er gezond waren en wie ziek. "Ik ben niet gekomen om recht­vaar­digen te roe­pen, maar zondaars," (Mt 9,13; vgl. Mc 2,17 en Lc 5,32) zei Hij. "Als de zondaars niet naar Mij toe­komen," bedoelt Hij, "waarom zit Ik hier dan? En voor wie?" Als ie­dereen gezond is, waarom is er dan zo'n gro­te dokter uit de hemel neer­gedaald? En waarom heeft Hij dan niet een geneesmiddel uit zijn apotheek gehaald, maar het van zijn eigen bloed gemaakt?
     De eerste soort dus, de zieken die niet zo ernstig ziek wa­ren maar wel voelden dat ze ziek waren, klampten zich aan de dok­ter vast om zich te laten genezen. Maar de tweede soort, de zie­ken die in levensgevaar ver­keer­den, beledigden de dokter en hoonden de andere zieken. En hoever gingen ze tenslotte in hun krankzinnigheid? Zover dat ze de dokter oppakten (Mt 26,50 en Mc 14,46), vastbon­den (Joh 18,12), gesel­den (Mt 27,26 en Mc 15,15), Hem een door­­nenkroon op het hoofd zetten (Mt 27,29 en Mc 15,19) en Hem aan het kruis­hout hingen (Mt 27,35, Mc 15,24, Lc 23,33 en Joh 19,18). Dat verbaast u, nietwaar? Een zie­ke die zijn dokter doodmaakt, en dat terwijl de dokter de zieke ge­neest van de krankzinnigheid, door zich te laten doden!

 

uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94], Amsterdam 2004, 428-429.

 

11e zondag door het jaar
bij Mt 9,36-10,8 uit Augustinus’ sermo 101,1-2

De evangelielezing die we zojuist gehoord hebben, spoort ons aan om te onderzoeken en zo mogelijk te vertellen wat voor oogst de Heer bedoelt als Hij zegt: "De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag de eigenaar van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst." (Lc 10,12 en Mt 9,37) (...) De Heer zond toen twaalf leerlingen, die Hij ook apostelen noemde, zoals uit zijn woorden blijkt, naar de oogst die klaar stond.
     Wat was dat nu voor oogst? Die oogst bevond zich natuurlijk niet bij de heidenen, waar nog niets was gezaaid. Wij kunnen dus alleen maar concluderen dat die oogst zich bij het volk van de joden bevond. Naar die oogst kwam de eigenaar van de oogst. Naar die oogst zond Hij maaiers. Naar de heidenen zond Hij geen maaiers, maar zaaiers. De conclusie is dus dat er geoogst is bij het volk van de joden. Uit die oogst werden toch ook de apostelen gekozen. Daar was al iets rijp om te oogsten, omdat de profeten er hadden gezaaid. Het is een genoegen te kijken naar Gods akker, zich te verheugen over zijn gaven en te werken op zijn land.

uit: Joke Gehlen-Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six-Wienen, Aurelius Augustinus – Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie, Amsterdam 2002, p. 84.

 

12e zondag door het jaar
bij Mt 10,26-33 uit Augustinus’ sermo 65,4-6

Zoals u weet, broeders en zusters, wordt de ziel on­ster­felijk genoemd. En de ziel is ook on­ster­felijk, op haar manier. In zekere zin is zij het le­ven dat door haar aanwezigheid het lichaam levend kan maken. Door de ziel komt het dat het lichaam leeft. Dat leven kan niet ster­ven en daarom is de ziel onsterfe­lijk. Waarom zeg ik dan “in zekere zin” en “op haar ma­nier”? Luister maar. Dat zeg ik omdat het hier gaat om ­een ware onster­fe­lijk­heid, een soort onsterfelijkheid die in alle opzichten onveran­der­lijkheid inhoudt. De apostel Paulus heeft het daarover als hij over God zegt: “Alleen God bezit onster­fe­lijk­heid en woont in ongenaakbaar licht, dat geen mens heeft gezien of in staat is te zien. Hem zij eer en roem in de eeu­wen der eeuwen. Amen.” (1 Tim 6,16) Alleen God bezit dus onsterfelijkheid. Dan kan het niet anders of de ziel is sterfelijk. Be­grijpt u nu waarom ik zei dat de ziel op haar manier onsterfelijk is?­ De ziel kan namelijk best sterven. Probeer dat te begrijpen, ge­liefde broeders en zusters, dan zullen er geen vragen over­blijven. Ja, ik durf keihard te beweren dat de ziel kan sterven, dat ze kan worden gedood.
      Natuurlijk, de ziel is onsterfelijk. En toch durf ik te be­weren dat ze enerzijds onsterfelijk is en dat ze anderzijds gedood kan worden. Dat doe ik om­dat zij op een of andere manier onsterfelijk is, dat wil zeggen­: in alle opzichten onveranderlijk. Dat is de soort onsterfelijkheid die al­leen God bezit, over wie er wordt gezegd: “Alleen God be­zit onsterfelijkheid.” Want als de ziel niet kan wor­den gedood, hoe kan de Heer dan zeggen als Hij ons angst aan wil ­jagen: “Wees be­vreesd voor Hem die de macht heeft om zo­wel het lichaam als de ziel te doden in de hel”? (Mt 10,28)
      Tot nu toe heb ik alleen nog maar vastgesteld dat er inderdaad sprake is van een probleem. Opgelost heb ik het nog niet. Ik heb be­wezen dat de ziel kan worden gedood. En alleen een goddeloze ziel kan tegenspreken wat er in het evangelie staat. Kijk, dat is het! Nu weet ik hoe ik het wil zeg­gen.­ Alleen een dode ziel kan het leven tegens­pre­ken. Het evangelie is het leven. Goddeloosheid en ongeloof betekenen de dood voor de ziel. U ziet het, de ziel kan tegelijk sterven en on­­ster­fe­lijk zijn. In welke zin is de ziel dan onsterfelijk? In die zin dat er in haar altijd een sprankje leven zit, dat nooit uitdooft. En in welke zin kan zij dan sterven? Dat gebeurt niet omdat er helemaal geen leven is, maar omdat zij het goddelijke leven verliest. Want de ziel doet twee dingen tegelijk: ze geeft niet alleen le­ven aan iets anders, maar ze heeft ook zelf een leven. Let eens op de plaats die lichaam en ziel innemen binnen de schepping.­ Het le­ven van het lichaam is de ziel. Het leven van de ziel is God. Zoals het lichaam een leven heeft om niet te hoe­ven ster­ven - dat wil zeggen: een ziel - zo moet ook de ziel een leven hebben om niet te hoeven sterven - dat wil zeg­gen: God. Hoe sterft het lichaam? Doordat de ziel het ver­laat. Doord­at de ziel het lichaam verlaat, zeg ik, sterft het li­chaam. En dan ligt daar een lijk, eerst ziet het er nog wel redelijk uit, maar algauw is het niet meer om aan te zien. Al­le li­chaams­delen zijn er nog, ook de ogen en de oren. Maar dat zijn al­leen maar de ramen van het huis: de bewo­ner is vertrokken. Als je treurt om een dode, doe je niets an­ders dan tevergeefs staan roe­pen aan de ramen van zijn woning. Want binnen is er nie­mand meer die je kan horen. En hoeveel verhalen komen er dan niet boven? In al je verdriet raak je maar niet uitgepraat over de dierbare dode, en je haalt allerlei herinneringen op. ­En soms ben je nog zo in de war­ dat je, overmeesterd door verdriet, met de dode praat alsof hij nog leeft. Je zegt wat een bes­te man hij was, en hoe goed hij voor je is geweest: “Jij bent het die mij zoveel hebt gegeven. Jij hebt zo­veel voor mij gedaan. Jij bent het die mij zo hebt lief­ge­had.” Maar als je ­het beseft en het dringt tot je door­, als je de verwarring van je verdriet onderdrukt, dan weet je wel beter: degene die jou heeft liefgehad, is vertrok­ken. Je staat tevergeefs aan een huis te kloppen, waarin je geen bewoner meer zult aantreffen.
       Terug naar waar ik het zojuist over had. Het lichaam is dood. Waarom? Omdat het leven ­uit zo iemand is heengegaan, dat wil zeggen: de ziel. Het lichaam ­leeft, maar de persoon zelf is god­de­loos, ongelovig, star en nauwelijks ­­tot geloof te bewegen, niet van plan om zijn fouten te verbete­ren. Terwijl het li­chaam leeft, is de ziel, waardoor het li­chaam ­leeft, dood. Zoiets groots is de ziel, dat zij in staat is om het leven te geven aan het ­lichaam, ook al is zijzelf dood. Ik zeg het nog eens: zoiets groots is de ziel, zo’n ver­he­ven schepsel, dat zij in staat is om - ook al is zijzelf dood - het lichaam levend te maken.

uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94], Amsterdam 2004, p. 243-245.

 

 

Top 

Veertigdagentijd 

Aswoensdag
bij Mt 6,1-6 en 16-18 uit Augustinus, s.dom.m. 2,42

Wat is de betekenis van Jezus' uitspraak: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat u vast.” (Mt 6,18) Het lijkt immers niet terecht dat iemand ons voorschrijft om, terwijl we de gewoonte hebben ons gezicht elke dag te wassen, bij het vasten ook nog ons hoofd te zalven. Als iedereen erkent dat dat hoogst ongepast is, moet men het gebod om zijn hoofd te zalven en zijn gezicht te wassen laten slaan op het innerlijk van een mens. Het hoofd zalven slaat dan op de blijdschap, het gezicht wassen op de zuiverheid. Iemand die zich innerlijk verheugt, geestelijk en verstandelijk, zalft zijn hoofd. ...
     Iemand die vast moet daar dus een geestelijk genoegen aan beleven, en wel doordat hij zich door het vasten afkeert van werelds genot en zo ondergeschikt is aan Christus, die volgens dit voorschrift verlangt dat wie vast zijn hoofd heeft gezalfd. Zo zal hij ook zijn gezicht wassen, met andere woorden: zijn hart zuiveren. Met een gezuiverd hart zal hij God zien, niet gehinderd door een sluier van ziekte die hij opgelopen heeft in het vuil, maar kerngezond en krachtig omdat hij zuiver en oprecht is. “Was u, reinig u!” staat er geschreven. “Doe weg de misdaden uit uw gedachten; uit mijn ogen ermee!” (Js 1,16) Dat vuil moet dus van ons gezicht worden gewassen: het kwetst de ogen van God. Want door met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen zullen wij herschapen worden zodat wij op Hem gaan gelijken (2 Kor 3,18).
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.154-155 (= serm.dom.m. 2,42)



1ste  zondag van de veertigdagentijd 
bij Mt 4,1-11 uit Augustinus' sermo 51,32

Het getal veertig springt in het oog. In de Heilige Schrift be­staat immers de gewoonte om in ronde getallen te denken. Wat daarbovenuit gaat telt vaak niet mee. Zo zou het volk van Israël na vier­honderd jaar uit Egypte zijn te­ruggekeerd, terwijl het eigenlijk pas na vier­honderd­der­tig jaar was (Vgl. Gn 15,13 en Hnd 7,6 met Ex 12,40). Zo doet die ene generatie die bij Mat­te­üs boven het getal veer­tig uitgaat, geen afbreuk aan het belang van dit getal. Het ge­tal veertig slaat op het zwa­re leven dat we hier op aarde leiden, zo­lang we in den vreemde zijn, ver van de Heer (2 Kor 5,6). Een leven waarin de waarheid ons in de vorm van een bepaalde tijd moet wor­den verkon­digd. Tien is het getal van het volmaakte ge­luk, vier staat voor de vier jaar­getijden en de vier wind­richtin­gen. Tien maal vier is veer­tig. Daarom heeft Mozes veertig dagen gevast (Dt 9.9), en Elia (1 K 19,8), en de Mid­delaar, onze Heer Jezus Christus, ook (Mt 4,2). Dat be­te­kent dat wij in de­ze tijd hier op aarde niet moeten ingaan op wat ons li­chaam aanlok­ke­lijk vindt. Veertig jaar zwierf het volk door de woes­tijn (Nu 32,13). Veer­tig dagen duurde de zondvloed (Gn 7,4). Veertig da­gen bracht de Heer na zijn verrij­zenis met zijn leerlingen door om hen ervan te overtuigen dat zijn lichaam echt verrezen was (Hnd 1,3). Zoals gezegd gaf Hij daar­mee het geheim van het getal veertig aan in dit leven, waarin we ver van de Heer zijn. Het betekent dat wij moeten blijven denken aan de dood van de Heer, en dat doen we in de kerk totdat Hij komt (1 Kor 11,26).
  Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.74  (= Sermo 51,32).


2de zondag van de veertigdagentijd
bij Mt 17,1-9 uit Augustinus' sermo 78,2-3

De Heer Jezus begon te stralen als de zon, zijn kleed wer­d wit als sneeuw en Mozes en Elia spraken met Hem (Mt 17,2-3). Jezus straalde, ja, Je­zus zelf straal­de als de zon, om duidelijk te maken dat Hij het licht is dat de mensen verlicht, wanneer ze in de we­reld komen (Joh 1,9 en 8,12). Wat de gewone zon voor de ogen is, is deze zon voor het hart.
     Zijn kleed is de kerk. En als een kleed niet op zijn plaats ge­houden wordt door degene die het aanheeft, valt het op de grond. Van dat kleed was Paulus eigenlijk de onderste rand, de zoom. Paulus zegt zelf: "Ik ben de min­ste van de apostelen." (1 Kor 15,9) En er­gens anders: "Ik ben de laatste van de apostelen." (1 Kor 15,8) De onderste rand van een kleed is de zoom. En de vrouw die aan bloed­vloei­ing leed, werd gered toen ze de zoom van het kleed van de Heer had aan­ge­raakt (Mt 9,20-22). Zo werd ook de kerk die uit de heidenen kwam, gered door de verkondiging van Paulus.
      Is het vreemd om de kerk aan te duiden met een stralend wit kleed­? Bij de profeet Jesaja hoort u de Heer toch zeggen: "Ook al wa­ren uw zon­den als schar­la­ken, Ik zal ze wit maken als sneeuw?" (Js 1,18) Hoe krijgen de wet en de profeten, dat wil zeggen Mozes en Elia, ­be­te­kenis?  Door het gesprek met de Heer. Als ze niet van de Heer zou­den getuigen, wie zou de wet dan nog lezen? Of de profeten? Kijk eens hoe kernachtig de apostel Pau­lus het formuleert: "De wet doet al­leen maar de zonde ken­nen. Nu is echter, buiten de wet om, Gods ge­rechtigheid openbaar gewor­den," (Rom 3,20-21) de zon, "waar­van de wet en de pro­fe­ten getuigenis afleggen," (Rom 3,21) het stralen.
      Dat is wat Petrus ziet. En omdat hij als mens alleen maar de menselijke kant ervan kan aanvoelen, zegt hij: "Heer, het is goed dat wij hier zijn." (Mt 17,4) Al die druk­te om hem heen, het hing hem de keel uit. Hij had de een­zaam­heid van de berg ont­dekt. Daar had hij Christus, als brood voor de geest. Waar­om zou hij daarvandaan gaan naar de wereld van inspanning en pijn, ter­wijl hij een verheven liefde voor God voelde, en daardoor goed han­del­de? Wat hem betrof, zat hij daar goed. Daarom voegde hij eraan toe: "Als U wilt, zal ik hier drie tenten bou­wen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." (Mt 17,4)
      De Heer reageerde daar niet op, maar toch kreeg Petrus een ant­woord. Want nog terwijl hij die woorden sprak, kwam er een lichtende wolk die hen over­schaduw­de (Mt 17,5). Petrus vroeg de Heer of het drie ten­ten moesten wor­den - mensen delen elkaar nu eenmaal ­­graag in hokjes in, maar ­het antwoord uit de hemel maakt ons duidelijk dat één genoeg was. Christus is het Woord van God, het Woord van God in de wet en het Woord van God in de pro­fe­ten. Waarom verdelen, Petrus, en niet verbinden, dat ligt toch meer voor de hand. Waarom dat hokjesdenken en niet gewoon één tent?­
     Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p. 416 (= Sermo 78,2-3).


3de zondag van de veertigdagentijd
bij Joh 4,5-42 uit Augustinus' io.eu.tr. 15,6-7

Om u heeft Jezus zich door de tocht laten vermoeien. Wij kennen Jezus als krachtig en wij kennen Jezus als zwak; jazeker, krach­tig en zwak. Als krachtig, want in het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God (Joh 1,1-2). Wilt u zien hoe krachtig die Zoon van God is? Alles is door Hem gemaakt en zonder Hem is niets gemaakt (Joh 1,3). Zonder inspanning is het door Hem gemaakt. Wat is er nu sterker dan Hij door wie zonder inspanning alles is gemaakt?

      Wilt u weten waarin Hij zwak was? Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond (Joh 1,14). De kracht van Christus heeft u geschapen, de zwakte van Christus heeft u herschapen. De kracht van Christus heeft gemaakt dat wat niet was, zou worden. De zwakte van Christus heeft gemaakt dat wat was, niet verlo­ren zou gaan. Zo heeft Hij ons geschapen in zijn kracht, ons gezocht in zijn zwakte.
       In zijn zwakte verzorgt Hij dus zelf de zwakken, zoals een hen haar kuikens. Hiermee heeft Hij zich immers vergeleken: “Hoe vaak,” zegt Hij tot Jeruzalem, “heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels? Maar jullie hebben het niet gewild.” (Mt 23,37) En u ziet wel, broeders en zusters, hoe een hen zwak wordt om haar kuikens. Aan geen andere vogel kun je afzien dat het een moedervogel is. De eerste de beste mus zien wij onder onze ogen een nest bouwen, en zwaluwen, ooievaars en duiven zien wij dat dagelijks doen. Maar voordat wij ze dan eindelijk op hun nest zien zitten, beseffen wij niet dat ze kleintjes hebben. Maar de hen stelt zich temidden van haar kuikens zo zwak op dat, ook al komen de kuikens niet achter haar aan en zie je de kleintjes niet, je haar toch als moeder herkent. Met haar vleugels omlaag, haar verwarde veren, haar hese keelgeluid, helemaal uitgezakt en verslonst, ziet zij er zó uit dat je er, zoals ik zei, toch de moeder uithaalt, zelfs al zie je geen kleintjes.
       Zo was Jezus dus zwak, vermoeid van de tocht. Zijn tocht is het lichaam dat Hij terwille van ons aangenomen heeft. Want hoe kan Hij, die overal is en op geen enkele plaats niet is, anders een tocht maken? Wat heeft zijn gaan ergens heen, zijn komen ergens vandaan te betekenen, als het niet was om tot ons te komen, als het niet was om een zichtbaar lichaam aan te nemen? Omdat Hij dus zo goed was op zo'n manier naar ons te komen, dat Hij een lichaam aannam en zich in de gestalte van een slaaf (Fil 2,7) liet zien, is dit aannemen van een lichaam zijn tocht. Maar dan betekent “vermoeid van de tocht” dus niets anders dan “vermoeid van lichaam.” Jezus is zwak door zijn lichaam, maar u mag niet zwak worden. U moet juist sterk zijn in zijn zwakheid, want de zwakheid van God is sterker dan de men­sen (1 Kor 1,25).
     Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie. - Budel: Damon, 2010.- p.310 (= 15,6-7)
 

Top 

4de zondag van de veertigdagen tijd
bij Joh 9,1-41 uit Augustinus' sermo 136,1

We hebben geluisterd naar een lezing uit het heilig evangelie die ons vertrouwd is. Toch is het goed er weer aan herinnerd te worden. Het is goed ons geheugen te ontdoen van het stof van de vergetelheid. Ja, deze zeer oude lezing heeft ons geboeid, ze leek wel nieuw.
     Christus gaf het licht aan een blindgeborene. Waarom kijkt u daarvan op? Christus is de heelmeester: in zijn goedheid her­stelde Hij wat Hij de blinde in de moederschoot had onthouden. Toen Hij hem het gezichts­vermogen had onthouden was dat natuurlijk geen vergis­sing. Hij stelde het slechts uit, om een wonder te kunnen doen. Nu kunt u zeggen: "Hoe weet u dat?" Wel, dat heb ik van de Heer gehoord. Dat heeft Hij daarnet gezegd, dat hebben we alle­maal ge­hoord.
     Toen zijn leerlin­gen Hem namelijk vroe­gen: "Heer, wie heeft er gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren is?" (Joh 9,2) antwoord­de de Heer wat we allemaal hebben ge­hoord: "Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet. Nee, de daden van God moe­ten in hem open­baar worden." (Joh 9,3) Daar hebt u de reden van het uit­stel, toen de Heer hem het ge­zichtsver­mogen had onthouden. Hij deed niet wat Hij had kun­nen doen. Nee, dat deed Hij niet. Hij wist dat Hij het zou doen als de tijd daar was.
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. - p.223  (= Sermo 136,1). 


5de zondag van de veertigdagentijd
bij Joh 11,1-45 uit Augustinus' sermo 98,6-7

Let eens op de manier waarop Lazarus is opgewekt. Hij kwam te voorschijn uit het graf, le­vend en wel, maar hij kon niet lopen. De Heer zei tegen de leerlingen: "Maak hem los en laat hem gaan." (Joh 11,44) Híj maakte de dode levend, zíj maakten zijn zwachtels los. Let op de bijzondere macht en majesteit van God die tot leven wekt. Ie­mand die vastzit aan een slechte ge­woonte wordt terechtgewe­zen door het woord van de waarheid. Hoevelen worden er niet te­rechtge­wezen en luis­teren niet! Maar wie is werkzaam in het hart van mensen die wel luis­teren? Wie blaast hun de levensadem in? (Gn 2,7 en Joh 20,22) Wie ver­jaagt in het verborgene de dood, wie schenkt in het verborgene het leven? Wor­den de mensen niet aan het denken gezet door al die berispingen en terechtwij­zingen? Komen ze dan niet tot het besef wat een slecht le­ven ze leiden, hoe ze in de ban zijn geraakt van verfoeilijke ge­woon­tes? Vervolgens krijgen ze een hekel aan zichzelf en be­slui­ten ze hun leven te beteren. Die mensen zijn opgestaan, zij verafschuwen hoe zij waren en zijn weer tot leven gekomen. Maar al leven ze dan weer, lopen kunnen ze nog niet. Het zijn de boeien van hun schuld die hen kluisteren. Wie weer tot leven is gekomen, moet worden losgemaakt en toestem­ming krijgen om heen te gaan. Deze taak droeg Hij op aan zijn leerlin­gen tot wie Hij zei: "Wat u op aarde ont­bindt, zal ook in de hemel ontbonden zijn." Dierbare broeders en zusters, we moeten hiervan leren dat zij die leven, moeten zorgen in leven te blijven en dat zij die dood zijn, weer tot leven moeten zien te komen.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie, Budel 2007. - p.76-77  (= sermo 98,6-7)


Palmzondag
bij Lc 9,9 uit Ambrosius' exp.eu.Lc.9,9 
(bij Mt 26,14-27,66)

De apostelen spreiden dan ook voor Christus hun eigen kleren op de weg (Mt 21,8)). Het kan zijn dat zij het evangelie wilden verkondigen en zo het glorieuze gebeuren een bijzonder reliëf wilden geven. Want in de Heilige Schrift staan "kleren" gewoonlijk voor deugden en die moesten ook het onverzettelijke onder de heidenen wat minder weerbarstig maken (Vgl. Hl 4,11, Apk 3,5; 3,18 en 4,4). Zij wilden in hun enthousiasme hun inzet tonen en de intocht voorspoedig laten verlopen, zonder een enkele hindernis. De Heer van de wereld liet zich immers niet voor eigen genoegen met uiterlijk vertoon op de rug van een ezelin voortrijden. De diepere betekenis ervan bleef verborgen: Hij wilde diep in onze geest een plaats voor zich inrichten. Hij zou zich binnen de schuilhoeken van onze harten neerzetten en er als een mystieke ruiter zijn plaats vinden. Eenmaal binnengeraakt om zo te zeggen met het lichaam dat zijn godheid ten dienste stond, zou Hij de stappen van het verstand in goede banen leiden en de grillen van het vlees beteugelen. Zo kon Hij de houding van de heidenen aan die leiding van liefde laten wennen en daarmee in bedwang houden. Geluk­kig die in hart en nieren zo’n ruiter verwelkomd hebben. Gelukkig de mensen die zich het bit van het hemels Woord lieten aanleggen om niet op hol te slaan met een vloed van woorden (Spr 10,19).
       Uit : Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 460 (= boek 9, § 9).

Witte Donderdag
bij Joh 13,1-15 uit Augustinus' Io.eu.tr. 55,4

Eigenlijk was het geen wonder dat Jezus van tafel opstond en zijn kleren aflegde. Hij was het immers die in de gestalte van God zichzelf ontledigd had (Fil 2,6). Geen wonder dat hij zich met een linnen slavenschort omgordde. Toen Hij de gestalte van een slaaf had aangenomen, werd Hij immers als een mens beschouwd (Fil 2,7). Geen wonder dat Hij water in een waskom goot om er de voeten van de leerlingen mee te wassen. Hij heeft immers zijn eigen bloed over de aarde vergoten om er het vuil van de zondaars mee weg te spoelen. Geen wonder dat Hij met de doek waarmee Hij was omgord, de gewassen voeten heeft afgedroogd. Hij had immers met het lichaam waarmee Hij was bekleed, de schreden van zijn evangelieverkondigers versterkt. Toen Hij zich de linnen doek omdeed, heeft Hij de kleren afgelegd die Hij aanhad. Maar toen Hij zich ontledigde in de gestalte van een slaaf, heeft Hij niet afgelegd wat Hij bezat, maar aangenomen wat Hij niet bezat. Toen Hij gekruisigd ging worden, is Hij opmerkelijk genoeg wel beroofd van zijn kleren en na zijn dood in linnen doeken gewikkeld. Heel dat lijden is een schoonwassen van ons. Het stervensceremonieel dat Hij binnenkort zou onder­gaan, heeft Hij dus als dienstbetoon van tevoren zelf verricht.
     Uit: Aurelius Augustinus - …  Verhandelingen over het Johannesevangelie (deel 2). - Nog niet in boekvorm gepubliceerd.


Goede Vrijdag 
Joh 18,1-19,42 uit Augustinus' sermo 218,1-2 en 13

Men gelooft terecht dat de Heer met iedere afzonderlijke daad die tijdens zijn lijden is verricht en beschreven, een bedoeling heeft gehad, omdat Hij juist in het sterfelijke vlees alles niet uit noodzaak heeft doorstaan maar uit vrije wil. Ten eerste dat Hij na te zijn overgeleverd om te worden gekruisigd, zelf zijn kruis droeg (Joh 19,16-17). Daarmee gaf Hij ons een toonbeeld van zelfbeheersing. Door ons daarin voor te gaan liet Hij zien wat iemand moet doen die Hem wil volgen. Daarop wees Hij ons ook met een uitspraak toen Hij zei: "Wie rnij liefheeft, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen (Mt 16,24; Mc 8,34; Lc 9,23)." Wie immers op een goede manier zijn sterfelijk leven leidt, neemt in zekere zin zijn kruis op. ... Verder dat bij de andere twee gekruisigden de benen werden gebroken, maar bij Jezus niet, omdat Hij al was overleden (Joh 19,31-33). Waarom dat zo is, verklaart het evangelie zelf. Het kon immers geen kwaad dat Hij ook met dat teken zou laten zien — in de profetie die eerder over Hem was verkondigd — dat aan het Paasfeest van de joden moest worden gedacht. Een van de voorschriften daarbij was dat de beenderen van het lam niet mochten worden gebroken (Ex 12,46, Nu 9,12).
        Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p. 91 (= sermo 218, 1-2 en 13)

Top 



Pasen 

Paasnacht 
Augstinus' sermo 223G,2

Wakker blijven is geen kunst! Bandie­ten blijven immers ook wakker, maar ze hebben er wel een andere bedoeling mee. Ze houden zich schuil tot de mannen slapen en willen dan bij de vrouwen komen onder de duistere medeplichtigheid van de nacht. Ook de beoefenaars van zwarte kunst blijven wakker, maar dan wel om demonen te dienen en met hun hulp schandelijke daden te verrich­ten. Het voert te ver en het is ook niet nodig te vermelden, waarom al dat tuig wakker blijft. 
      Toch zijn er ook voorbeelden te noemen van mensen die met eerlijke bedoelingen wakker blijven: ambachtslieden, boeren, schip­pers, vissers, reizigers, handelaars, allerlei leidinggevenden, rech­ters, advocaten, in- en verkopers van boeken, bazen en onderge­schik­ten, en met welke tak van techniek, wetenschap of nijverheid een mens zijn leven ook doorbrengt. Maar dat doet hij wel met de bedoe­ling dat de aarde gemakkelijker en menswaar­diger bewoond kan worden door haar bewoners, die snel als een adem­tocht weer verdwij­nen.
      Kortom, allen die 's nachts waken, hebben een doel. Als het een ongeoor­loofd doel is, worden zij veroor­deeld tot de eeuwige dood; als het een geoor­loofd doel is, wordt het teniet gedaan door de tijdelij­ke dood. Christus nu is het doel van de wet tot gerech­tigheid voor ieder die ge­looft (Rom 10,4). Wij waken door naar Christus te kijken. Hij is het doel van de volmaakt­heid. Hij bevrijdt ons van een einde dat veroorde­ling of vernie­tiging inhoudt. De mensen die ik zojuist noemde, blijven wakker met een eerlijke of oneerlijke bedoe­ling: zij kijken en streven wel naar een doel, maar hún doel is vergankelijk, óns doel kent geen einde. Uitein­delijk waken zij zonder dat ze de volmaakte rust zullen vinden in waar ze naar uitzien. Wij waken en bidden dat we niet op de bekoring ingaan (Mt 26,41). Zo overwin­nen wij immers de belager op onze levens­reis. Zo bereiken wij de Heiland, bij wie we voor altijd de volmaakte rust zullen vinden.
         Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p.115-116 (= sermo 223G, 2)


Paaszondag
bij Joh 20,1-18 (!) uit Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, p. 98-110

Het bericht van Maria Magdalena over Jezus' leeggehaalde graf werkt op een interessante manier door in het Johannesevangelie. Op haar bericht snellen twee mannelijke leerlingen naar Jezus' graf. De ene leerling van wie Jezus hield kwam als eerste aan en ziet voorovergebukt de zwachtels liggen. Vervolgens komt ook Petrus bij het graf, gaat naar binnen en ziet behalve de zwachtels de zweetdoek elders opgerold. Dan gaat ook de andere leerling naar binnen: hij ziet en gelooft. Augustinus zegt daarover: "Sommige mensen letten hier niet goed op en denken dan dat Johannes toen is gaan geloven dat de Heer was verrezen. Maar het vervolg wijst daar niet op.  Wat moet anders die volgende zin? 'Want zij hadden nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Jezus namelijk uit de doden moest opstaan?' (Joh 20,9) Johannes die niet wist dat Jezus moest opstaan, heeft dus niet geloofd dat Hij al was opgestaan. Wat zag en geloofde hij dan wel? Hij zag het graf leeg en geloofde wat Maria Magdalena had gezegd: 'Ze hebben de Heer weggehaald uit het graf.' (Joh 20,2). Zij hadden immers nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan." (Verhandeling over het evangelie volgens Johannes 120,9). Augustinus legt Joh 20,8-9 dus uit met behulp van Joh 20,2! Die uitleg heeft waarschijnlijk om minstens twee redenen enige irritatie opgeroepen. Het eerste probleem is dat de leerling Johannes en wellicht ook Petrus zich in hun interpretatie van wat zij zien, laten leiden door het getuigenis van één persoon, en nog wel van een vrouw. Dat is ongewoon in een wereld waar een getuigenis pas rechtsgeldig was van minstens twee personen (Nu 35,30, Dt 19,15 en Joh 8,7) en dat zullen in de wereld van toen wel mannen geweest moeten zijn. Het tweede probleem is dat de twee belangrijke mannelijke leerlingen op grond van wat zij zien, volgens de uitleg van Augustinus niet meteen tot het inzicht komen dat de Heer is verrezen, maar eerst gaan geloven wat Maria Magdalena hun heeft gezegd. Augustinus' uitleg moet het in de geschiedenis van de bijbeluitleg nogal eens afleggen tegen een andere. Daarin komen Petrus en die andere leerling anders dan Maria Magdalena wel tot het geloof in de verrijzenis van de Heer. Dat zij de Schriften nog niet hadden begrepen, slaat dan op het feit dat zij eerst moesten zien om te kunnen geloven. Wie de Schriften begrijpt, gelooft eerst om te kunnen zien. Toch blijft de uitleg van Augusitnus de moeite van het bewaren waard. Hij doet recht aan de bijzondere positie van Maria Magdalena in haar liefde en genegenheid voor de Heer en schept klaarheid in haar positie ten opzichte van Petrus en de andere leerling.
     Uit: Hans van Reisen, 'Verrezen tot leerlinge van de Heer: Maria Magdalena in de verkondiging van Augustinus’, in: Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, p. 98-110.


Tweede Paasdag 
bij Mt 28,8-15 uit Augustinus’ sermo 229F,1

Sommige mensen hebben de verrijzenis van de Heer gezien, anderen hoorden erover vertellen, maar hechtten er geen geloof aan (Mt 28,11) Zij worden dan ook terechtgewezen door de Heer in eigen persoon, omdat zij geen geloof hechtten aan de verhalen van hen die het zagen en erover vertelden. Wat een geweldige gunst schonk God met zijn terecht­wijzing aan de volkeren en aan de mensen die veel later zijn geboren! Wat schonk God dan aan de mensen die nu de kerken van Christus vullen? De heilige apostelen hebben aan Chris­tus' zijde gelopen. Zij hebben het woord van de waar­heid uit zijn eigen mond vernomen. Zij hebben Hem doden zien opwek­ken. Toch geloofden zij niet dat de Heer was verrezen. En wij dan? Wij zijn veel later geboren en hebben Hem nooit in levenden lijve gezien. Wij hebben Hem zelf nooit een woord horen spreken. Wij hebben met onze eigen ogen Hem geen enkel wonder zien verrichten. En toch geloofden wij wel toen wij de g­eschriften hoorden voorlezen van hen die destijds niet wilden geloven. De allerlaatste gebeurtenis die hun werd verteld, geloofden ze niet. Zij hebben het beschreven om het ons te laten lezen. Wij hebben het gehoord en wij geloven.
     Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p.119-120  (= sermo 229F,1)

Top 

Paastijd

2de zondag van de Paastijd
bij Joh 20,19-31uit Augustinus' sermo 247,2

De evangelielezing spoort ons aan om een woord te wijden aan de vraag hoe de Heer, die in zo'n concreet lichaam verrees dat Hij door zijn leerlingen niet alleen kon worden gezien maar ook aangeraakt, aan hen kon verschijnen ondanks de gesloten deuren. Sommigen worden hierdoor namelijk zo aan het twijfelen gebracht, dat ze bijna in gevaar zijn doordat ze de vooroordelen van hun eigen redene­ringen inbrengen tegen de goddelijke wonderen. Zij redeneren als volgt. Als er sprake was van een lichaam, van vlees en bot­ten, als dat wat aan het kruis heeft gehangen uit het graf is verrezen, hoe kon dat dan door gesloten deuren binnenkomen? Als dat niet kon, dan is het - zeggen ze - ook niet gebeurd. Als het wel kon, hoe dan wel?... Denk eens terug aan de wonde­ren van uw Heer vanaf het begin van zijn leven en probeer ze mij eens één voor één te verklaren. Zonder dat een man haar benaderde, werd een maagd zwanger (Lc 1,31-34) Leg mij eens uit hoe een maagd zonder man zwanger kon worden. ... Zie je wel, daar heb je al één wonder: de ontvangenis van de Heer. Luister ook naar het tweede wonder: de bevalling. Een maagd heeft gebaard en is toch maagd gebleven. Toen al, vóór zijn verrijzenis, is de Heer als het ware door gesloten deuren heen ter wereld gekomen!
    Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p. 163 (= sermo 247,2)


3de zondag van de Paastijd
bij Lc 24,13-35 uit Augustinus' sermo 235,2

Wat kunnen we nu leren van deze lezing? Iets belangrijks, als we de inhoud tenminste begrij­pen. Jezus verscheen: zij zagen Hem met eigen ogen, maar herkenden Hem niet. De leermeester liep met hen mee over de weg, terwijl Hij zelf de Weg was (Lc 24,15). Zij wandelden echter nog niet op de Weg, Hij vond hen namelijk ver van de Weg afge­dwaald. Toen Hij vóór zijn lijden bij hen was, had Hij alles voor­zegd: dat Hij zou lijden, dat Hij zou sterven en op de derde dag zou verrij­zen. Alles had Hij voorzegd. Welnu, Hij stierf, en zie: alles vergaten ze. Ze raakten zo in de war toen ze Hem aan het kruishout zagen hangen, dat ze zijn onderricht vergaten, zijn verrijzenis niet verwachtten en ook niet aan zijn beloften dachten. "Wij leefden in de hoop," zeiden zij, "dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlos­sen." (Lc 24,21) ­ Leerlingen toch, u "leefde in de hoop"? Hoopt u nu dan niet meer? Kijk toch: Christus leeft, en in u is de hoop gestorven? Zeker leeft Christus. De levende Christus trof het hart van zijn leerlingen dood aan. Voor hun ogen verscheen Hij wel en niet. Hij werd gezien en bleef verbor­gen. Want - als Hij niet werd gezien - hoe konden ze Hem dan vragen horen stellen en Hem antwoord geven op zijn vragen? Op weg liep Hij met hen mee alsof Hij hun reisgenoot was, terwijl Hij zelf de gids was. Ze zagen Hem wel degelijk, maar herkenden Hem niet. Want "hun ogen werden ver­hinderd Hem te herkennen," zoals we hoorden, niet verhin­derd om Hem te zien, wel verhinderd "om Hem te herkennen." (Lc 24,16)
     Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p. 134-135 (= sermo 235,2)


4de zondag van de Paastijd 
bij Joh 10,1-10 uit Augustinus' sermo 137,4 

Toen het evangelie werd voorgelezen hebt u het gehoord: "Wie door de deur naar binnen komt is de herder. Wie ergens anders naar binnen klimt is een dief en een rover. Die probeert alleen maar om het vee te verspreiden en uiteen te drijven en mee te nemen." (Joh 10,2.8-10) Wie komt binnen door de deur? Hij die binnenkomt door Christus. Wie is dat dan? Hij die het lijden van Christus navolgt en de nederigheid van Christus erkent. Ook al is God voor ons mens geworden, wij mensen moeten erkennen dat we zelf geen God zijn maar mensen. Wie God wil lijken terwijl hij mens is, is geen navolger van Hem die mens werd hoewel Hij God was.
      Er is u niet gezegd: "Wees kleiner dan u bent," maar: "Erken wat u bent. Erken dat u zwak bent, een mens, een zondaar. Erken dat de Heer rechtvaardig maakt en dat u bevlekt bent." Toon bij uw belijdenis de vlekken van uw hart, dan zult u bij de kudde van Christus horen. Wie zijn zonden belijdt vraagt aan een dokter om hem te genezen. Het gaat net als bij ziekte: wie zegt "ik ben gezond" gaat niet op zoek naar een dokter.
       Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. - p. 248 (= sermo 137,4). 

 

5de zondag van de Paastijd
bij Joh 14,1-12 uit Augustinus' sermo 141,4

Christus is bij de Vader, Hij is de waarheid en het leven (Joh 14,6). Hij is het Woord waarover is gezegd: "Het leven was het licht van de men­sen." (Joh 1,4) Hij is bij de Vader, Hij is de waarheid en het leven. En om­dat wij geen weg hadden om tot de waarheid te komen, is de Zoon van God - altijd bij de Vader, altijd waarheid en leven - zelf de weg geworden, door de mensengedaante aan te nemen. Loop mee met die mens en u komt bij God. Ga met Hem mee en u komt bij Hem uit. Zoek geen andere weg om Hem te bereiken dan Hemzelf. Want als Hij had geweigerd de weg te zijn zouden we altijd dwalen. Hij is dus de weg geworden waarlangs u moet gaan. Ik zeg u niet: "Zoek de weg." De weg is naar u toe gekomen: sta op en ga lopen. Loop op je karakter, niet op je voeten. Veel mensen lopen namelijk goed op hun voeten, maar slecht op hun karakter. Soms kunnen ze wel goed lopen maar rennen ze naast de weg. Natuurlijk kent u ook mensen die goed leven maar geen christen zijn. Ze kunnen goed ren­nen, maar niet over de weg. Hoe harder ze rennen, hoe meer ze ver­dwalen: ze raken steeds verder van de weg af. Maar als zulke mensen dan de weg berei­ken en hem blijven volgen, wat is dat dan een veilig gevoel! Ze lopen goed en verdwalen niet. Maar als ze hem niet blijven volgen, al lopen ze nog zo goed... ach, wat een ellende! Het is beter over de weg te strompelen dan naast de weg te marcheren!
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. - p.288  (= sermo 141,4). 


6de zondag van de Paastijd
bij Joh 14,15-21 uit Augustinus' sermo 126,14

We zien Christus: mens en God. Hij toont ons de mens, de God bewaart Hij voor later. Kijk maar hoe Hij God voor ons bewaart, terwijl Hij ons de mens laat zien. Hij zegt: "Wie Mij liefheeft houdt zich aan mijn geboden. Wie Mij liefheeft, hem zal mijn Vader liefhebben en ook ik zal hem liefhebben." (Joh 14,21) En alsof iemand vraagt: "Wat geeft u dan aan mensen van wie U houdt?" vervolgt Hij: "Ik zal Mij aan hen openbaren."
      Wat wil dat zeggen, broeders en zusters? Ze zagen Hem al en toch beloofde Hij dat Hij zich aan hen zou laten zien! Aan wie? Aan mensen die Hem al zagen, of ook aan mensen die Hem niet zagen? Iets dergelijks zei Hij ook tegen de apostel Filippus. Die verlangde de Vader te zien, dan zou hij tevreden zijn. Hij zei: "Laat ons de Vader zien, dan zijn we tevreden." (Joh 14,8) Daar stond de Heer, vlak voor de ogen van een slaaf en in de gestalte van een slaaf. De gestalte van God bewaarde Hij voor later, als die apostel vergoddelijkt zou zijn. Hij zei: "Ik ben al zo lang bij jullie, en je hebt Me nog niet leren kennen? Wie Mij ziet, ziet ook de Vader." (Joh 14,9)
            U wilt de Vader zien? Kijk naar Mij, zegt de Heer: u ziet Mij en u ziet Mij niet. U ziet wat Ik voor u heb aangenomen, u ziet niet wat Ik voor u bewaard heb. Hoor mijn geboden, zuiver uw blik. Ik heb gezegd: "Wie Mij liefheeft houdt zich aan mijn geboden en ook Ik zal hem liefhebben. Want als iemand zich houdt aan mijn geboden en is genezen door mijn geboden, ja, dan zal Ik Mij aan hem openbaren."
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. - p. 122 (= sermo 126,14).

Top

 

Hemelvaart van de Heer
bij Hand 1,1-11 (en Psalm 24,9) uit Augustinus'  sermo377

"Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, ingangen aloud, dat inga de koning der ere!" (Ps 24,9) Dit wordt in één en dezelfde psalm twee keer gezegd: het wordt herhaald na dezelfde woorden, alsof men zou kunnen denken dat het overbodig is en niet nodig. Maar in die herha­ling van dezelfde woorden moet u de doelein­den zien. Laat tot u doordringen waarom het tot twee keer toe werd gezegd. Kijk, de poorten van de hel en de hemel worden eigenlijk twee keer voor Hem geopend: één keer als Hij verrijst en één keer als Hij opstijgt. Het is toch ongewoon dat God in de hel is? Het is toch ook ongewoon dat een mens in de hemel is opgeno­men? Beide keren, op beide plaatsen worden de hoofden benauwd. Wie is dan de koning der ere? (Ps 24,8.10) Hoe kunnen wij deze twee nu onderscheiden? Luister hoe het antwoord aan beide hoofden luidt.
     Op hun vragen krijgen ze het volgende antwoord: "De Heer, machtig en triomfant! De Heer, triomfant in de strijd!" (Ps 24,8) In wat voor strijd? De dood onder­gaan voor de stervelin­gen, alleen lijden voor allen; hoewel almachtig zich niet verzetten, en toch overwinnen door te sterven. Die koning der ere is dus machtig, zelfs in de hel. Dit wordt ook herhaald voor de hemelse scharen: "Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, ingangen aloud." Gaat het soms niet om de aloude ingangen waarvan Petrus de sleutels kreeg? (Mt 16,19) Maar omdat Christus de mens mét zich verheft, wordt daar over Hem gezegd alsof Hij niet wordt herkend: "Wie is dan de koning der ere?" Omdat Hij daar echter geen strijder meer is, maar overwinnaar en omdat Hij daar niet vecht, maar zegeviert, luidt het antwoord daar niet: "De Heer, triomfant in de strijd," maar: "De Heer der hemelse scharen. Hij is de koning der ere." (ps 24,10)
     Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p. 226 (= sermo 377).   

7de zondag van Pasen 
bij Joh 17,1-11 uit Augustinus'  sermo135,3

Luister naar wat de Heer zegt: "Al het mijne is het uwe en al het uwe is het mijne." (Joh 17,10) De kwestie van wat de Vader heeft en wat de Zoon, is daarmee afgesloten. Ze hebben het in saamhorigheid. U moet niet moeilijk doen. De daden van de Vader noemt de Heer zijn eigen daden, want "al het mijne is het uwe." Hij noemt ze de daden van zijn Vader, tot wie Hij zegt: "Al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne. Daarom zijn mijn daden de uwe, en uw daden de mijne. Want alles wat de Vader doet..." dat zijn zijn eigen woorden, het zijn de woorden van de Heer, van de eniggeborene, van de Zoon, van de Waarheid. Welke woorden? "Alles wat de Vader doet, doet de Zoon ook, op dezelfde manier." (Joh 5,19) Geweldig, die uitspraak! Geweldig, die waarheid! Geweldig, die gelijkheid! Alles wat de Vader doet, doet de Zoon ook. De woorden: "Alles wat de Vader doet, doet de Zoon ook," dat zou al genoeg moeten zijn. Maar dat is niet zo. Er staat nog bij: "Op dezelfde manier." Hoezo, op dezelfde manier? Omdat er mensen zijn die het niet snappen, die rondwandelen terwijl hun ogen nog niet geopend zijn. Ze zeggen steeds weer: "De Vader handelt door te gebieden, de Zoon door te gehoorzamen. Dus niet op dezelfde manier." Maar als er staat "op dezelfde manier," doet de een het precies zoals de ander. Wat de een doet, doet de ander net zo.
            Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. - p. 215 (= sermo 135,3). 

 

Top

Pinksteren 
bij Hand 2,1-12 uit Augustinus'  sermo 266,2

Wij vieren vandaag het feest van de komst van de Heilige Geest. Want die kwam op de dag van Pinksteren, die al is aangebroken. Er waren honderdtwintig personen op één plaats bijeen. Onder hen bevonden zich de apostelen, de moeder van de Heer en andere mensen, mannen en vrouwen, die aan het bidden waren en wachtten op de vervul­ling van Christus' belofte, de komst van de Heilige Geest (Hnd 2,1 en 1,14-15). De hoop van de wachtenden was geen ijdele hoop, want de belofte van de Belover was geen loze belofte. Zij wachtten, en Hij kwam. En Hij trof reine vaten, waarin Hij kon worden opgevangen. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen ver­deeld, op ieder van hen neerzette. En zij begonnen in vreemde talen te spreken, naarge­lang de Geest hun te vertolken gaf (Hnd 2,3-4). Iedere per­soon sprak in alle talen, omdat de toekomstige kerk hiermee in alle talen werd aangekon­digd. Eén persoon was het teken van de een­heid: alle talen in één persoon, dat betekent alle volkeren tezamen in eenheid. Degenen die vol waren, spraken; degenen die leeg waren, wisten niet wat ervan te denken, en wat erger is, ze wisten niet wat ervan te denken en maakten er beledigende opmerkingen over (Hnd 2,12-13). Ze zeiden: "Ze zijn dronken en ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan." (Hnd 2,13) Wat een domme en laster­lijke beledigingen. Een dronkeman leert geen vreemde taal, nee, hij raakt de zijne kwijt. Maar toch sprak de waarheid bij monde van die onwetende mensen met hun beledi­gingen. Ja, die honderdtwintig perso­nen waren zich echt te buiten gegaan aan jonge wijn, want zij waren nieuwe wijn­zakken geworden (Hnd 2,13, Mt 9,17, Mc 2,22 en Lc 5,37-38). Maar de oude wisten niet wat te denken van de nieuwe, en door die beledigingen werden de oude niet ver­nieuwd en ook niet gevuld. Maar uit­eindelijk ebde hun beledigende toon weg. Ze gingen luisteren naar de apostelen die aan het woord waren, een verklaring aflegden en door de genade van Christus predikten (Hnd 2,15). Door te luisteren werden ze geraakt, daar­door veranderd, en door die verandering begonnen ze te geloven. En door dat geloof verdienden ze dat te ontvangen, waarvan ze niet wisten wat ze ervan moesten denken bij anderen.
     Uit : Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. - Baarn 1996. – p. 229 (= sermo 266,2). 

Drievuldigheidszondag  -Drie-eenheid
bij Joh 3,16-18 uit Augustinus' Augustinus' Io.eu.tr. 12,12

”God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen maar om de wereld door Hem te redden.” (Joh 3,17) Voor zover het dus aan de geneesheer ligt, dient zijn komst om de zieke te genezen. Wie de voor­schriften van de geneesheer niet wil naleven, veroorzaakt zijn eigen ondergang. De Redder is naar de wereld gekomen en Hij heet natuurlijk Redder van de wereld omdat Hij is gekomen om de wereld te redden, niet om die te veroordelen. Wilt u niet door Hem worden gered? Dan zult u door eigen toedoen veroordeeld worden. En waarom zeg ik eigenlijk: “zúlt u veroor­deeld worden?” Hoor wat er staat: “Over wie in Hem gelooft, wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in Hem gelooft ...” en nu hoopt u natuurlijk dat er zal staan: die wordt veroordeeld. Maar er staat: #”die ís al veroordeeld.”  (Joh 3,18) Dat vonnis is nog niet openbaar gemaakt maar het is al wel geveld. De Heer kent immers wie Hem toebehoren (2 Tim 2,19). Hij weet wie er standhouden tot aan de kroon en wie tot aan het vuur. Hij kent het koren op zijn dorsvloer en het kaf, Hij kent het goede gewas en het onkruid Mt 13,24-29 en 36-43). Wie niet in Hem gelooft, is al veroordeeld. En waar­om? Omdat hij niet heeft geloofd in de naam van Gods eniggebo­ren Zoon (Joh 3,18).
     Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie. - Budel: Damon, 2010.- p.267 (= tract. 12,12) 

 

Tijd door het jaar: juni - juli 

Sacramentsdag 
bij Joh 6,51-58) uit Augustinus' Augustinus' Io.eu.tr. 26,13

"Mijn lichaam," zegt Jezus, "is voor het leven van de wereld." (Joh 6,51) De gelovigen kennen het lichaam van Christus als ze hun best doen lichaam van Christus te zijn. Laten ze lichaam van Christus worden als ze willen leven van de Geest van Christus. Alleen het lichaam van Christus leeft van de Geest van Christus. Broeders en zusters, u moet goed begrijpen wat ik bedoel. U bent mens en u heeft zowel een geest als een lichaam. Geest noem ik wat ook als ziel wordt aangeduid, datgene waardoor u mens bent. Want u bestaat uit ziel en lichaam. U heeft dus een geest die onzichtbaar is en een lichaam dat zichtbaar is. Vertel mij nu eens: wat leeft dankzij wat? Leeft uw geest door uw lichaam of leeft uw lichaam door uw geest? Het antwoord van iedereen die leeft - en als iemand hier geen antwoord op heeft, dan weet ik niet of hij wel leeft ... hoe luidt het antwoord van iedereen die leeft? "Mijn lichaam leeft natuurlijk door mijn geest." Wilt u dus ook leven door de Geest van Christus? Dan moet u deel uitmaken van het lichaam van Christus. Míjn lichaam leeft toch immers niet door úw geest? Nee, míjn lichaam leeft door míjn geest en úw lichaam door úw geest. Zo kan het lichaam van Christus alleen leven door de Geest van Christus. Vandaar dat Paulus bij zijn uitleg van wat dit brood betekent, zegt: "Wij vormen, hoewel met velen, één brood en één lichaam." (1 Kor 10,17) Wat een geheim vol liefde, wat een teken van eenheid, wat een band van liefde! Wie leven wil, heeft een plek waar hij kan leven en een bron waaruit hij kan leven! Laat hij naderen, laat hij geloven en deel gaan uitmaken van het lichaam om tot leven te komen. Laat hij er niet voor terugschrikken om met andere ledematen in een groter geheel verbonden te worden. Laat hij niet een afstervend lichaamsdeel zijn dat moet worden weggesneden, of een mismaakt lichaamsdeel waar men zich voor schaamt. Laat hij een mooi, harmonieus en gezond lichaamsdeel zijn. Laat hij zich binden aan dat lichaam en laat hij door God leven voor God. Nu moet hij zwoegen op aarde, dan zal hij later als koning heersen in de hemel!
     Uit: Aurelius Augustinus - Verhandelingen over het Johannesevangelie, tr,26,13.  Dit is een nog ongepubliceerde vertaling in beheer van het Augustijns Instituut. 

 

 

12de zondag door het jaar
bij Mt 10,26-33 uit

tekst

 

13de zondag door het jaar 
bij Mt 10,37-42 uit 

tekst

 

14de zondag door het jaar 
bij Mt 11,25-30 uit Augustinus'  sermo 67,8

Wat betekent dat, broeders en zusters? Kijk eens goed naar de tegenstelling. De Heer zegt: "U hebt dit verborgen voor wijzen en verstan­digen." (Mt 11,25) Hij zegt niet: "U hebt het onthuld aan dwazen en on­verstandigen," maar: "U hebt dit verborgen voor wijzen en verstan­digen en het onthuld aan een­voudigen." (Mt 11,25) Tegenover die bela­chelijke, arrogante wijzen en verstan­digen die zichzelf belangrijk vinden, maar in werkelijkheid blaaskaken zijn, zet de Heer geen dommen en onverstandigen, maar eenvoudigen. En wie zijn dat? De nederigen. Daarom zegt Hij: "U hebt dit verborgen voor wijzen en verstandigen." Onder wijzen en verstandigen verstaat de Heer hoogmoedigen. Dat legde Hij zelf uit met: "U hebt het onthuld aan eenvoudigen." Wijzen en verstandigen zijn dus niet-eenvoudigen. Wat betekent dat, niet-eenvoudig? Niet-nederig. En wat betekent niet-nederig nu anders dan hoogmoedig? O, die weg van de Heer! Of hij is nog niet gebaand, of hij is verborgen, maar in beide gevallen wordt hij ons onthuld.
    Waarom jubelde de Heer nu? (Lc 10,21) Omdat het onthuld is aan eenvoudigen. We moeten dus eenvoudig zijn. Want als we belangrijk willen zijn, zoals die wijzen en verstandigen dus, wordt het ons niet onthuld. Nogmaals, wie zijn er belangrijk? De wijzen en verstandigen, die beweerden wijs te zijn, maar dwaas werden (Rom 1,22). Maar er bestaat een tegengif. Bent u dwaas geworden door te beweren dat u wijs bent, zeg dan dat u dwaas bent, en u zult wijs worden. Maar zeg het dan ook, zeg het, zeg het uit de grond van uw hart. Als u het zegt, gebeurt het ook. En als u het zegt, doe dat dan niet alleen ten overstaan van mensen, maar ook ten overstaan van God. U bent natuurlijk in duisternis gehuld over uzelf en het uwe. En wat betekent dwaas zijn nu anders dan dat het hart in duisternis gehuld is? Kortom, over dit soort mensen zegt Paulus: "Zij beweerden wijzen te zijn, maar werden dwazen." (Rom 1,22) Wat had Hij daarvoor gezegd? "En hun hart waarmee ze het inzicht verwierpen, werd verduisterd." (Rom 1,21) Zeg gewoon dat u niet uw eigen licht bent. U bent hooguit oog, geen licht. Wat hebt u aan een gezond oog dat je gewoon open kunt doen, als er geen licht is? Zeg dus dat uw licht niet van uzelf komt en roep uit wat in de psalm geschreven staat: "U zult mijn lamp verlichten, Heer. Met uw licht, Heer, zult U mijn duisternis verlichten." (Ps 18,29) Ik ben slechts duisternis, U bent het licht dat de duisternis verjaagt en mij verlicht. Mijn licht komt niet van mijzelf, mijn licht schijnt pas in Uw licht.
    Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.270  (= Sermo 67,8).

15de zondag door het jaar 
bij Mt 13,1-23 uit Augustinus' sermo111,3

Waarom zijn wij zo blij met grote aantallen? Luister naar mij, u die met weinigen bent. Ik weet wel dat u met velen toehoort, maar slechts wei­nigen geven ge­hoor aan mijn woorden. De dorsvloer zie ik, de graan­kor­rels moet ik zoeken. Wanneer er wordt gedorst zijn de graankorrels nauwelijks te zien, maar de tijd zal komen dat er wordt gewand. Het zijn er dus maar weinig die worden gered, vergeleken met het grote aantal dat zal omkomen. Maar juist die weinigen zullen een enorme massa gaan vormen. Wan­neer de wanner zal komen met zijn wan in de hand, zal hij zijn dors­vloer opruimen. Het graan zal hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur (Mt 3,12). Laat het kaf de korrel maar niet bespotten! De Heer bedriegt niemand, zijn woorden zijn waar.  Wees daarom met velen onder de velen, maar met weinigen verge­le­ken bij bepaalde massa's. Van deze dorsvloer zal zo'n grote oogst te voorschijn ­komen dat hij de schuren van de hemel zal vullen. Zou Christus de Heer zichzelf dan tegenspreken met zijn woorden: "Er zijn maar weinig mensen die binnengaan door de nau­we poort (Mt 7,14), velen komen om op de brede weg"? Dat lijkt er wel op als Hij ergens anders zegt: "Velen zullen komen uit oost en west." (Mt 8,11) Die velen zijn er in werkelijkheid weinig, die weinigen zijn er veel. Dus de ene keer zijn het er veel, de ande­re keer weinig? Nee, het zijn er tegelij­ker­tijd weinig en veel: wei­nig ver­geleken met de verlore­nen en veel in de engelengemeenschap.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie, Budel 2007. - p.204 (= sermo 111,3

16de zondag door het jaar 
bij Mt 13,24-43 uit Augustinus'  sermo 73A,3-4

Waar ter wereld heeft de vijand geen on­kruid ge­zaaid? Aan welke graansoort, aan welk koren­veld is hij voorbij­ge­gaan zonder er onkruid te zaaien? Heeft hij het soms wel tussen le­ken gezaaid en niet tus­sen gees­telijken of bis­schop­pen? Wel tussen gehuwde man­nen en niet tussen mannen die de gelofte van zuiverheid heb­ben afgelegd? Wel tussen gehuwde vrouwen en niet tus­sen ongehuwde maagden? Wel in de huizen van de leken en niet in de kloos­­ters van de monni­ken? Nee, overal heeft hij het uitgestrooid, overal heeft hij het gezaaid. Kunt u een plaats noemen waar hij geen onkruid tussen de tar­we heeft achtergelaten?
     Maar goddank verstaat degene die de taak zal krij­gen om de tarwe van het onkruid te scheiden, zijn vak. Want het is u, geliefde broeders en zusters, na­tuur­lijk niet ontgaan dat er bij iedere oogst, ook als het gaat om de hoogst­ge­plaats­ten en de meest verhevenen, onkruid wordt gevon­den. Zelfs bij degenen die de geloften hebben afgelegd. En dan zegt u: "Dáár? Zijn daar dan ook slech­te mensen te vinden? Zijn daar in dat klooster ook slech­te mensen te vinden?" Ja, slechte mensen zijn over­al te vinden, maar ze zullen niet voor altijd samen met de goede heer­sen.
     Staat u ervan te kijken dat er op zo'n heilige plaats slech­te mensen te vinden zijn? Weet u niet dat de eerste zonde, ­­de on­gehoorzaamheid, zich in het paradijs afspeelde? En dat ten gevolge van diezelfde ongehoor­zaam­­heid ook de engel ten val kwam? Heeft hij daardoor soms een smet op de hemel geworpen? Ook Adam kwam ten val (gn 3,6-7). Heeft Adam daardoor een smet op het paradijs ge­wor­pen? Een van de kinderen van Noach kwam ten val (Gn 9,22). Heeft hij daardoor een smet op het huis van een recht­vaar­dige geworpen? Judas kwam ten val (Mt 26,14-16). Heeft hij daar­door een smet op het koor van de apos­telen geworpen?
    Soms worden mensen door anderen als koren be­­schouwd, terwijl ze onkruid zijn. En soms worden ze als onkruid beschouwd terwijl ze in werkelijkheid koren zijn. Omdat je niet alles van iedereen kunt weten, zegt de apostel Paulus: "Oordeel niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is, aan het licht brengen, en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder de lof die hem toekomt, ontvangen van God." (1 Kor 4,5) De lof van een mens is van voor­bij­gaande aard. Soms prijs je iemand zonder te we­ten dat hij slecht is. En soms beschuldig je ook iemand zon­der te weten dat hij heilig is. Moge God u vergeven als u het niet weet, en degenen die onder uw oordeel te lijden hebben, te hulp komen.
    Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.367  (= Sermo 73A,3-4).

17e zondag door het jaar 
bij Mt 13,44-52 uit Augustinus' sermo 74,1

De evangelielezing spoort me aan, geliefde broeders en zusters, om voor zover de Heer het me ingeeft te be­spre­ken en te verklaren wie de schriftgeleerde is, die leerling is geworden in het rijk van God en die als een huis­vader nieuwe en oude din­gen uit zijn voorraad te­voor­schijn haalt (Mt 13,52). Want dat waren de laatste woor­den van de lezing: de nieuwe en oude dingen van de schrift­­ge­leerde die leerling was geworden in het rijk der heme­len. Het is bekend dat men vroeger, geheel in de lijn van het taalgebruik van on­ze Heilige Schrift, iemand schriftgeleerde noemde omdat hij er zijn be­roep van had gemaakt de wet te ver­kla­­ren en te onderwijzen. Zo iemand werd bij de jo­den schriftgeleerde of wetgeleerde genoemd. En ­een schriftgeleerde is dus niet hetzelfde als een griffier of een ambte­na­ar. We moeten ervoor zorgen dat we niet voor niets naar school gaan, want we moe­ten goed we­ten welke bete­ke­nis we aan de woorden uit de Schrift moeten toe­kennen. Anders zou een toehoorder, wanneer er een woord uit de Schrift klinkt - dat normaal gesproken in een andere, wereldse, bete­kenis wordt gebruikt - op het verkeerde been kunnen worden gezet en niet begrijpen wat hij hoort, omdat hem alleen maar de normale betekenis van dat woord voor ogen staat. Schriftgeleerden, of wet­ge­leerden, wa­ren dus mensen die er hun beroep van hadden gemaakt de wet te verklaren en te onderwijzen. En het behoorde niet alleen tot hun taak om de boeken van de wet te onder­hou­den en te kopiëren, maar ook om ze te bestuderen en te in­ter­­prete­ren.
    Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.369  (= Sermo 74,1).

Gedaanteverandering van de Heer
bij Mt 14,13-21 uit Augustinus'  io. eu. tr  24,1 
(bij Mt 17, 1-9)


tekst

 

18e zondag door het jaar
bij Mt 14,13-21 uit Augustinus'  io. eu. tr  24,1

De wonderen die onze Heer Jezus Christus heeft gedaan, zijn zonder twijfel goddelijke daden. Ze sporen het menselijk verstand aan om vanuit het waarneembare kennis van God op te doen. Gods wezen is immers niet van dien aard dat je het met de ogen kunt zien, en de wonderen waarmee Hij het heelal leidt en heel de schepping bestuurt, zijn doordat ze nooit ophouden zo gewoon geworden dat bijna niemand nog de moeite neemt om aandacht te schenken aan de wonderlijke, ja de verbluffende werken van God in bijvoorbeeld een zaadkorrel. Daarom heeft Hij in zijn barmhartigheid een aantal wonderen achter de hand gehouden die Hij op een geschikt moment zou kunnen verrichten, buiten de gewone loop en orde van de natuur om, zodat de mensen voor wie de dagelijkse wonderen zo gewoon waren geworden, versteld zouden staan - niet omdat ze nog grotere wonderen zien, maar omdat ze ongebruikelijke dingen zien. Want het besturen van heel de wereld mag dan wel een wonder zijn dat groter is dan het verzadigen van vijfduizend mensen met vijf broden (Joh 6,1-41; vgl. Mt 14,19-21), maar toch verbaast niemand zich over het eersteen zijn de mensen wel verbaasd over het tweede - niet omdat het een groter wonder is maar omdat het zo ongewoon is. Maar wie anders voedt ook nu de hele wereld dan Hij die uit een paar korrels hele oogsten schept? Christus handelde dus als God. Door hetzelfde vermogen waardoor Hij een paar korrels tot hele oogsten vermenigvuldigt, heeft Hij in zijn handen de vijf broden vermenigvuldigd. Er lag immers macht in de handen van Christus, en die vijf broden waren als het ware zaden, nu alleen niet aan de aarde toevertrouwd maar vermenigvuldigd door Hem die de aarde heeft gemaakt. Dit is dus aan de zintuigen voorgeschoteld om de geest te prikkelen. Het is aan de ogen, het oefenterrein van het verstand, getoond om te bereiken dat wij de onzichtbare God door zijn zichtbare werken bewonderen, en om te bereiken dat wij, geprikkeld tot geloof en door geloof gezuiverd, ernaar verlangen op onzichtbare wijze Hem te zien die wij vanuit het zichtbare als de onzichtbare leren kennen.

     Uit: Aurelius Augustinus - Verhandelingen over het Johannesevangelie, tr,24,1.  Dit is een nog ongepubliceerde vertaling in beheer van het Augustijns Instituut.

Top


Tijd door het jaar: augustus - september

 

19de zondag door het jaar 
bij Mt 14,22-33  uit Augustinus' sermo 75,1: 

De lezing uit het evangelie die we zojuist hebben ge­hoord, maakt ons allemaal opmerkzaam op het feit dat we nederig moeten zijn en dat we goed moeten beseffen en erkennen waar we zijn, en in welke rich­ting we ons moe­ten haasten.

De boot die de leerlingen vervoerde, kwam midden op het meer in moeilijkheden, omdat de wind tegenzat (Mt 14,24). Dat alles is niet zonder betekenis. Evenmin als het zonder re­den is dat de Heer toen Hij de menigte had verlaten, de berg op­ging om in afzondering te bidden (Mt 14,23), en dat Hij, toen Hij ver­volgens over het meer naar zijn leerlingen toe wan­del­­de (Mt 14,25), zag dat ze in groot gevaar waren. Maar door bij hen aan boord te komen wist Hij hen weer gerust te stel­len en Hij kal­meer­de de gol­ven (Mt 14,27).

Is het zo vreemd, dat Hij die alles heeft gemaakt (Joh 1,3), ook alles kan kalmeren? Toen hij aan boord was gekomen, kwamen er ook opvarenden bij Hem en zeiden tegen Hem:­ "Werkelijk, U bent de Zoon van God." (Mt 14,33) Toen dat voor hen nog niet duidelijk was, waren ze in paniek geraakt, om­dat ze Hem over het meer zagen lo­pen (Mt 14,26). Ze rie­pen: "Een spook!" (Mt 14,26) Door aan boord te komen wist Hij de woeste golfbewegingen van de geest uit hun hart weg te nemen. Geestelijk waren ze in gro­ter gevaar dan li­chamelijk op het onstuimige meer. Dat kwam doordat ze onzeker waren.
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam :  Ambo, 2004, p. 374.

 

Maria ten Hemelopneming
bij Lc 1,39-59 uit 

tekst

 

20ste zondag door het jaar 
bij Mt 15,21-28  uit Augustinus' sermo 60A,2-3: 

De Heer heeft zich begeven naar het gebied van Tyrus en Sidon (Mt 15,21). Een Kananese vrouw uit die streek komt naar bui­ten om Hem te vragen haar dochter te genezen. Maar de Heer luis­tert niet eens naar haar (Mt 15,23). Hij doet alsof Hij haar niet ziet staan, omdat Hij haar geloof aan het licht wil brengen. Kijk eens hoe Hij haar geduld op de proef stelt! Hij houdt het geschenk dat Hij wel degelijk wil geven, achter omdat Hij de woorden die haar geschikt ma­ken om het te ontvangen, aan haar hart wil ontlokken. En als ook de leerlingen tegen de Heer zeggen: "Stuur haar weg, want ze roept ons achterna," (Mt 15,23) zegt Hij: "Het is niet goed om het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te geven." (Mt 15,26) ... 
     Zij vraagt dus en krijgt als antwoord: "Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te geven." Terwijl ze dat met klem vroeg, werd ze een hond ge­noemd. Ze had boos kunnen worden bij het horen van zulke, haast be­le­digende, woord, en dat nog wel uit de mond van de Waarheid. Ze had weg kunnen lopen na dit hardvochtige antwoord en bij zichzelf kun­nen denken: "Ik kwam Hem om een gunst vragen. Als Hij die kan ver­le­nen, laat Hij dat dan doen. Als Hij dat niet kan, waarom ben ik dan een hond? Heb ik soms iets ver­keerds gedaan door naar Hem toe te gaan en Hem om een gunst te vra­gen?" Ze wist heel goed aan wie ze een gunst vroeg. Ze wees niet af wat er uit de mond van de Waarheid kwam, nee, ze pikte het. Sterker nog, ze hield aan en deed er nog een schep­je bovenop, door te erken­nen dat ze was wat ze te horen had ge­kre­gen. Want ze zei: "Juist, Heer." (Mt 15,27) Met andere woor­den: "U hebt ge­lijk, ik ben inderdaad een hond." En omdat Hij over het brood van de kinderen had gesproken, was erkennen dat ze een hond was voor haar nog niet genoeg. Ze erkende degenen die Hij kinderen had genoemd, bo­ven­dien als haar meesters. Dit omdat Hij zei: "Het is niet goed het brood van de kinde­ren te nemen en het aan de honden te geven." 
      "In­derdaad, Heer," was haar antwoord, "want de kruimels die van de ta­fel van de baas vallen, zijn voor de honden." (Mt 15,27) 
     Wat kunnen we concluderen, broeders en zusters? Ze vraagt met klem, ze blijft zoeken en ze klopt hard. Alleen omdat ze vraagt, zoekt en klopt, is ze al geen hond meer. De Heer geeft het heilige in haar geval dus niet aan een hond. Hij laat namelijk zien dat ze geen hond is omdat ze vanuit een vurig verlan­gen klopt. Hij wil gewoon be­ves­ti­gen wat Hij eerder heeft gezegd. Hij had zijn rentmees­ters voor­ge­hou­den het heilige niet aan de honden te geven en de parels niet voor de zwij­nen te gooien. (Mt 7,6) En om hen die het willen horen, te waar­schuwen dat ze geen honden meer mogen zijn, als ze dat al waren, zegt Hij: "Vraag, zoek en klop (Mt 7,7)." 
      Dit laat Hij dus zien in de Kananese vrouw die Hij zelf aanvan­kelijk een hond noemde. Omdat ze bij het horen van dat scheld­woord niet kwaad werd, maar haar nederigheid bekende door die scheldnaam niet naast zich neer te leggen, nam de Heer op hetzelfde moment de schan­de van haar weg. Hij had haar een hond genoemd. Hij had zijn leerlingen voorgehouden dat ze het heilige niet aan de honden mochten geven. Waar­om verdroeg de vrouw dit scheld­woord van de Heer? Toch alleen omdat ze een andere vrouw was geworden door het in nederigheid te aanvaar­den? En meer nog, omdat ze erkende dat ze was wat ze te ho­ren had gekregen, hield ze op het te zijn.
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004, p. 184-186. 

21ste zondag door het jaar  
bij Matteüs 16,13-20  uit Augustinus' sermo 76,4:

Laten we Petrus als een van de meer eerbiedwaar­di­ge leden van de kerk eens goed bekijken en laten we pro­be­ren om een onderscheid te maken tussen ­wat hij van God heeft en wat hij van zichzelf heeft. Want dan zullen we niet meer wanke­len, dan zullen we op de steenrots worden gegrond­vest: we zullen onwrikbaar staan tegenover de wind, de re­gen en de bergstromen, dat wil zeggen: de verlokkingen van deze tijd­­ (Mt 7,25). Kijk nu eens goed naar onze vriend Petrus, die des­tijds de voorafbeelding van onszelf was. De ene keer gelooft hij, de andere keer twijfelt hij. De ene keer be­kent hij dat Christus onsterfelijk is (Mt 16,16), de andere keer is hij bang dat Christus sterft (Mt 16,22). Zoals de kerk van Chris­tus sterke leden heeft, heeft zij ook zwakke. Zon­der sterke leden kan zij niet bestaan, zonder zwakke even­­min. Daarom zegt de apostel Paulus ook: "Wij, de sterken, hebben de plicht de last van de zwakken te dra­gen." (Rom 15,1)
      Als Petrus zegt: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God," verwijst hij naar de sterken. Maar als hij in angst zit en twij­felt en niet wil dat Christus lijdt - omdat hij bang is voor de dood en het leven niet erkent - verwijst Petrus naar de zwakken binnen de kerk. In die ene apostel - ik heb het natuur­lijk over Petrus, de eerste in rang onder de twaalf apostelen, de voornaamste, de persoon in wie de kerk werd voorafgebeeld - moes­ten bei­de groepen worden aange­duid: de sterken en de zwakken. Zon­­der die twee groepen is er namelijk geen kerk.
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004, p. 385-386.

22ste zondag door het jaar 
bij Mt 16,21-27   uit Augustinus' sermo 76,3:

Petrus was dus vernoemd naar de petra, de steen­rots en daarom ­­was hij gelukzalig. Hij droeg de voorafbeelding van de kerk in zich en hij was de eerste in rang onder de apos­telen. Maar hoewel hij al wist dat hij gelukzalig was, dat hij Petrus was, op een steenrots gebouwd, ging hij meteen in (Mt 16,22) tegen de uit­spraak dat het lijden van de Heer ophan­den was. De Heer had zijn leer­lingen namelijk even daarvoor voorzegd dat dat snel zou gebeuren (Mt 16,21). Petrus was natuur­lijk bang dat hij Hem door de dood zou verliezen, ter­wijl hij Hem zojuist nog als de bron van het leven had beleden. Hij was er ondersteboven van en zei: "God be­ware U, Heer! Dat mag U niet overkomen. Heb medelij­den met Uzelf, God! Ik wil niet dat U sterft." Petrus zegt tegen Christus: "Ik wil niet dat U sterft," maar Chris­tus zegt iets beters: "Ik wil sterven voor jou." 
      Christus wijst Petrus dan ook onmiddellijk terecht, terwijl Hij hem even tevoren nog had ge­prezen. Terwijl Hij hem zojuist nog gelukkig had ge­noemd, noemt Hij hem nu satan (Mt 16,23). "Weg daar, achter Mij, satan," zegt Hij, "Je bent een struikelblok voor Mij, want jouw ge­dach­ten zijn niet Gods gedachten, maar die van men­sen." (Mt 16,23) Wat wíl Hij nu met ons mensen, dat Hij het ons zo zwaar inpepert dat we mensen zijn? Wilt u weten wat Hij met ons wil? Luis­ter dan naar de psalm, waarin staat: "Ik was het die sprak: u bent go­den, zonen van de Aller­hoog­ste, u allen" (Ps 82,6) - dit moet u natuurlijk wel binnen men­selijke proporties zien­­­ - "maar u zult sterven als mensen." (Ps 82,7) De­zelfde Petrus: net nog gelukzalig, nu sa­tan (Mt 16,17). Van het ene moment op het andere­! Daar sta je van te kijken, hè Petrus? Het zijn inderdaad twee heel verschil­len­de benamingen. Maar dat is niet voor niets: er zijn ook twee heel verschil­lende redenen voor.­ 
      Ik zal je vertellen waarom je gelukzalig werd ge­noemd. Dat komt door­dat die onthulling je niet door vlees en bloed werd gedaan, maar door mijn Va­der die in de he­mel is (Mt 16,17). Daarom ben je gelukzalig, omdat het je niet door vlees en bloed is onthuld. Was het je wel door vlees en bloed ont­huld, dan zou je het van je­zelf heb­ben. Maar het is je niet onthuld door vlees en bloed, ­­maar door mijn Vader die in de hemel is, en daarom heb je het niet van jezelf, maar van Mij. Hoe­zo, van Mij? Om­dat alles wat de Vader heeft, ook van Mij is (Joh 16,15). Zie je wel? Nu weet je waarom je ge­lukzalig bent en waarom je Petrus bent.  Maar waarom dan die andere benaming die ons de kou­­de rillingen over het lijf doet lopen en die we niet willen herhalen? Waarom anders dan omdat je het van je­zelf hebt? Want jouw gedachten zijn niet Gods gedach­ten, maar die van mensen.
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004, p. 383-384.

23ste zondag door het jaar 
bij Mt 18,15-20  uit Augustinus' sermo 82,1-2: 

      Onze Heer waarschuwt ons hier, dat we elkaars zonden niet mo­gen negeren. Dat betekent niet dat je moet zoeken naar een gelegenheid om een ander iets te ­­verwijten, het betekent wel dat je moet kijken naar de manier waarop je een ander kunt terechtwij­zen. Hij had het hier natuur­lijk over diegene die scherp genoeg zag om de splinter uit het oog van zijn broeder te halen, omdat hij zelf geen balk in zijn eigen oog had (Mt 7,3-5). Wat dat inhoudt, zal ik u in een paar woorden dui­de­lijk pro­be­ren te maken, geliefde broeders en zusters. De splinter in het oog betekent boosheid, de balk in het oog haat. Wanneer iemand die haat, een ander die boos is, iets verwijt, wil hij de splinter uit het oog van zijn broeder wegnemen, maar wordt daarbij ge­hin­derd door de balk die hij in zijn eigen oog draagt. Een splin­­ter is het begin van een balk. Want voordat een balk een balk kan worden, moet hij eerst een splin­ter zijn ge­weest. Door een splinter water te geven, laat je hem uit­groeien tot een balk. En door je boosheid te voeden met verdachtmakingen­, laat je haar uit­groeien tot haat. 
     Er bestaat echter een groot verschil tussen de zon­­­de van iemand die boos wordt en de wreedheid van ie­mand die haat. We zijn al­lemaal wel eens boos op onze kin­­­de­ren. Maar is er iemand die zijn kinde­ren haat? Iets dergelijks komt bij de dieren ook voor. Soms kan de moe­der­koe het ge­woon even niet hebben dat haar kalf bij haar wil drinken en dan duwt ze het boos van zich af. Maar toch sluit ze het kalf in haar moeder­hart. Als het zich aan haar opdringt, kan ze het vervelend vinden, maar als het niet in de buurt is, gaat ze het zeker zoe­ken. Wij voeden on­ze kinderen op dezelfde ma­nier op, soms worden we boos en dan mopperen we op ze. Maar we kunnen hen ook al­­leen maar opvoeden doordat we van hen houden. We weten nu dat het niet zo is dat iedereen die boos wordt, per de­finitie ook haat. We weten ook dat niet boos wor­den vaak een over­tuigender bewijs van haat is dan wel boos wor­den. Stel dat een kind bijvoorbeeld in het water van een ri­vier wil spe­len, en dat er in die rivier een le­vensgevaarlijke stro­ming zit. Als u het ziet spelen, en u laat het zijn gang maar gaan, dan is dat een teken dat u het haat. Uw lakse houding heeft dan de dood van zo'n kind tot gevolg. Het is toch veel beter om boos op te worden op zo’n kind en het te­recht te wij­zen dan om er niet boos op te worden en het kind te la­ten omko­men!
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004, p. 448-449.

24ste zondag door het jaar 
bij Mt 18,21-35  uit Augustinus' sermo 83,2:

Deze gelijkenis legt de Heer Jezus ons voor­ om ons te onderrichten. Hij wil ons waar­schu­wen en zo voor­komen dat we verloren gaan. "Zo zal ook uw hemelse Vader met u doen," zegt Hij, "als niet ieder van u zijn broeder van ganser harte ver­geeft." (Mt 18,35) Ziet u, broe­ders en zusters, de zaak is dui­delijk, het is een nut­tige waarschuwing. We zijn Hem een bijzonder heilzame gehoor­zaam­heid schul­dig, want dan wordt vervuld wat opgedragen is. Iedereen staat bij God in de schuld, en iedereen heeft ook wel weer een ­ander die bij hemzelf in de schuld staat. Ieder van ons staat bij God in de schuld, behalve degene die zonder zonden is, die niet. Ieder van ons heeft wel iemand die bij ons in de schuld staat. Alleen als er niemand tegen je zondigt, is er niemand die bij je in de schuld staat.­­ Denkt u soms dat er in het he­le mens­dom ook maar iemand te vin­den is, die ook zelf niet door een ­zonde aan een ander vast­zit?

       Iedereen staat dus bij iemand in de schuld, en iedereen heeft ook wel weer iemand die bij hemzelf in de schuld staat. Daarom geeft de rechtvaardige God u een richtsnoer voor hoe u moet omgaan met iemand die bij u in de schuld staat. Het is een richtsnoer dat Hijzelf ook zal volgen als iemand bij Hem in de schuld staat: er zijn twee werken van barm­har­tig­heid die ons be­vrijden en die de Heer zelf in het evan­gelie kernachtig heeft omschreven: "Spreek vrij, en u zult vrijgesproken worden. Geef, en u zal ge­geven wor­den." (Lc 6,37-38) Bij “spreek vrij, en u zult vrij­gesproken wor­den” (Lc 6,37) gaat het om het vergeven. Bij “geef, en u zal ge­ge­ven worden” (Lc 6,38) gaat het om het doen van een goed werk.
    Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004, p. 463-464.

25ste zondag door het jaar 
bij Mt 20,1-16   uit Augustinus' sermo 87,1:

Uit het heilig evangelie hebt u een gelijke­nis gehoord, die heel goed bij de tijd van het jaar past: die over de arbeiders die in de wijn­gaard werken (Mt 20,1-16). Net nu het de tijd is van de wijn­oogst! Er be­staat ook nog een andere wijn­oogst, een geestelijke, waarbij God zich verheugt op de op­­brengst van zíjn wijn­gaard. Want wij bewer­ken ­en vere­ren God, en God bewerkt en vereert ons. Maar niet op de­zelfde manier: als wij God bewerken, kunnen we geen be­te­re God van Hem maken. Want wij bewerken Hem niet door Hem te be­ploe­gen, maar door Hem te aanbidden. God bewerkt ons zoals een boer zijn land bewerkt. Als Hij ons bewerkt, maakt Hij dus betere mensen van ons, net zoals een boer zijn land beter maakt door het te bewerken. De op­brengst die God van ons verwacht, is dat wij Hem ­bewer­ken. Als Hij ons bewerkt, richt Hij zich op ons in­ner­lijk. Dat betekent dat Hij nooit zal ophouden het on­kruid uit ons hart te verwijderen met zijn woord, ons hart als het ware open te scheuren met de ploeg van de preek, er het zaad van zijn geboden in te zaaien en ver­volgens op de opbrengst te wachten: onze toewij­ding. Als we ons hart op zo’n manier door Hem la­ten bewerken dat we Hem ­bewerken zoals het hoort, stel­len we ons zeker niet on­dankbaar je­gens onze wijngaar­denier op. Integendeel, dan schenken we Hem de op­brengst waarop Hij zich verheugt. Een opbrengst die Hem niet rij­ker maakt, maar ons wel ge­lukkiger.
    Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004, p. 491.

 

Top

Tijd door het jaar oktober - november  

 

26ste zondag door het jaar 
bij Mt  21,28-32  uit Opus Imperfectum 40 (PG 56,849) 

Wie anders is de vader uit deze gelijkenis dan de God die alle mensen schiep en hen liefheeft met vaderlijke genegenheid? Hij verkoos liever als een vader bemind te worden dan als een heer te worden gevreesd, hoewel Hij uiteraard heer is. Aan het begin van de tien geboden van de wet zei Hij daarom niet dat je de Heer moet vrezen met heel je hart, maar: "Je zult de Heer liefhebben met heel je hart" (Dt 6,5). De oproep tot liefde is niet karakteristiek voor een heer maar voor een vader. De oudste zoon uit deze gelijkenis vertegenwoordigt de heidenen, want zij stammen af van hun vader Noach; de jongste zoon vertegenwoordigt de joden, die van Abraham afstammen. En toen de vader eerst de oudste benaderde, zei hij: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Vandaag slaat op de tegenwoordige tijd. En hoe benaderde die vader zijn zoons? Hij richtte zich niet tot hen van aangezicht tot aangezicht, maar hij sprak hen aan in  hun hart zoals God. Mensen reiken met hun woorden slechts tot de oren van een ander, maar God levert inzicht aan het verstand.
    Uit: Manlio Simonetti (ed), Ancient Christian Commentary on Scripture: New Testament 1B, - Downer's Grove (USA) : Inter Varsity Press 2002, p. 135-136.

27ste zondag door het jaar 
bij Mt 21,33-43  uit Augustinus' sermo 87,3: 

De wijngaardenier heeft dus eerst een wijngaard aan­gelegd en die vervolgens aan wijnbouwers verpacht, aldus de Heer Jezus Christus zelf (Mt 21,33). De wijn­bouwers moes­ten op gezette tijden een deel van de opbrengst aan de wijngaardenier afdra­gen. Hij stuurde zijn dienaren dus naar hen toe om de vruchten van de wijngaard te gaan ha­len. Maar ze schol­den de dienaren uit, doodden er zelfs een paar en weigerden de op­brengst af te dragen. Daarop stuurde hij anderen, maar die onder­gingen hetzelfde lot. Toen zei de land­eigenaar, dat wil zeggen: degene die zijn eigen akker had be­werkt, die zijn eigen wijngaard had aangelegd en ver­pacht: "Ik zal mijn enige zoon sturen, hem zullen ze toch wel ontzien!" En hij stuurde zijn zoon, zoals er staat. Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: "Daar heb je de erfge­naam! Kom op, we doden hem. Dan is de erfenis van ons!" Ze doodden hem dus en gooiden hem de wijn­gaard uit. Wat denkt u dat de eigenaar van de wijngaard met die vuige wijnboeren gaat doen, wanneer Hij komt? Het ant­woord luidt: Die ellendelingen zal hij een ellen­di­ge dood bezorgen! En de wijn­gaard zal hij aan andere wijn­bou­wers verpach­ten, die de op­brengst wel aan hem afdra­gen zoals afgesproken." (Mt27,34-41)
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p.  492.

28ste zondag door het jaar 
bij Mt 22,1-14  uit Augustinus' sermo 90,6: 

Wat is die bruiloftskleding dan? Dit is de bruiloftskleding: de liefde, die voortkomt uit een zuiver hart, een goed geweten en een on­ge­veinsd geloof (1 Tim 1,5), althans, zo zegt Paulus het als hij het heeft over het doel van een gebod. De liefde, dát is de bruiloftskleding! Maar niet zomaar iedere liefde. Heel vaak zie je dat mensen met een slecht geweten ook op el­kaar gesteld zijn. Mensen die samen roofovervallen ple­gen, samen mis­daden begaan, met dezelfde ac­teurs dwe­pen en in het stadion dezelfde wagenmenners en jagers aanvu­ren, zijn heel vaak op elkaar gesteld. Maar dat is anders, dat is geen liefde die voort­komt uit een zuiver hart, een goed ge­we­ten en een ongeveinsd geloof. Alleen die laatste liefde is de bruilofts­kleding. 
      "Al spreek ik met de tongen van mensen en engelen," zegt Paulus, "als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cim­baal." (1 Kor 13,1) Daar kwamen alleen de tongen, en ­ze kregen te horen: "Hoe zijn jullie hier binnengekomen zon­der bruilofts­kle­ding?" (Mt 22,12) Paulus vervolgt dan: "Al heb ik de gave van de profetie, al weet ik de kennis van alle geheimen, al heb ik een geloof dat bergen zou kunnen verzetten, als ik de liefde niet heb, ben ik niets." (1 Kor 13,2) Ziet u, dat zijn nu de wonde­rdaden van mensen die meestal geen bruiloftskleding aan­heb­ben. Als Paulus alle genoemde dingen wel heeft, maar hij heeft Christus niet, dan is hij niets (1 Kor 13,2). Want hij zegt duidelijk: "Als ik de liefde niet heb, ben ik niets." 
      Dus de gave van de profetie is niets? En de kennis van de gehei­men? Is die ook niets? Jawel, de gave van de profetie en de kennis van de geheimen zijn wel degelijk iets, maar ík ben niets als ik die wel heb, maar de liefde niet. Hoeveel goede dingen zijn er niet die niets meer voor­stellen als er één goed ding ontbreekt? Als ik de liefde niet heb, maar wel over­vloedig aal­moezen geef aan de armen, wel om de naam van Christus te kun­nen belij­den zover ga, dat ik mijn bloed wil vergieten en dat ik de vuur­dood wil on­der­gaan - die dingen kunnen ook gebeu­ren uit zucht naar roem - dan zijn dat ijdele bezigheden. Paulus somt al deze dingen één voor één op, omdat ze juist door zucht naar roem ijdel kunnen worden, in plaats van rijk door toegewijde liefde.­­ Luister maar: "Al deel ik mijn bezit uit aan de armen, al geef ik mijzelf prijs aan de vuurdood, als ik de liefde niet heb, helpt het mij niets." 
      Dat is dus de bruiloftskleding, die liefde. Ga het maar na bij uzelf. Als u bruilofts­kleding hebt, kunt u gerust deelnemen aan de maaltijd van de Heer. Ie­dere mens heeft twee aandriften: zijn liefde en zijn begeerte. Laat de liefde in u geboren worden als dat nog niet gebeurd is. Is dat al wel ge­beurd, voed haar dan, koester haar en laat haar groeien. 
      Uit: : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p.  546-547.

29ste zondag door het jaar 
bij Mt 22,15-21  uit Augustinus' sermo 90,10: 

Zo moet je vooruitgang boeken. Zo moet de liefde ­groeien en tot volmaaktheid komen. Zo moet de bruiloftskleding worden aan­getrokken. Zo moet het beeld van God waarnaar wij geschapen zijn (Gn 1,26), door onze voort­gang zijn oorspronkelijke vorm herkrijgen. Want door onze zonden was het ­vervaagd van vorm, afgesleten. Hoezo dat, afgesleten en ­vervaagd van vorm? Omdat het de hele tijd over de grond heeft geschuurd. Over de grond schuren, wat betekent dat? Dat het versleten raakt door aardse be­geer­ten. Want het is in zijn aardse wandeling wel het beeld van God, maar dat beeld raakt vertroebeld en vervaagt­ (Ps 37 (38),7). Bij het beeld van God zoek je naar waar­heid, niet naar vaagheid. Door liefde voor de waarheid moet het beeld, waarnaar wij ge­schapen zijn, ­zijn oude vorm herkrijgen, en ­zo als munt met zijn eigen beeldenaar aan onze Keizer ­­worden teruggegeven (Mt 22,21). 
     Want zo hebt u het gehoord in het antwoord dat de Heer aan de jo­den gaf toen ze Hem op de proef wilden stellen: "Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? Laat Mij de belastingmunt eens zien." (Mt 22,18-19) Daarmee be­doelde Hij de afbeelding van de keizer en het opschrift. "Laat Mij eens zien waarmee u betaalt, wat u voor de belasting opzij legt en wat u betalen moet. Laat Mij dat eens zien." En toen lieten ze Hem een denarie zien. Daarop vroeg Hij van wie de afbeelding en het op­schrift waren (Mt 22,20). Ze zeiden Hem: "Van de keizer." (Mt 22,21) 
     Net als God vraagt die keizer dus om zijn eigen afbeelding. De keizer wil niet dat hem ontglipt wat hij heeft bevolen, God wil niet dat Hem ont­glipt wat Hij heeft gemaakt. De keizer, broeders en zusters, heeft zelf nooit geld gemaakt. Dat doen de muntmeesters voor hem. Het wordt aan vaklieden opgedragen. Hij laat het dus aan zijn die­naren over. Op het geld staat de afbeel­ding van de keizer. Maar toch vraagt hij om iets wat an­deren erop gezet hebben. Hij is het die spaart, hij wil niet dat hem onthouden wor­dt wat hem toekomt. De munt van Christus is de mens. Daarop staat de afbeelding van Christus, de naam van Christus, de zending van Christus en de taken van Christus. 
     Uit: : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p.  553-554.

30ste zondag door het jaar 
bij Mt 22,34-40  uit Augustinus' sermo 90A,7: 

De regel luidt als volgt: U zult uw naaste liefheb­ben als uzelf (Mt 22,39). Ik zeg niet meer: U zult uw kind liefhebben als uzelf, uw vrouw, de buurman met wie u bevriend bent, of de buurman die iedereen kent­­. Misschien ant­woordt u dan wel: "Die heb ik allemaal lief." Maar het gaat mij er vooral om ­te onderzoeken of u zichzelf liefhebt. Dat is de essentie van het hele gebod, daarom draait het hele probleem: je zult je naaste niet kunnen liefhebben als jezelf, zolang je jezelf nog niet liefhebt. 
     "Bestaat er dan iemand," zult u vragen, "die zich­zelf niet liefheeft?" Ik voor mij zou wel eens iemand wil­­len ontmoeten die zichzelf wel lief­heeft! Ik let na­­me­lijk niet op hoe een schepsel dwaalt, maar op wat de Schepper leert. Hij heeft ons gemaakt, Hij kent ons be­ter. Laten we dus naar Hem luisteren. U zei: "Ik heb mezelf lief. Als ik honger heb, geef ik mijn li­chaam te eten omdat ik mezelf lief­heb, ik wil niet moe worden van de inspan­nin­g omdat ik mezelf liefheb, ik wil niet worden gehinderd door gebrek om­dat ik mezelf lief­heb, ik wil geen koorts hebben omdat ik mezelf lief­heb, en ik wil geen pijn lijden omdat ik mezelf liefheb." Maar dat is allemaal nog niet het bewijs waar ik u om vroeg. 
       Wilt u horen wat Hij zegt, die u heeft gemaakt? "U hoeft alleen maar te weten hoe goed het is om uzelf heel erg lief te hebben, dan hebt u tenmin­ste de ongerechtig­heid niet lief. Want wie de onge­rech­tig­heid lief­heeft, haat zijn ziel.” (Pws 10,6) Ik stel u geen vra­gen, u moet zichzelf vragen stellen. Als u wilt profiteren van andermans el­len­de, als u wilt dat het een ander slecht vergaat op­dat het u goed vergaat, ja, als u het zo wilt, als u dat wilt, dan hebt u de onge­rech­tig­heid lief, dan haat u uw ziel. “En als u uw ziel haat,” zegt de Heer, “kan Ik uw naaste niet aan u toever­trouwen om hem lief te hebben als uzelf. Moet Ik u een ander toevertrouwen om er twee te zoeken? U hebt zichzelf ­­te gronde gericht, zult u Mij dan redden?” In de eerste plaats moet u zichzelf dus lief­heb­ben. Pas dan kunt u uw naaste liefhebben als u­zelf.
     Uit: : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p.  559-560. 

1 november - Allerheiligen
bij Mt5,1-12a 
2 november - Allerzielen
bij Joh 17,24-36
zie Liturgisch jaar >  Allerzielen en boek Wat kunnen wij voor de doden doen ? = Augustinus' De cura pro mortuis 

31ste zondag door het jaar 
bij Mt 23,1-12  uit Augustinus' sermo 74,3: 

Als de Heer niet eerst had gezegd dat die slechte mensen op de stoel van Mo­zes zaten (Mt 23,2), zou Hij ons nooit hebben gezegd dat we naar hen moesten luisteren. ­­­Want wat ze uit de slechte voorraad van hun hart tevoorschijn ha­len, is iets heel anders dan wat ze als heraut van de Rechter vanaf de stoel van Mozes laten horen. De uit­spra­ken van een heraut mogen nooit aan hemzelf worden toegeschre­ven als hij ze namens de rechter doet. Wat een heraut in zijn eigen huis zegt, is iets heel anders dan wat hij namens de rechter zegt. Want of hij het nu wil of niet, het is de taak van een heraut om iedere veroordeling over te brengen, zelfs die van zijn ­eigen vriend. Ook moet hij of hij het nu wil of niet, de vrij­spraak van zijn eigen vijand overbren­gen. Doet hij zijn uit­spra­ken vanuit zijn hart, dan spreekt hij zijn vriend vrij en straft hij zijn vij­and. Doet hij zijn uitspraken vanaf de stoel van de rech­­ter, dan straft hij zijn vriend en spreekt hij zijn vij­and vrij. 
      Uit: : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p.  371.

32ste zondag door het jaar 
bij Mt 25,1-13 uit Augustinus' sermo 93,10: 

Ziet u, de domme maagden die geen olie bij zich hadden,­ willen de mensen behagen, door hun onthou­ding - die er de reden van is dat ze maagd worden genoemd­ - en door hun goede werken - iedereen kan zien dat ze lampen dragen. Maar als ze de mensen willen behagen en daarom die prijzenswaardige dingen doen, dan hebben ze geen olie bij zich. U moet dus olie bij zich hebben­, vanbinnen, waar God ziet. Daar moet u het ge­tui­genis van uw geweten dragen. Maar als u naar het getuigenis van een ander wandelt, hebt u geen olie bij zich. Als u zich ont­houdt van wat niet mag, en goede werken doet om u door de mensen te laten prijzen, dan hebt u van binnen geen olie bij zich. 
      Om kort te gaan, vanaf het moment dat de mensen u niet meer prijzen, gaat uw lamp steeds zwakker bran­den. Let dus goed op, geliefde broeders en zusters. Voordat de maagden ­­in slaap vielen, staat er nergens dat hun lam­pen uitgingen. De lampen van de verstandige maag­den brandden op de olie die zich in hen bevond, hun ge­ruste geweten, hun innerlijke roem, hun diepste lief­de. Toch brandden de lampen van de domme maagden ook. Waarom brand­­den die op dat moment? Omdat het hun niet ontbrak aan lofprijzingen van de mensen. 
      Maar nadat ze waren opgestaan, dat betekent: in de verrijzenis uit de doden, begonnen ze hun lampen in orde te maken: begonnen ze zich erop voor te be­rei­den om tegenover God rekenschap geven van hun goede werken. En omdat er dan niemand is om je te prij­zen, heb je ruim de tijd voor je eigen zaken. Ie­dereen denkt dan aan zich­zelf. Er was dus niemand die olie verkocht. Hun lampen begonnen steeds zwakker te branden, en de domme maagden richtten zich tot de vijf verstandige: "Geef ons van jul­lie olie, want onze lampen gaan uit." (Mt 25,8) Dat zeiden ze omdat ze dat gewend waren, dat wil zeggen: licht geven op de olie van een ander, ­­leven naar de lofprijzingen van een ander. “Geef ons van jullie olie, want onze lam­pen gaan uit.” 
      Uit: : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p.  585.


33ste zondag door het jaar 
bij Mt 25,14-30  uit Augustinus' sermo 94: 

U hebt in het evangelie niet alleen over het loon van de goede dienaren gehoord, maar ook over de straf van de slech­te. En waarin bestond de slechtheid ­van de die­naar die werd af­ge­keurd en zwaar veroordeeld? De hele slecht­­heid bestond hier­in dat hij het bedrag dat hij had ont­van­gen, niet had willen uitgeven (Mt 25,26-27). Hij had het opge­bor­gen en er niets mee gedaan. Maar zijn heer vroeg de ren­te op! God is hebzuchtig als het gaat om ons heil. Als ie­mand die niets investeert al zo zwaar wordt veroor­deeld (Mt 25,30), wat staat degenen die verlies maken, dan wel niet te wachten? 

      Wij bisschoppen zijn bankiers, wij zetten kapitaal uit, en u, u neemt het in ontvangst. Wij vragen rente; aan u de taak om goed te le­ven! Want dat is de opbrengst die wij uit onze investe­rin­gen halen. Maar ­die investe­rin­gen hebben dan ook wel degelijk iets met u te maken. Denk maar niet dat dit niet zo is. U kunt niet investeren vanaf een verhoging als deze, maar verd­er wel over­al waar u ook maar bent. Als Chris­tus wordt aan­ge­val­len, verde­dig Hem dan. Dien ze van re­pliek, die beroepskankeraars. Wijs ze terecht, die kwaadsprekers. Blijf bij ze uit de buurt. Zo kunt u investeren: door een paar mensen te winnen. 
      Doe hetzelfde werk als ik, maar dan in uw eigen huis. Een bisschop wordt zo genoemd omdat hij toezicht houdt, omdat hij door over de mensen te waken voor hen zorgt. Ie­dereen moet dus in zijn eigen huis, als je tenminste ge­zinshoofd bent ..., iedereen moet het als zijn taak beschouwen om toezichthouder te zijn, om erop te letten hoe de zijnen ge­lo­ven, dat niemand van hen zich blindelings in een kette­rij stort, zijn vrouw niet, zijn zoon niet, zijn dochter niet, en ook zijn dienaar niet omdat die voor zoveel is gekocht. De leer van de apostel heeft aan de heer de leiding gegeven over de dienaar, en de dienaar ondergeschikt ge­maakt aan de heer (Ef 6,5). Maar Christus heeft voor beiden een en dezelfde prijs gegeven. De minsten on­der u mag u niet minachten. U moet met de grootst moge­lij­­ke waak­zaamheid voor het heil van uw huisgenoten zorgen. Als u dat doet, investeert u. Dan zult u geen luie die­naar zijn, dan zult u niet bang hoeven te zijn voor zo’n afschuwelijke ver­oordeling.
      Uit: : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, - Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p. 590-591.

Christus Koning  34ste zondag door het jaar
bij Mt 25,31-46
Christus, Koning van het heelal   uit Augustinus' sermo 239,7: 

Misschien zegt u nu wel bij uzelf: "Zalig zij die het geluk hebben gehad Christus te mogen ontvangen. O, was ik er toen maar bij geweest! Was ik maar een van die twee geweest, die Hij onderweg tegenkwam!" Zorg dat u onderweg bent, dan zult u Christus uw gast niet mislopen. Denkt u nu echt, dat het u niet meer vergund is Christus te ontvangen? Waarom zegt u "niet meer vergund"? Al bij zijn verrijzenis is Hij verschenen aan zijn leerlingen, steeg Hij op ten hemel en zit daar aan de rechterhand van de Vader. Hij zal pas komen aan het einde der tijden om over de levenden en de doden te oordelen. Maar Hij zal komen in roem, niet in zwakheid. Hij zal zijn Rijk schenken (Mt 25,34), geen onderdak zoeken. Is u ontschoten wat Hij zal zeggen, wanneer Hij het Rijk zal schenken? "Wat u voor één van mijn geringsten hebt gedaan, dat hebt u voor Mij gedaan." (Mt 25,40) Deze rijke is arm tot aan het einde der tijden. Hij is wel degelijk behoeftig, niet als hoofd, maar in zijn ledematen. Waar was Hij arm, in wie leed Hij smart toen Hij zei: "Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij?" (Hnd 9,4) We moeten Christus dus volgen. Hij is met ons in zijn ledematen en met ons in onszelf. 
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar, - Baarn : Ambo 1996, p. 145.

Top

 

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
Van aangezicht tot aangezicht
Van aangezicht tot aangezicht: Preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [sermones de scripturis 51-94] / Aurelius Augustinus; vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar; ingeleid door Joost van Neer. - Budel: Damon, 2010.- 676 p. (2de gew. herdruk) Pb. - ISBN: 978-94-6036-181-4 € 40,00 lees verder
21 Mei 2019