Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Adv03

Advent : Lichtje ga nimmer, ga nimmer meer uit !

Wie het woord advent in de Grote Van Dale opzoekt, vindt de volgende omschrijving: “Tijd van voorbereiding voor het kerstfeest; de vier weken [helemaal correct zou zijn: de vier zondagen] voor Kerstmis door de kerken gewijd aan de naderende komst des Heren, beginnende op de zondag tussen 26 nov en 4 dec.” Komst, dat is wat het woord letterlijk betekent. Advenire is komen, aankomen.

Op de eerste zondag van de Advent wordt deze tijd van voorbereiding voor het kerstfeest, deze tijd van toegroeien naar de geboorte van God als mens, die in de nacht van 24 op 25 december zal plaatsvinden, in vele kerken ingeluid met een vrolijk lied, dat uit vier coupletten bestaat (zoveel als er zondagen zijn), maar waarvan op de eerste zondag natuurlijk slechts het eerste kan worden gezongen: “Het is weer zover, het is weer advent, kijk hoe het eerste kaarsje brandt! Een vuurtje dat loopt, dat maakt ons bekend, licht zal er komen, licht in het land!”

Terwijl de dagen korten, wordt het verlangen naar licht steeds heviger. Totdat de kortste dag is bereikt, gebruiken we in toenemende mate en intensiteit kunstlicht. Dat blijkt ook al uit het liedje: met het verstrijken van de weken gaan er meer kaarsjes aan. Dit kunstlicht is een voorafbeelding van en een voorbereiding op de komst van het ware Licht, dat wil zeggen: Christus, God en mens.

Het zal duidelijk zijn, advent is een periode van vreugde, een climax die een hoogtepunt zal bereiken in de komst van de Heer. Deze komst was al aangekondigd door de profeet Jesaja. “Zie, een maagd zal zwanger worden en een zoon baren,” staat er in Js 7,14b. Dit is het teken waaraan men Hem zal herkennen (Js 7,14a).

In het Nieuwe Testament wordt er twee maal naar deze tekst terugverwezen. In het evangelie volgens Matteüs spreekt een engel (Gabriël?) hem uit tegenover Jozef (Mt 1,23a) en in dat volgens Lucas (Lc 1,31a) de engel Gabriël tegenover Maria. Het teken van God (Js 7,14a) heeft zo’n krachtige uitwerking, dat Jozef, die eerst van Maria had willen scheiden omdat ze zwanger was, maar niet van hem, doet wat er van hem wordt gevraagd (Mt 1,24a) en Maria toch tot vrouw neemt (Mt 1,24b). Ook Maria, die als geen ander weet dat ze geen gemeenschap heeft gehad met een man (Lc 1,24b), voegt zich naar de situatie. “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd,” zegt ze tegen de engel (Lc 1,38b).

Staat bij Jozef (Mt 1,18-25) de vervulling van het teken centraal, bij Maria gaat het om de vreugde. Deze wordt in het evangelie volgens Lucas in drie fasen vormgegeven. Eerst bij monde van de engel: “Gegroet, Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je” (Lc 1,28b-c, de beginwoorden van het Wees gegroet), vervolgens in het feit dat het nog ongeboren kind van Elisabet, Johannes de Doper, in de buik van zijn moeder opsprong, toen die het bericht hoorde (Lc 1,41b) en ten slotte in de lofzang van Maria, het Magnificat (Lc 1,46-55).

Augustinus verwerkt al deze gegevens in verschillende preken: de bedachtzame en goede Jozef, de serieuze en trouwe Maria en het bijzondere kind dat aan hun zorgen is toevertrouwd. Het is het kind dat, als God en mens tegelijk, een tegenwicht vormt voor de mens. Het leven van de oude, aardse mens wordt gesymboliseerd door de kortende dagen, dat van de nieuwe, hemelse door de lengende dagen. De laatste dagen voor het keerpunt tussen beide wordt gemarkeerd door het gebruik van kunstlicht, nog niet het echte licht, maar wel een aankondiging van de komst ervan. Bestaat er een mooier symbool van de hoop, dan dat er in een periode waarin het, naar iedereen weet, nog een tijdlang slechter zal gaan, lampen kunnen worden ontstoken, waarvan het licht eens naadloos zal overgaan in het ware licht?

Dat is de bedoeling van de kaarsjes in het adventsliedje, de voorbereidende vreugde die de ware Vreugde, het ware Licht aankondigen: “Wat een geluk en zing het maar luid: Lichtje, ga nimmer, ga nimmer meer uit!”

Tekst: Joost van Neer
Literatuur : Augustinus heeft geen speciale adventspreken gehouden. Gedachten over advent, kerst en epifanie zijn te vinden in de sermones 51, 184 tm 196A, 199-204A, 373-375. - Zie hiervoor o.a. de bundels : Van aangezicht tot aangezicht, Als licht in het hart, Als lopend vuur. Zie voor bibliografische informatie ook de databank Opera Omnia van Augustinus = Overzicht van Augustinus\' Werken bij het werk Sermones

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019