Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Ker02

Kerst: De geboortedag van de Heer : preek 186

 

In onze tijd zijn het met name de verhalen uit Lucas 2 en Matteüs 1-2 die de Kerstsfeer bepalen. In die teksten draait het om de geboorte van Jezus en om de verkondiging daarvan aan de herders en de wijzen. Tijdens de Kerstviering worden ze voorgelezen en in de preek worden ze van commentaar voorzien en geactualiseerd.
Ook de kerkvader Augustinus (354-430), bisschop van de Noord-Afrikaanse stad Hippo Regius, maakte voor zijn preken gebruik van deze teksten. Bij hem vormden ze echter niet het zwaartepunt van zijn Kerstprediking. Hij gebruikte ze veeleer als illustratie om iets wat in de ogen van veel mensen van die tijd onvoorstelbaar was, te concretiseren: de incarnatie of vleeswording van God.
Van het vijftiental Kerstpreken dat van Augustinus is overgeleverd, is preek 186 in onze ogen misschien wel de minst toegankelijke. In deze uitermate compacte preek komen de bekende Kerstverhalen nauwelijks aan de orde. De hele preek draait om de twee naturen van Christus: de goddelijke, die Hij altijd al had en die Hij bij zijn geboorte als mens niet aflegde, en de menselijke, die Hij in de tijd aannam.
Nadat Augustinus zijn toehoorders aan de hand van Ps 66 (67),5 heeft aangespoord tot vreugde, koppelt hij de geboorte van God uit een maagd (de essentie van Lucas 2) onmiddellijk aan de gedachte dat het Woord vlees is geworden (Joh 1,14). Hoewel de kwestie van de twee naturen in de geloofsbelijdenis tot een regel is verwerkt, zijn er mensen die haar niet zonder slag of stoot aanvaarden. Die mensen, die apollinaristen worden genoemd, willen nog wel geloven dat een mens kan worden verheven, maar weigeren aan te nemen dat God kan worden verlaagd. Tegenover hen citeert Augustinus de evangelist Johannes (1,14 en 1,1).
Om zijn betoog kracht bij te zetten komen er ook nog drie aanhalingen uit de brieven van de apostel Paulus bij (Filippenzen 2,6-8, Romeinen 1,1-3 en Galaten 4,4), waaruit helder blijkt dat de Zoon van God door zijn geboorte uit een moeder, een mens, de zoon van de mens (Mensenzoon) is geworden.


Preek 186 : op de geboortedag van de Heer



[1]  Laten we ons verheugen, broeders en zusters: laten de naties jubelen van vreugde (Ps 66 (67),5). Niet de zichtbare zon, maar de onzichtbare Schepper ervan, heeft deze dag voor ons geheiligd (vgl. Joh 1,3; Kol 1,16). Dat gebeurde toen de maagdelijke moeder Hem die voor ons zichtbaar is geworden, Hem door wie ook zij, toen Hij nog onzichtbaar was, was geschapen, uit haar vruchtbare schoot en haar onaangetaste geslacht voortbracht. Een ontvangende maagd, een barende maagd; een zwangere maagd, een vruchtbare maagd; een maagd voor altijd.
Waarom verwonder je je hierover, mens? God moest zo worden geboren omdat Hij mens wilde worden. Zo maakte Hij haar, Hij die ontstond uit haar. Want voordat Hij ontstond, was Hij. En omdat Hij almachtig was, kon Hij ontstaan en tegelijk blijven wat Hij was. Hij maakte zich een moeder, hoewel Hij bij de Vader was; en hoewel Hij uit een moeder ontstond, bleef Hij in de Vader. Hoe zou Hij ermee kunnen ophouden God te zijn, toen Hij ermee begon mens te zijn, Hij die het de vrouw die Hem voortbracht, mogelijk maakte om er niet mee op te houden maagd te zijn, toen ze baarde?
Dat het Woord vlees is geworden (Joh 1,14), betekent niet dat het Woord eerst ten onder is gegaan en vervolgens in vlees is veranderd. Nee, om te voorkomen dat het ten onder ging, is het vlees naar het Woord toegegaan. Zoals de mens ziel en lichaam is, zo moest Christus God en mens zijn. Hij die mens is, is ook God, en Hij die God is, is ook mens; niet door een vermenging van de natuur, maar door de eenheid van de persoon. Kortom, Hij die de Zoon van God is, is eveneeuwig aan Hem die Hem voortbrengt, en Hij is altijd uit de Vader. Hij is dezelfde die als zoon van de mens voortkwam uit een maagd. Zo werd de mensheid aan de godheid van de Zoon toegevoegd, terwijl er toch geen vier-eenheid van personen ontstond. Nee, de Drie-eenheid blijft gewoon bestaan.

[2] De mening van sommige mensen die minder goed opletten bij de geloofsbelijdenis en bij de uitspraken in de geschriften van God, mag dus niet ongemerkt invloed krijgen op u. Want die mensen zeggen: "Hij die de zoon van de mens is, is de Zoon van God geworden; maar Hij die de Zoon van God is, is niet de zoon van de mens geworden". Ze deden hun best om de waarheid te zeggen, maar waren niet in staat om haar onder woorden te brengen. Want wat wilden ze anders zeggen, dan dat de menselijke natuur wel in iets beters kon veranderen, maar de goddelijke niet in iets slechters? Dat is de waarheid. Maar hoe dan ook is het Woord, zonder dat de goddelijke natuur ook maar enigszins in iets slechters is veranderd, toch vlees geworden (vgl. Joh 1,14).
Want het evangelie zegt niet: "Het vlees is Woord geworden". Nee, het zegt: "Het Woord is vlees geworden" (Joh 1,14). En het Woord is God, want God was het Woord (Joh 1,1). En wat is vlees anders dan mens? Want in Christus is het vlees van de mens niet zonder ziel. Vandaar dat Hij zegt: "Mijn ziel is dodelijk bedroefd" (Mt 26,38). Als het Woord dus God is, en de mens vlees, wat betekent: "Het Woord is vlees geworden" (Joh 1,14) dan anders dan: Hij die God was, is mens geworden? En daardoor is Hij die de Zoon van God was, de Zoon van de mens geworden. Hij deed dat door het lagere aan te nemen, niet door het betere te veranderen; door aan te nemen wat Hij niet was, niet door kwijt te raken wat Hij wel was.
Want hoe zouden we in de geloofsbelijdenis kunnen belijden dat we geloven in de Zoon van God, geboren uit de maagd Maria, als niet de Zoon van God, maar de Zoon van de mens is geboren uit de maagd Maria? Welke christen zou nu ontkennen dat de Zoon van de mens uit die vrouw werd geboren, maar dat God toch mens is geworden en dat de mens op die manier God is geworden? Want God was het Woord, en het Woord is vlees geworden (Joh 1,1; 1,14). We moeten dus het volgende belijden: Hij die de Zoon van God was, heeft om uit de maagd Maria te kunnen worden geboren, de gestalte van een slaaf aangenomen (vgl. Fil 2,7) en is de zoon van de mens is geworden; Hij bleef wat Hij was, en nam aan wat Hij niet was; Hij werd datgene waarin Hij minder is dan de Vader (vgl. Joh 14,28), en bleef altijd in datgene waarin Hij één is met de Vader (vgl. Joh 10,30).

[3]  Want als Hij die altijd de Zoon van God is, niet zelf de zoon van de mens is geworden, hoe kan de apostel dan over Hem zeggen: "Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens is Hij verschenen" (Fil 2,6-7)? Want niemand anders dan Hij die de gestalte van God had en gelijk was aan de Vader (vgl. Fil 2,6), die in ieder geval Gods enige Zoon is (Joh 3,18), deed afstand van zijn gelijkheid aan God en werd gelijk aan een mens (vgl. Fil 2,7). Niemand anders dan Hij die de gestalte van God had en gelijk was aan de Vader (vgl. Fil 2,6) heeft zich vernederd (Fil 2,8); niet iemand anders, maar zichzelf. Hij werd gehoorzaam tot in de dood, de dood aan een kruis (Fil 2,8). Dit alles heeft de Zoon van God alleen maar kunnen doen in die gestalte waarin Hij de zoon van de mens is.
En als Hij die altijd de Zoon van God is, niet zelf de zoon van de mens is geworden, hoe kan de apostel dan tegen de Romeinen zeggen: "Ik ben uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen, dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften was beloofd: het evangelie over zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David" (Rom 1,1-3)? Ziet u wel: de Zoon van God, wat Hij altijd was, is als mens voortgekomen uit het nageslacht van David, wat Hij niet altijd was.
En als Hij die de Zoon van God is, niet zelf de zoon van de mens is geworden, hoe kan God dan zijn Zoon hebben gezonden, geboren uit een vrouw (Gal 4,4)? Met het woord vrouw wordt in de Hebreeuwse taal niet de maagdelijke waardigheid ontkend, maar het vrouwelijke geslacht aangeduid. Want wie zou er anders door de Vader zijn gezonden dan Gods enige Zoon (Joh 3,18)? Hoe kan Hij dus anders uit een vrouw zijn geboren dan doordat Hij die bij de Vader was en die de Zoon van God was, werd gezonden en is geboren als de zoon van de mens (vgl. Gal 4,4)?
Uit de Vader geboren zonder dag in de tijd; uit een moeder geboren op deze dag. Want die dag die Hij heeft geschapen, heeft Hij uitgekozen om op te worden geschapen, zoals Hij ook is geboren uit een moeder die Hij heeft gemaakt. Want ook deze dag, waarna de dagen weer gaan lengen, betekent een werk van Christus, door wie onze innerlijke mens van dag tot dag wordt vernieuwd (2 Kor 4,16). Voor de eeuwige Schepper, geschapen in de tijd, moest die dag immers de geboortedag worden, waarmee de tijdelijke schepping zou overeenkomen.

Tekst : Joost van Neer
Literatuur : Op de geboortedag van de Heer (sermo 186) / Joost van Neer, in : Heiliging (2004), p. 175-178.

 

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019