Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > Ker01 Dubbele geboorte
zoeken
printen

Ker01 Dubbele geboorte

Augustinus over Kerstmis en Epifanie : een dubbele geboorte!
Kerstpreek 190


Inleiding

Een van de stijlmiddelen waarmee Augustinus in zijn preken de aandacht van zijn toehoorders tracht te wekken en te behouden, is de tegenstelling. Ook in het twintigtal korte maar feestelijke kerstpreken dat van hem is overgeleverd, past hij dit middel veelvuldig toe. Uitvoerig aan de orde komen steevast de contrasten nacht-dag, donker-licht, tijd-eeuwigheid, geboren als een man-geboren uit een vrouw, kind baren-maagd blijven en moeder-Vader. In vrijwel alle gevallen leidt dit tot compacte maar fraai verwoorde gedachten als: “Christus is geboren. Als God uit de Vader, als mens uit een moeder. Uit de onsterfelijkheid van de Vader, uit de maagdelijkheid van een moeder. Uit de Vader zonder moeder, uit een moeder zonder vader. Uit de Vader zonder tijd, uit een moeder zonder zaad. Uit de Vader die het begin van het leven is, uit een moeder die het einde van de dood betekent. Uit de Vader voortkomend ordent Hij iedere dag, uit een moeder voortkomend heiligt Hij deze dag (sermo 194,1).” Inderdaad, een complexe en allesbehalve eenvoudige bundeling van stuk voor stuk belangrijke uitspraken over de geboorte van Christus uit de Vader, God, waarbij geen menselijke moeder te pas kwam, en over zijn geboorte uit een moeder, Maria, waarbij geen menselijke vader te pas kwam. Het is dan ook deze dubbele geboorte, die Christus zijn unieke positie van God-mens verleent.
Hij is God en mens tegelijk. Augustinus kan er bijna niet over uit, woorden schieten tekort. “Wie zal zijn geboorte beschrijven?” vraagt hij zich af met de profeet Jesaja (Jesaja 53,8). Als God is Hij eeuwig, als mens staat Hij binnen de tijd: het Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond (Johannes 1,14), Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens (Filippenzen 2,6-7).

Van Woord tot onmondig kind
Bovengenoemde gedachten en teksten verbindt Augustinus ook met het geboorteverhaal uit Lucas 2 (Lucas 2,1-7), wat een aantal nieuwe tegenstellingen oplevert. Vanuit de abstracte, bijna wijsgerige benaderingen redeneert hij naar een concrete, voor iedereen inleefbare sfeer. Het gevolg is een prachtige uitwerking van de ultieme paradox, heel vaak letterlijk aan het eind van de preek: het Woord is mens geworden, maar niet zomaar een mens. Het werd een onmondig kind, in-fans in het Latijn: niet-sprekend.
“Hij ligt in een voederbak, maar Hij omvat de wereld,” jubelt Augustinus, “Hij drinkt aan de borst, maar Hij voedt de engelen. Hij wordt in een doek gewikkeld, maar Hij kleedt ons in onsterfelijkheid. Hij wordt gezoogd, maar Hij wordt ook aanbeden. In het nachtverblijf van de stad kan Hij niet terecht, maar in het hart van de gelovigen bouwt Hij zich een tempel. Opdat de zwakheid krachtig werd, is de kracht zwak geworden (sermo 190,4).” Elke zin beklemtoont weer dat Christus dit alles voor ons mensen heeft gedaan. Elke zin, elke woordgroep ontleent hiertoe zijn kracht aan de bijbel en weerspiegelt de uitgelaten blijdschap die Augustinus door de Heer wordt ingegeven, die hij zelf voelt en waarmee hij zijn toehoorders enthousiast wil maken.

Herders en wijzen
De verspreiding van het gerucht van Christus' geboorte is uiteindelijk te danken aan de boodschap die God eerst aan de herders en een paar dagen later aan de wijzen liet meedelen (Lucas 2,8-21 en Matteüs 2,1-12). In het ene geval deed Hij dat bij monde van engelen, in het tweede geval door middel van een ster. Een derde reeks tegenstellingen, inderdaad. In de herders zag Augustinus de joden, “want het heil komt van de joden (Johannes 4,22).” De wijzen waren volgens hem de heidenen, want “het heil reikt tot aan de einden van de aarde (Jesaja 49,6). Daarom aanbaden de herders Hem op zijn geboortedag en doen de wijzen dat vandaag,” stelt Augustinus in een epifaniepreek, “Beiden werden zij vanuit de hemel onderwezen, toen zij de Koning van de hemel op aarde zagen (sermo 199,1).” De grondslag voor het onderricht van de apostelen: “In de genade van Hem die geboren is, zouden ook de apostelen die glorie verkondigen en net als de hemelen het bericht van de Heer overbrengen. Aangezien hun woorden ook ons hebben bereikt, geloven wij (sermo 373,1).” Alle tegenstellingen worden dus overbrugd in Christus, zelfs die tussen joden en heidenen.
Want hoe moeilijk verenigbaar, hoe ònverenigbaar deze beide groepen ook leken, “muren uit verschillende richtingen kwamen bij de hoeksteen samen: ze kwamen uit verschillende richtingen, maar gingen niet in verschillende richtingen. U hebt het vast wel eens gezien en weet dan ook best dat muren verder van elkaar afstaan, naarmate zij verder van de hoek afliggen. Hoe dichter ze bij de hoek komen, des te dichter naderen ze elkaar. Wanneer ze bij de hoek komen, zitten ze aan elkaar vast. Dit is wat Christus heeft gedaan. Ver van elkaar stonden ze, joden en heidenen, besnedenen en onbesnedenen, met de wet en zonder de wet, dienaren van de ene ware God en dienaren van vele, valse goden. Wat stonden ze ver van elkaar! Maar Hij die onze vrede is, heeft de twee werelden één gemaakt (sermo 375).” Het feit dat Augustinus het beeld van de hoeksteen talloze malen gebruikt, ook buiten de kerst- en epifaniepreken, bewijst dat hij de eenheid en de liefde als de kern beschouwt van het onderricht dat hij zijn toehoorders bijna veertig jaar lang heeft gegeven.
Eén van hart en één van ziel (Handelingen 4,32), dat moest men zijn, dat was voor Augustinus de tijdloze en stevige basis van een gezonde, sterke kerkgemeenschap.

Tekst: Joost van Neer

 

Kerstpreek 190, vertaling


[1] Onze Heer Jezus die bij de Vader was voordat Hij werd geboren uit een moeder, koos niet alleen de maagd uit wíé Hij zou worden geboren, uit, maar ook de dag waaróp. In hun onzekerheid kiezen mensen wel vaker ergens dagen voor uit: de een om een nieuwe wijngaard aan te leggen, de ander om een huis te bouwen, weer een ander om op reis te gaan, en nog weer een ander om te trouwen. Daarmee hopen ze dan te bereiken dat hun onderneming voorspoedig zal verlopen. Maar wat niemand kan uit kiezen, is zijn geboortedag.
Onze Heer kon ze allebei uitkiezen, zijn moeder én zijn geboortedag: Hij kon ze ook allebei scheppen. Natuurlijk koos Hij die dag niet uit zoals de mensen dat doen, die – volkomen ten onrechte – menen dat hun lot van de stand der sterren afhangt. Door op deze dag te worden geboren is de Heer niet gelukkig geworden, nee, door op deze dag te worden geboren heeft Hij de dag waarop Hij wilde worden geboren, gelukkig gemaakt. De dag van zijn geboorte draagt immers ook het mysterie van zijn licht. De apostel Paulus brengt het als volgt onder woorden: “De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten wij ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht. Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag (Romeinen 13,12-13).” Laten we de Dag herkennen en zelf dag zijn. Want toen we in ongeloof leefden, waren we nacht. En dat ongeloof, dat de hele wereld als een nacht omhult, moet afnemen door de groei van ons geloof. Daarom beginnen de nachten vanaf de geboortedag van onze Heer Jezus Christus korter te worden terwijl de dagen langer worden.
We moeten deze dag dus als een plechtige feestdag beschouwen, broeders en zusters. Niet ter ere van de zon, zoals de ongelovigen dat doen, maar ter ere van Hem die de zon heeft gemaakt. Want wat Woord was, is om omwille van ons onder de zon te kunnen zijn mens geworden (Johannes 1,14). Als mens bevindt het zich namelijk onder de zon, maar in majesteit strekt het zich ver uit boven het heelal, waarin het de zon heeft geschapen. Nu staat het Woord echter ook als mens boven die zon, die als god wordt vereerd door de blinden van geest die de ware zon van gerechtigheid niet zien (Maleachi 4,2 (= 3,20); Matteüs 5,45).

[2] Deze dag, christenen, moeten we dus niet vieren als de dag van zijn geboorte als God, maar als die van zijn geboorte als mens. Vandaag is de Heer immers onder ons gekomen. Zo kan Hij die vanuit het onzichtbare zichtbaar is geworden, ons helpen om vanuit het zichtbare het onzichtbare te bereiken. Wij mogen vanuit ons katholieke geloof namelijk niet vergeten dat de Heer twee maal is geboren: een maal als God en een maal als mens, de ene keer buiten de tijd, de andere keer binnen de tijd. Beide geboorten zijn wonderbaarlijk: de ene zonder moeder, de andere zonder vader. Zijn geboorte als mens kunnen we al niet bevatten, hoe moeten we zijn geboorte als God dan beschrijven (Jesaja 53,8)? Wie kan zijn geboorte nu helemaal bevatten, zijn geboorte die volkomen ongekend, ongewoon en uniek is op deze wereld? Die, hoe ongelooflijk ook, geloofwaardig is geworden en in de hele wereld – het is niet te geloven – wordt geloofd? Een maagd wordt zwanger, een maagd baart een kind en blijft daarbij maagd (Matteüs 1,18-25; Lucas 1,26-38; 2,1-21)! Maar waar het menselijke verstand niet bij kan, dat vat het geloof wél. En waar het menselijke verstand het laat afweten, boekt het geloof vooruitgang. Wie zou immers durven te beweren dat het Woord van God, waardoor alles is gemaakt (Johannes 1,3), zichzelf geen lichaam had kunnen maken, desnoods zonder moeder? Het heeft de eerste mens toch ook zonder vader of moeder gemaakt?
Het staat vast dat Hij beide geslachten, het mannelijke en het vrouwelijke, heeft geschapen. Daarom wilde Hij beide geslachten, die Hij was komen bevrijden, door te worden geboren ook eren.
Het verhaal over de misstap van de eerste mens kent u vast wel. Om de man ten val te brengen maakte de slang gebruik van de diensten van de vrouw, want zelf durfde zij zich niet tot de man te richten (Genesis 3,1-5). Met de hulp van het zwakke geslacht overmeesterde zij het sterke. De Heer wilde voorkomen dat wij – als bij een opwelling van echte pijn – de vrouw zouden verafschuwen omdat zij verantwoordelijk zou zijn voor onze dood en op grond daarvan zouden aannemen dat ze verdoemd is, zonder mogelijkheid tot eerherstel. Daarom wilde de Heer, die kwam zoeken wat verloren was (Lucas 19,10), beide geslachten in onze aandacht aanbevelen door ze in ere te herstellen, want beide geslachten waren verloren.
Geen van beide geslachten mag de Schepper dus de schuld geven. De geboorte van de Heer moedigt beide geslachten aan om op het heil te hopen. Voor het mannelijke geslacht ligt de eer in het lichaam van Christus, voor het vrouwelijke in de moeder van Christus. De genade van Jezus Christus heeft de geslepenheid van de slang overwonnen.

[3] Laten beide geslachten dus worden herboren in Hem die vandaag is geboren. Beide geslachten moeten de dag van vandaag vieren. Niet omdat Christus de Heer vandaag pas als Heer begon te bestaan, maar omdat Christus die altijd al bij de Vader was, vandaag het lichaam dat Hij van de moeder had gekregen, het licht heeft doen zien door zijn moeder vruchtbaarheid te schenken, zonder haar haar maagdelijkheid af te nemen.
Ziet u wel, broeders en zusters! Hij wordt ontvangen (Lucas 2,21), Hij wordt geboren (Lucas 2,7) en Hij is een onmondig kind (Lucas 2,12). Wat is dat: een onmondig kind? Een kind wordt onmondig genoemd als het niet kan praten, als het niet kan spreken. Hij is dus een onmondig kind en tegelijk het Woord (Johannes 1,1; 1,14). Als kind zwijgt Hij, door de engelen onderwijst Hij (Lucas 2,9-14). Hij wordt aan de herders verkondigd als de Vorst en Herder der herders; en Hij ligt in een voederbak om als voer te dienen voor de gelovige lastdieren (Lucas 2,7; 2,12; 2,16). Zo was het immers voorzegd door de profeet Jesaja: “Een os herkent zijn eigenaar, een ezel de voederbak van zijn heer (Jesaja 1,3).” Daarom zat Hij op een ezeltje, toen Hij onder luide toejuichingen van de menigte die voor Hem uitliep en achter Hem aankwam, Jeruzalem binnenging (Marcus 11,9-11).
Ook wij moeten Hem herkennen, op zijn voederbak afgaan, het voer eten en onze Heer en Leidsman op de arm nemen. Dan zullen we onder zijn leiding het hemelse Jeruzalem bereiken. Christus’ geboorte uit een moeder (2 Korintiërs 13,4) is zwak, maar van de Vader heeft Hij zijn grootse majesteit (Psalm 92 (93),1). Onder de dagen in de tijd heeft Hij nu een dag in de tijd, maar zelf is Hij de eeuwige Dag uit de eeuwige Dag.

[4] Terecht laten wij ons aanvuren door de woorden van de psalm als door de klanken van de hemelse bazuin, wanneer we horen: “Zing voor de Heer een nieuw lied, zing voor de Heer, heel de aarde. Zing voor de Heer, zegen zijn naam (Psalm 95 (96),1-2).” Laten we Hem herkennen en laten we de Dag aankondigen die uit de Dag voortkomt (Psalm 95 (96),2) en die vandaag als mens is geboren (Rom 1,3). Zoon-Dag uit Vader-Dag, God uit God, Licht uit Licht. Dat is het heil waarover elders te lezen staat: “God, wees ons genadig en zegen ons, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen, dan zal men op aarde uw weg leren kennen, bij alle volken uw heil (Psalm 66 (67),2-3).” De woorden “op aarde” worden herhaald in “de volken,” de woorden “uw weg” in “uw heil.”
Wij herinneren ons dat de Heer heeft gezegd: “Ik ben de weg (Johannes 14,6).” En zojuist, toen het evangelieverhaal werd voorgelezen, hoorden we dat de zalige Simeon, een oude man, een openbaring van God had gekregen, waarin hem te kennen werd gegeven dat hij de dood niet zou proeven voordat hij de Messias van de Heer had gezien (Lucas 2,26). Toen Simeon het onmondige kind Christus in de armen had genomen en de grootheid van het kleintje had erkend (Lucas 2,28), zei hij: “Nu laat U, Heer, uw dienaar in vrede gaan, zoals U hebt beloofd. Want met eigen ogen heb ik het heil gezien dat U bewerkt (Lucas 2,29-30).”
Laten we dus de Dag aankondigen die uit de Dag voortkomt, het heil dat Hij bewerkt (Psalm 95 (96),2). Laten we aan alle volken zijn heerlijkheid bekend maken, aan alle naties zijn wonderdaden (Psalm 95 (96),3). Hij ligt in een voederbak (Lucas 2,7; 2,12; 2,16), maar Hij omvat de wereld (Wijsheid 1,7). Hij drinkt aan de borst (Lucas 11,27), maar Hij voedt de engelen (Wijsheid 16,20). Hij wordt in een doek gewikkeld (Lucas 2,7; 2,12), maar Hij kleedt ons in onsterfelijkheid (1 Korintiërs 15,53-54). Hij wordt gezoogd (Lucas 11,27), maar Hij wordt ook aanbeden (Matteüs 2,11). In het nachtverblijf van de stad kan Hij niet terecht (Lucas 2,7), maar in het hart van de gelovigen bouwt Hij zich een tempel (1 Korintiërs 3,16-17). Opdat de zwakheid krachtig werd, is de kracht zwak geworden (2 Korintiërs 13,4).

Vertaling Joost van Neer

Gebruikte literatuur
• “Een dubbele geboorte” / Joost van Neer, in: Augustinus. Wij zijn de tijden. – Heeswijk: Werkgroep voor Liturgie, 2004. – p. 42-45.
Patrologia Latina 38 (1841), 1007-1009 (voor de Latijnse tekst).
• “Analyse en vertaling van Augustinus’ preek 190 en de Newberry-Yale-tekst” / Joost van Neer, in: Jaarboek voor Liturgie-onderzoek 17 (2001), p. 135-157.


top

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap

 

 

 

 

Jozef en Maria, doek gemaakt door Bettineke van der Werf

25 December 2018