Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Epi03

Epifanie : de verspreiding van het goede nieuws

Op 6 januari vieren we Driekoningen. Van Dale omschrijft Driekoningen als: kerkelijke feestdag herinnerende aan de komst van de wijzen (in de volksdevotie geworden tot drie koningen) uit het Oosten bij het Christuskind. Als synoniem voor Driekoningen noemt Van Dale: Epifanie. Wie onder Epifanie kijkt, vindt Driekoningen als tweede betekenis. De eerste is: openbaring van de Heer, in het bijzonder bij de aanbidding van de wijzen uit het Oosten. Nu wordt het duidelijk: Epifanie, dat oorspronkelijk verschijning betekent, slaat anders dan veel mensen denken niet op de verschijning van de drie wijzen, maar op die van Christus. En dat is er de reden van dat er in deze tijd drie beeldjes bij de Kerststal worden gezet: de drie koningen, sinds de middeleeuwen getooid met de namen Caspar, Balthasar en Melchior, die goud, wierook en mirre komen brengen.

De wijzen of magiërs, op zoek naar de pasgeboren koning van de Joden (Mt 2,2), zijn door een ster naar Jeruzalem geleid en worden van daaruit naar Betlehem gestuurd (Mt 2,4-5). Daar immers zou de koning volgens de profeten worden geboren (Mt 2,6; Mi 5,1). Opnieuw wijst de ster hun de weg, ditmaal naar de plaats waar het Kind zich bevindt (Mt 2,9). “Toen ze dat zagen,” schrijft Matteüs, “werden ze vervuld van diepe vreugde. Ze gingen het huis binnen en vonden het Kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het Kind geschenken aan: goud en wierook en mirre” (Mt 2,10-12). Voor ons gevoel is de Kerststal nu compleet. Het Kind, de herders (die er meteen na de geboorte al waren (Lc 2,8-20)), en nu ook de wijzen.

Voor Augustinus bieden de aankondiging aan de herders en de openbaring aan de wijzen uitgelezen kansen om de aandacht op het Kind te vestigen. Had hij zich in zijn Kerstpreken samen met zijn toehoorders verbaasd over de dubbele geboorte van de God-mens “uit de Vader zonder moeder, uit een moeder zonder vader” (Sermo 194,1), met epifanie besteedde hij aandacht aan de verspreiding van het nieuws. Allereerst had het de herders bereikt, door middel van een engel (Lc 2,13). De herders staan dan voor de Joden, uit wier volk het Kind stamde (Joh 4,22). Ze kwamen van dichtbij. Enige tijd later bereikte het de wijzen, die voor de heidenen staan en van ver kwamen (Js 49,6). Hun gids was een ster. Engel en ster delen hun herkomst: de hemel, en duiden daarmee op het nieuwe volk dat in Christus bijeenkomt.

Joden en heidenen komen in Christus als twee wanden in de hoeksteen bijeen. Beide groeperingen spelen in dat proces uiteenlopende, maar onmisbare rollen. In dat licht moeten we begrijpen wat Augustinus in Sermo 204A over de wijzen zegt: “De wijzen zochten degene die ze moesten aanbidden. Aangewezen hield Hij zich schuil. Als de Joden wordt gevraagd waar Christus is geboren, antwoorden ze: In Betlehem. Ze wijzen de weg, maar zelf gaan ze niet. Wegwijzers zijn ze, ze staan vast op hun plaats. De ster schrijft eigenlijk hemeltaal. Ze leidt de wijzen en wijst hun de plek.” Twee dingen vallen op. Ten eerste verwijst Augustinus met het woord Joden niet naar de herders, die immers wel degelijk van hun plaats kwamen om het Kind te gaan zien (Lc 2,15-16), maar uitsluitend naar de Joodse overheid, dat wil zeggen: koning Herodes, ingefluisterd door de hogepriesters en de Schriftgeleerden (Mt 2,4). Ten tweede laat hij de ster een taal spreken, waarmee hij haar op één lijn kan zetten met de engel die de herders had toegeproken. Het Kind sprak nog niet, hoewel het het Woord was (Joh 1,3.14), maar het drukte zich wel uit, door middel van hemelse woordvoerders! Eerst de engel en nu de ster.

Wat kunnen we daar in onze tijd mee? “Zolang het Woord nog Kind was, bleef het zwijgen,” preekt Augustinus in Sermo 204A. Wie zijn de hemelse woordvoerders nu de engel en de ster er niet meer zijn? Het zijn de apostelen. “De apostelen zijn de hemelen, lichtend in wondertekenen, donderend met geboden.” Evenals die van Christus is volgens Augustinus ook hun werkzaamheid door de profeten verkondigd (Ps 18 (19),2.5). Het zijn de apostelen die ons in onze onmondigheid met hun welsprekendheid sterken, zoals de hemelse woordvoerders de onmondige herders en wijzen met hun welsprekendheid hebben gesterkt. En zoals de hemelse woordvoerders de Joden en de heidenen op weg hebben gezet, zo zetten de apostelen ons op weg, op de weg van het geloof. Over die weg moeten we lopen “om de eeuwige gelukzaligheid te kunnen bereiken” (Sermo 204A).  meer tekst zie Webarchief > Liturgisch jaar> Epi04


Tekst: Joost van Neer
LiteratuurAls licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) / Augustinus ; vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama o.s.a. - Baarn: Ambo, 1996. - (Ambo-Klassiek). - ISBN : 90-263-1390-x. met name preek 204A, p.54-55. 

 

top

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019