Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Vas06

Augustinus' commentaar op de bergrede : een indecent proposal ?

De invloedrijkste passage van het Nieuwe Testament is waarschijnlijk Jezus' bergrede (Mt 5-7). Deze invloed reikt zelfs tot buiten de kerken: zo is de Nederlandse taal ervan doordrenkt. Zeker twintig zegswijzen en uitdrukkingen zijn aan de ruim honderd bijbelverzen van de bergrede ontleend, zoals bijvoorbeeld: "Niemand kan twee heren dienen", "Je mag geen parels voor de zwijnen werpen", Pas op voor een "wolf in schaapskleren", "Zoekt en gij zult vinden", "Hij ziet wel de splinter in andermans oog, maar niet de balk in zijn eigen ogen". Enzovoort.

Alle invloed ten spijt komt de bergrede er in de officiële kerkelijke leesroosters bekaaid vanaf. Zo komen in de rooms-katholieke kerken jaarlijks twee fragmenten aan de orde, nl. op aswoensdag (Mt 6,1-6 en 16-18) en op allerheiligen (Mt 5,1-12). De meeste andere passages staan eenmaal in de drie jaar (het A-jaar) ingeroosterd van de 4e tot en met de 9e zondag. De praktijk wijst echter uit dat een aantal van die zes zondagslezingen wordt geschrapt. Dat komt doordat de voortgaande evangeliecyclus bij het begin van de veertigdagentijd wordt afgebroken en na drievuldigheidszondag de cyclus niet bij de onderbreking wordt hervat. In plaats daarvan rekent men vanaf de laatste zondag van het liturgisch jaar terug en verdeelt men van achter naar voren de overgebleven evangeliepassages. Zodoende staan er weinig passages uit de bergrede als evangelielezing op het rooster. Jammer is dat!

Voor christenen blijft de bergrede de kern van Jezus' onderricht. Zij beschouwen deze als het kloppend hart van het Nieuwe Testament, waarvan het onzevader het middelpunt is. Toch kan men ook vaststellen dat de bezieling die christenen van de bergrede ondervinden, nogal eens leidt tot onderlinge onenigheid over de betekenis ervan. Van zo'n dubbele invloed is bijvoorbeeld sprake in debatten over leven en dood: verwijzingen naar de bergrede spelen een rol in de discussies tussen voor- en tegenstanders van abortus, de doodstraf, euthanasie of het gebruik van (oorlogs-)geweld.

Ook de uitleg van Jezus' radicale onderricht over het huwelijk (Mt 5,27-32) heeft in de loop der eeuwen heel wat mensen hoofdbrekens gekost. In het algemeen ziet men Jezus als zachtmoediger, barmhartiger en ruimhartiger dan de meeste farizeeën, maar in dit onderricht blijkt hij opvallend veel strenger dan velen van zijn tijdgenoten. Mede door de bergrede hanteren de meeste kerken een streng en strikt huwelijksrecht, waarbij in beginsel wordt vastgehouden aan de onverbreekbaarheid van de huwelijksband. De werkelijkheid is echter aanmerkelijk weerbarstiger.

Augustinus' uitleg in zijn Verhandeling over de bergrede getuigt van diepzinnige en pastorale omzichtigheid (De sermone Domini in monte 1,33-50), wellicht door eigen ervaringen verrijkt. Zijn lange beschouwingen hierover rondt hij af met een spannend verhaal, dat verrassende parallellen vertoont met het moderne scenario van de film Indecent proposal:


"Zo'n vijftig jaar geleden (ca 340) gebeurde er iets opmerkelijks in Antiochië, ten tijde van Constantius II (zoon van Constantijn en keizer van het Oost-Romeinse Rijk van 324 tot 361). Acindinus ("Ongevaarlijke"), die ook consul is geweest, was toen prefect (of gouverneur van het oosten van 338 tot en met 340; consul in 340). Die Acindinus eiste van iemand een pond goud, omdat die dat was verschuldigd aan de keizerlijke schatkist. Waarom hij zo verstoord was weet ik niet, maar hij deed iets waarvan een grote dreiging uitgaat bij dat soort machthebbers, aan wie zonder meer alles geoorloofd is, of beter: die denken dat alles hun geoorloofd is. Hij dreigde onder ede en verzekerde met grote stelligheid dat de ander ter dood zou worden gebracht, indien die niet op een door de prefect bepaalde dag, het voornoemde goud zou afdragen. Terwijl de ongelukkige op gruwelijke wijze gevangen werd gehouden en de schuld niet kon voldoen, kwam de geduchte dag dreigend naderbij. Nu had hij een beeldschone vrouw, maar zij bezat geen geld om haar man daarmee te helpen. Er was ook een rijk man. Die was vanwege de schoonheid van de vrouw in liefde voor haar ontvlamd. Hij had vernomen dat haar man in gevaar verkeerde. Hij liet aan haar beloven dat hij het pond zou geven, als zij één nacht met hem wilde doorbrengen. Omdat zij wist dat niet zíj de beschikking had over haar eigen lichaam maar haar man (cf 1 Kor 7,4), liet zij hem berichten dat zij bereid was dat voor haar man te doen. Maar op deze voorwaarde: haar man die de beschikking had over het lichaam van zijn vrouw en aan wie zij heel haar zuiverheid verschuldigd was, zou ermee moeten instemmen dat het werd gedaan om zijn leven te redden. Want het ging over iets dat hem toebehoorde. Haar man was dankbaar en gaf opdracht het te doen. Hij dacht echt dat het geen overspelige omgang was omdat er geen greintje wellust in het spel was. Integendeel, haar grote liefde voor haar man vroeg het van haar: híj wilde het en gaf er opdracht toe.

De vrouw ging naar het huis van de rijke man en deed wat de wellusteling wilde. Maar haar lichaam gaf zij alleen aan haar echtgenoot. Die verlangde niet zoals gewoonlijk bij haar te liggen, maar wel het leven met haar te delen. Zij ontving het goud. Maar hij die het gaf, nam op slinkse wijze weg wat hij had gegeven en verving het door eenzelfde soort doek met grond erin. Toen de vrouw al weer thuis was, ontdekte ze het. Ze rende de straat op om uit te schreeuwen wat ze had gedaan uit liefde voor haar man, dezelfde liefde die haar ertoe had gedreven om het te doen. Ze stoort de prefect, doet alles uit de doeken en laat zien hoe ze is bedrogen.Toen verklaarde de prefect allereerst zelf schuldig te zijn, omdat het door zijn dreigementen zover was gekomen. Vervolgens kondigde hij af, alsof hij een vonnis over iemand anders uitsprak, dat uit het bezit van Acindinus een pond goud in de schatkist moest worden gestort en dat de vrouw moest worden aangesteld als eigenares van het stuk grond waaruit ze grond had ontvangen in plaats van goud.

Ik ontleen aan dat verhaal geen enkel argument, niet voor en niet tegen. Ieder mag ervan denken wat men wil. Het verhaal is immers niet afkomstig uit gezagvolle bronnen. Maar toch, nu het verhaal is verteld, verwerpt het gezond verstand wat die vrouw is aangedaan, niet zó erg als we er eerst van gruwden toen het onderwerp zonder enig voorbeeld aan de orde werd gesteld." (De sermone Domini in monte 1,50)

Tekst: Hans van Reisen
Literatuur: Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte] / Augustinus; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voor zien door Leo Wenneker en Hans van Reisen. - Amsterdam: Ambo, 2000; 2001; Budel: Damon 2004. - 232 p. - met name p. 96-97.- ISBN : 978 90 5573 5792. -

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019