Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Vas04

Veertigdagentijd : Als u een aalmoes geeft, bazuin dat dan niet rond

 


De veertigdagentijd staat ook bekend als de vasten of lijdenstijd. Met de eerste benaming duidt men op de praktijk van de gelovigen, met de tweede op de voltooiing van Jezus' leven op aarde. Hoe dan ook geldt de periode als een dringende aanbeveling tot geloofsverdieping in woord en daad. Het vasten helpt om wakker in het leven te blijven staan: houden we voldoende oog voor noden om ons heen? Kunnen we vastgeroeste verhoudingen weer eens wat doorsmeren? Stimuleert ons gebed onszelf tot een integere levenshouding?

Anders dan vroeger heeft de veertigdagentijd aan openbaarheid ingeboet. Misschien klinkt daarin wel iets door van Jezus' eigen aansporing: "Wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden." (Mt 6,2)

Augustinus tekent hierbij aan: "Het is overduidelijk dat huichelaars niet in hun hart dragen wat zij aan de ogen van de mensen vertonen. Huichelaars zijn immers mensen die doen alsof. Zij spreken als het ware vanachter een masker dat een ander voorstelt, zoals op het toneel. Wie immers in een tragedie bijvoorbeeld de rol van Agamemnon speelt of van iemand anders in een historisch stuk of in een mythologisch spel dat wordt opgevoerd, is niet echt die persoon maar doet alsof. Zo iemand wordt een toneelspeler genoemd." (Augustinus speelt hier met twee betekenissen van het Latijnse hypocrita dat toneelspeler betekent en vervolgens huichelaar of schijnheilige) "Zo is in de kerk en in heel het menselijk leven iedereen een toneelspeler die wil schijnen te zijn wat hij niet is. Hij doet alsof hij rechtvaardig is maar hij is het niet echt. Want wat hij wil oogsten is de lofprijzing van de mensen, niets anders. Ook de huichelaars kunnen die oogsten. Zij bedriegen de mensen bij wie ze de schijn wekken goed te zijn, en door hen worden ze geprezen. Maar zulke mensen ontvangen geen loon van God die de harten doorgrondt (Vgl. Spr 24,12 en Ps 138 (139),1-2), maar straf voor hun bedrog. 'Zij hebben hun loon al ontvangen,' zegt de Heer. Met het volste recht zal tegen hen worden gezegd: 'Verdwijn uit mijn ogen, werkers vol bedrog! (Vgl. Ps 6,9, Mt 7,23 en Lc 13,27). Jullie hebben wel mijn naam in de mond gehad, maar niet mijn werken verricht.' (Vgl. Mt 7,21, 2 Tim 2,19 en Tit 1,16). Wie van jullie alleen aalmoezen geeft om te worden geprezen door de mensen, heeft het loon dus al ontvangen. Dat geldt niet wanneer de mensen jou eren, maar wanneer je een aalmoes geeft met de bedoeling dat zij jou eren. Een weldoener moet niet de lof van de mensen nastreven, de lof moet de weldoener volgen. Als de mensen in staat zijn ook nog te doen wat zij prijzen, gaan zij erop vooruit zonder dat de weldoener denkt erop vooruit te gaan als de mensen hem prijzen."

 

De linker- en de rechterhand (Mt 6,3)


"Als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet." (Mt 6,3) Augustinus' uitleg van dit evangelievers omvat in zijn verhandeling over de bergrede maar liefst vier mogelijkheden. Met drie ervan die hij bij omstanders aantreft, is hij het niet eens. Toch is Augustinus' behandeling van die mogelijkheden interessant, omdat daarin iets te ontdekken valt van zijn ideeën over kerkelijke diakonie.

De eerste uitleg die Augustinus in zijn omgeving aantreft luidt: "Laat ongelovigen niet weten wat gelovigen doen". Alsof alleen gelovigen moeten weten wat je uit barmhartigheid weggeeeft. Die uitleg vindt Augustinus om twee redenen niet acceptabel. Ten eerste wijst hij er op dat ons met klem door Jezus is aangeraden om bij wat wij aan goeds verrichten niet uit te zijn op de waardering van anderen, en dus evenmin van gelovigen. Anderzijds hoeft men bij de beoefening van barmhartigheid de bewondering van anderen evenmin uit te sluiten. Maar dan mogen zowel mensen binnen als buiten de geloofsgemeenschap er weet van krijgen. Want daarmee krijgt ook de laatste groep een mogelijkheid om door onze goede werken weet te krijgen van Gods barmhartigheid en wordt men aldus tot lofprijzing aangemoedigd.

De tweede uitleg: "Laat uw vijand niet weten wanneer u een aalmoes geeft". Moeilijk uit te voeren volgens Augustinus. Kijk maar naar Jezus: die heeft vol medelijden mensen genezen, terwijl Hij door vijanden werd omringd (Mt 9,32-34, Lc 6,6-11; 13,10-17; 14,1-6, Joh 5,1-18; 9,1-38 en 11,1-57). Kijk maar naar Petrus: toen hij een lamme genas bij de Schone Poort in Jeruzalem riep hij de woede af over zichzelf en de andere leerlingen van Jezus (Hnd 3,1-10). Evenmin kunnen wij zo de bijbelse opdrachten vervullen waarin staat geschreven: "Als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten. Als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken." (Spr 25,21 en Rom 12,20).

De derde uitleg is tamelijk komisch. In elk geval biedt Augustinus' behandeling ervan enige nuance in zijn visie op de verhouding tussen man en vrouw. "Er is bij mensen die dom zijn nog een derde opvatting in omloop, zo onzinnig en belachelijk dat ik haar niet zou vermelden, als ik niet uit eigen ervaring wist dat velen in die misvatting verstrikt zaten. Zij beweren dat het woord “linkerhand” staat voor “vrouw.” Omdat vrouwen over het algemeen in het omgaan met huishoudgeld nogal zuinig zijn, moet het voor hen verborgen blijven wanneer hun mannen uit medelijden iets geven aan mensen in nood. Dit ter voorkoming van huiselijke ruzies. Alsof alleen mannen christenen zijn en dat gebod niet ook aan vrouwen is gegeven! Voor welke linkerhand moet de vrouw dan eigenlijk op haar beurt een werk van barmhartigheid verborgen houden? Is in dat geval soms ook de man de linkerhand van de vrouw? Dat is toch wel baarlijke onzin! Of als iemand denkt dat zij elkaars linkerhand zijn: als de een dan tegen de wil van de ander iets weggeeft uit het bezit van het gezin, is zo'n huwelijk geen christelijk huwelijk. Maar als een van beiden een aalmoes wil geven volgens het gebod van de Heer en de ander protesteert daartegen, staat die zonder meer op voet van vijandschap met het gebod van God en wordt daarom onvermijdelijk tot de ongelovigen gerekend. Met betrekking tot hen is echter het gebod gegeven dat de gelovige man zijn vrouw moet winnen door zijn goede omgang met haar en zijn goede levenswandel, en de gelovige vrouw haar man. (1 Kor 7,13-17 en 1 Pe 3,1) Daarom hoeven zij hun goede werken niet voor elkaar verborgen te houden: zij moeten elkaar daartoe opwekken zodat zij elkaar kunnen uitnodigingen zich aan te sluiten bij de christelijke geloofsgemeenschap. En men mag niet heimelijk iets doen om God voor zich te winnen. Maar stel dat er iets verborgen moet worden gehouden als de zwakheid van de ander het nog niet geduldig kan verdragen – dat wordt soms gedaan en het is niet onredelijk of verboden - dan is toch glashelder dat met de linkerhand hier geen vrouw wordt bedoeld. Dat blijkt wanneer we de passage in zijn geheel beschouwen. Tegelijk komt dan aan het licht wat de Heer met de linkerhand bedoelt."

 

Geef van binnenuit en een goed geweten is de beloning

 


Voor de vierde uitleg ten slotte van Jezus' uitspraak "Als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet" (Mt 6,3), legt Augustinus verband met het voorafgaande: "Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden. Dan beloont jullie Vader in de hemel je niet. Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen." (Mt 6,1-2)

Eerst gaat het, zegt Augustinus, over de beoefening van barmhartigheid in het algemeen; vervolgens hoe het niet zou moeten en ten slotte hoe het het beste kan gebeuren. Ons wordt afgeraden om bij het geven van aalmoezen uit te zijn op de lofprijzingen van de mensen. En zijn conclusie luidt dan ook: "Wat lijkt dus meer voor de hand te liggen dan dat de linkerhand betekent: het genoegen dat men schept in de lofprijzing? De rechterhand staat dan voor de bedoeling om de goddelijke geboden te vervullen. Wanneer dus het verlangen naar menselijke roem binnendringt in het geweten van iemand die een aalmoes geeft, krijgt ook de linkerhand weet van het werk van de rechter. Laat dus je linkerhand niet weten wat je rechter doet. Met andere woorden: laat het verlangen naar menselijke roem niet binnendringen in je geweten, wanneer je door het geven van een aalmoes het goddelijk gebod wilt gaan vervullen. Zo blijft je aalmoes in het verborgene. (Mt 6,4) Wat is “in het verborgene” nu anders dan het goede geweten dat niet te tonen is aan menselijke ogen en niet onder woorden te brengen? Want velen liegen veel. Als de rechterhand daarom innerlijk in het verborgene actief is, slaat de linkerhand op al het uiterlijke dat zichtbaar en tijdelijk is. Je aalmoes moet dus in het geweten plaatsvinden: daar geven velen een aalmoes met hun goede wil, ook als ze niet beschikken over geld of iets anders om te geven aan een mens in nood. Velen geven uitwendig iets, maar niet van binnenuit: dat zijn mensen die uit gunstbejag of om iets anders van tijdelijke aard de schijn van barmhartigheid willen wekken. Bij nader toezien werkt bij hen echter alleen de linkerhand.

Er zijn andere mensen die om zo te zeggen een middenpositie innemen: zij zijn bij het geven van een aalmoes op God gericht, terwijl toch ook enige begeerte naar lofprijzing of iets anders van broze en tijdelijke aard zich vermengt met die voortreffelijke instelling. Maar met nog veel meer nadruk verbiedt onze Heer dat de linkerhand alléén in ons werkt, aangezien Hij zelfs al verbiedt dat die zich koppelt aan de werken van de rechter: wij moeten er namelijk niet alleen voor oppassen dat we een aalmoes geven louter uit begeerte naar dingen van tijdelijke aard, maar ook dat we bij dat werk op zo’n manier op God gericht zijn dat de begeerte naar uiterlijke voordelen zich daaraan koppelt of toevoegt. Het gaat immers om de reiniging van het hart: als dat niet oprecht is, is het niet rein. Hoe zal het hart echter oprecht zijn als het twee heren dient (Mt 6,24) en het niet zijn oog reinigt door zich louter en alleen te richten op het eeuwige, maar zich ook nog het zicht bemoeilijkt door het verlangen naar het sterfelijke en broze. Laat je aalmoes dus in het verborgene blijven en jullie Vader die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen. Dat is volkomen juist en volkomen waar. Als je immers loon verwacht van Hem, die als enige het geweten doorgrondt, laat dan het geweten volstaan om een beloning te verdienen.

Tekst: Hans van Reisen


Literatuur: Het huis op de rots: Verhandeling over de bergrede
[De sermone Domini in monte]
/ Augustinus ; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Leo Wenneker en Hans van Reisen. - Budel: Damon, 2004. - 3de dr. - 232 p. - ISBN: 90-5573-579-5. - met name p. 126-130.

 

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019