Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Vas02

Augustinus preekt op Goede Vrijdag (preek 218)
Het is volbracht...

 

leder jaar wordt het lijdensverhaal van onze Heer en Heiland Jezus Christus, door wiens bloed onze misslagen zijn uitgewist, in een plechtige viering voorgelezen. Door de jaarlijkse aandacht wordt ons geheugen weer eens goed opgefrist en door de grote toeloop van mensen krijgt ons geloof een levendige uitstraling.  \"...
Met deze woorden opent Augustinus preek 218, waarin hij Johannes’ verslag van Jezus’ kruisweg en kruisiging en van zijn dood aan het kruis (Joh 19,17-41) puntsgewijs toelicht. Afgaand op de beschikbare gegevens heeft Augustinus deze preek uitgesproken in zijn eigen stad Hippo op een Goede Vrijdag vóór het jaar 420. Een integrale vertaling.

   [1] leder jaar wordt het lijdensverhaal van onze Heer en Heiland Jezus Christus, door wiens bloed onze misslagen zijn uitgewist, in een plechtige viering voorgelezen. Door de jaarlijkse aandacht wordt ons geheugen weer eens goed opgefrist en door de grote toeloop van mensen krijgt ons geloof een levendige uitstraling. Deze plechtigheid eist dus van mij dat ik voor u preek over het lijden van de Heer, zoals Hij het mij zelf ingeeft. Het is immers zo, dat onze Heer ons in wat Hij heeft geleden door toedoen van zijn tegenstanders, een voorbeeld van geduld heeft willen geven, heilzaam voor ons en nuttig tijdens onze levenstocht hier op aarde. Zo mogen wij uit eerbied voor het evangelie — als Hijzelf toch voor het lijden heeft gekozen — niet weigeren een dergelijk lijden tot het einde toe te ondergaan. Men gelooft inderdaad terecht dat Hij met iedere afzonderlijke daad die rond zijn lijden is verricht en beschreven, een bepaalde bedoeling heeft gehad, omdat Hij juist in het sterfelijke vlees alles niet uit noodzaak heeft doorstaan maar uit vrije wil.
    [2] Ten eerste, dat Hij na te zijn overgeleverd om te worden gekruisigd, zelf zijn kruis droeg (Joh 19,16-17). Hiermee gaf Hij ons een toonbeeld van zelfbeheersing; en door ons daarin voor te gaan, liet Hij zien wat iemand die Hem wil volgen, moet doen. Ook met een uitspraak wees Hij ons hierop, toen Hij zei: \'Wie rnij liefheeft, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen (Mt 16,24; Mc 8,34; Lc 9,23).\' Wie zijn sterfelijk leven goed leidt, neemt irnmers in zekere zin zijn kruis op.
    [3] Dat Hij op de Schedelplaats werd gekruisigd (Mt 27,33; Mc 15,22; Lc 22,37; Joh 19,17), daarmee wees Hij tijdens zijn lijden op de vergeving van alle zonden, waarover in de psalm wordt gezegd: \'Talrijker zijn mijn zonden geworden dan de haren op mijn hoofd (Ps 39 (40),13).\'
    [4] Dat er tegelijk met Hem nog twee werden gekruisigd, een aan iedere zijde (Mt 27,38; Mc 15,27; Lc 22,37; Joh 19,18), daarmee hield Hij ons voor dat sommigen zich aan zijn rechterhand, anderen aan zijn linkerhand zouden bevinden. Over de rnensen aan zijn rechterzijde wordt gezegd: \'Zalig zij die worden vervolgd om de gerechtigheid (Mt 5,10)\', maar over die aan zijn linkerzijde staat er: \'Al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het mij niets (1 Kor 13,3).\'
    [5] Dat er een opschrift boven aan het kruis werd aangebracht, waarop geschreven stond: \'De koning van de joden\' (Mt 27,37; Mc 15,26; Lc 23,38; Joh 19,19-22), daarmee liet Hij zien dat de joden door Hem te doden niet konden verhinderen dat Hij hun koning was; een koning die hun met zijn werken een antwoord zou geven door zijn voor iedereen zichtbare en uitzonderlijke macht. Daarom wordt in de psalm gezongen: \'Ik ben echter door Hem tot koning aangesteld op de Sion, zijn heilige berg (Ps 2,6).\'
    [6] Dat het opschrift in drie talen was geschreven, in het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn (Lc 23,38; Joh 19,20), daarmee werd kenbaar gemaakt dat Hij niet alleen over de joden, maar ook over de heidenen zou heersen. Daarom voegde Hij in diezelfde psalm, waarin Hij had gezegd: \'Ik ben echter door Hem tot koning aangesteld op de Sion, zijn heilige berg (Ps 2,6)\' — en dat in een streek waar uiteraard de Hebreeuwse taal de voertaal was —, er als het ware in een adem in het Grieks en het Latijn aan toe: \'De Heer sprak tot mij: U bent mijn zoon, Ik riep heden u in het leven. Eis het van Mij en Ik zal u de heidenen geven tot uw erfdeel, tot uw eigendom tot aan de grenzen der aarde (Ps 2,7-8).\' Niet omdat Grieks en Latijn de enige talen van de heidenen zijn, wel omdat het de belangrijkste zijn. Het Grieks is de taal van de wetenschap en het Latijn de taal van de Romeinse machthebbers. Hoewel er in die drie talen op werd gewezen dat de hele heidense wereld zich moest onderwerpen aan Christus, stond er op het opschrift uitdrukkelijk niet bij: \'en de koning van de heidenen\', maar uitsluitend: \'De koning van de joden.\' Door het gebruik van die specifieke naam werd de joodse kiem en oorsprong van ons geloof in onze aandacht aanbevolen. Geschreven staat immers: \'De wet komt uit Sion en het woord van de Heer uit Jeruzalem (Js 2,3).\' Want wie zijn degenen die in de psalm zeggen: \'Volken heeft Hij voor ons onderworpen, en heidenen aan onze voeten gelegd (Ps 46 (47),4)\', anders dan de joden over wie de apostel Paulus zegt: \'Als de heidenen deel hebben gekregen aan de geestelijke gaven van de joden, zijn ze van hun kant verplicht de joden materieel bij te staan (Rom 15,27)\'? Kunnen we niet beter inzien dat de volken onderworpen zijn aan de uitzonderlijke genade van de apostelen, of moeten we op de weggebroken takken letten (Rom 11,17), die heden ‘joden’ worden genoemd?(1) Kunnen we niet beter luisteren naar die Israëliet uit het geslacht van Abraham (Rom 11,1), die eerst Saulus was en toen Paulus, en dus eerst klein en toen groot? Hij was het toch die de geënte wilde oijfboom waarschuwde en tegen hem zei (Rom 11,17): ‘Bedenk dat niet jij de stamwortel draagt, maar de stamwortel jou (Rom 11,18)’? Christus is dus de koning van de joden, maar ook de heidenen werden – tot hun heil - onder zijn zachte juk gebracht (Mt 11,30). Wat hun door zo’n grote barmhartigheid ten deel is gevallen, heeft de apostel nog duidelijker aangetoond toen hij zei: ‘Ik bedoel dit: Christus is dienaar geweest van de besnijdenis ter wille van de waarheid van God, om de beloften aan de aartsvaders waar te maken; maar de heidenen verheerlijken God om zijn barmhartigheid (Rom 15,8-9).’ Want men hoefde de kinderen het brood niet af te nemen om het aan de honden te geven: de honden haddden zich zo diep vernederd dat ze op zoek waren gegaan naar de kruimels die van de tafels van hun meesters waren gevallen, en die hadden opgegeten (Mt 15,26-27). Zo waren ze door hun nederigheid verheven, zo waren ze mensen geworden en zo hadden ze het verdiend om aan tafel te mogen gaan.
    [7] Dat de voornaamsten van de joden er bij Pilatus op aandrongen dat hij niet zonder meer op moest laten schrijven dat Jezus de koning van de joden was, rnaar dat Jezus zelf had gezegd dat Hij de koning van de joden was, en dat Pilatus antwoordde: Wat ik heb geschreven, heb ik geschreven (Joh 19,21-22). Daarmee stelde Pilatus - zoals de voornaamsten van de joden de weggebroken takken voorstelden - de wilde olijfboom voor, die daartussen moest worden geënt (Rom 11,17). Hij was immers iemand uit de heidenen, die de belijdenis van de heidenen opschreef en daarmee een bewijs leverde van de afwijzing van de joden, tegen wie de Heer zelf terecht zei: \'Het Koninkrijk Gods zal u worden ontnomen en het zal worden gegeven aan een volk dat gerechtigheid beoefent (Mt 21,43).\' Toch volgt daaruit niet dat Hij niet de koning van de joden is. Want de stamwortel draagt de wilde olijf en niet de wilde olijf de stamwortel (Rom 11,18). En hoewel de takken om hun ongeloof zijn weggebroken,(2) heeft God om die reden zijn uitverkoren volk niet verstoten (Rom 11,2). \'Ik ben zelf een Israeliet (Rom 11,1),\' zegt de apostel Paulus. En al gaan de kinderen van het Koninkrijk die niet wilden dat de Zoon van God over hen heerste, naar de diepste duisternis, toch zullen velen uit het oosten en het westen komen en ze zullen aanzitten in het Rijk van God, niet met Plato en Cicero, maar met Abraham en Isaak en Jakob (Mt 8,11-12; Lc 13,28-29). Pilatus schreef namelijk \'de koning van de joden\' en niet \'de koning van de Grieken\' of \'de Romeinen\' — ook al zou Christus over de heidenen heersen. En wat hij had geschreven, had hij geschreven, en ondanks het aandringen van degenen die het niet geloofden, veranderde hij het niet. Aan Pilatus was al zo lang tevoren in de psalmen voorzegd: \'Vervals de tekst van het opschrift niet (Ps 56 (57),1; Ps 57 (58),1; Ps 58 (59),1).\'(3) Alle heidenen geloven in de koning van de joden: over alle heidenen heerst Hij, maar toch is Hij de koning van de joden. De stamwortel was zo sterk, dat hij in staat was de wilde olijf die op hem was geënt, te veranderen. Maar de wilde olijf kon van de tamme olijfboom de naam niet afnemen.
    [8] Dat de soldaten zijn kleren in vieren verdeelden en meenamen (Joh 19,23), daarmee werd gewezen op het feit dat zijn sacramenten zich over de vier werelddelen zouden verbreiden.
    [9] Dat ze de lijfrok, die zonder naad was, aan een stuk geweven van bovenaf, liever verlootten — omdat er daar maar een van was — dan dat ze hem onder elkaar verdeelden (Ps 21 (22),9; Mt 27,35; Lc 23,34; Joh 19,23-24), daarrnee is afdoende getoond dat wie rnaar wil — of het nu om goede of om slechte mensen gaat — zichtbare heilige tekenen kunnen dragen, ook al zijn het in dit geval de kleren van Christus. Maar het meest oprechte geloof, dat zuivere eenheid teweegbrengt door de liefde (Gal 5,6) — omdat Gods liefde in ons hart is uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken (Rom 5,5) - bereikt niet iedereen zonder onderscheid. Het meest oprechte geloof wordt geschonken door de verborgen genade van God, alsof het door het lot was toebedeeld. Daarom zei Petrus tegen Simon de Tovenaar, die wel het doopsel bezat, maar niet het oprechte geloof: \'U hebt part noch deel aan deze leer (Hnd 8,21).\'
    [10] Dat Jezus toen Hij aan het kruis hing, zijn moeder herkende en haar toevertrouwde aan de leerling die Hij liefhad (Joh 19,25-27). Op het moment dat Hij als mens stierf, was dit de meest geschikte manier om zijn menselijke gevoelens te laten zien. Dat uur was nog niet gekomen toen Hij tegen zijn moeder zei, voordat Hij water in wijn zou veranderen: \'Wat is er tussen u en Mij, vrouw? Nog is mijn uur niet gekomen (Joh 2,4).\' Want zijn godheid had Hij niet van Maria, die had Hij altijd al. Wel had Hij van Maria zijn lichaam dat aan het kruis hing.
    [11] Dat Hij zei: \'Ik heb dorst (Joh 19,28).\' Daarmee zocht Hij het geloof bij de zijnen. Maar omdat Hij in het zijne kwam en de zijnen Hem niet aanvaardden (Joh 1,11), gaven ze Hem in plaats van de zoetheid van het geloof de zure wijn van het ongeloof, en dat nog wel in een spons (Ps 68 (69),22; Mt 27,34; Mc 15,36; Lc 23,36; Joh 19,29-30). De zijnen zijn inderdaad vergelijkbaar met een spons: niet stevig, maar gezwollen, niet open en ontvankelijk voor de belijdenis, maar vol gaten door de kronkelige bochten van listen en lagen. Zeker, die drank bevatte ook hysop, een bescheiden plantje dat zich, naar men zegt, met zijn bijzonder krachtige wortels aan de rots vasthecht. Want er waren mensen onder dit volk voor wie deze schandelijke daad een bijzondere betekenis in zich droeg. Later zouden ze namelijk, door deze misdaad te verwerpen, komen tot vernedering van de ziel door berouw.(4) Maar Hij, die de hysop met zure wijn kreeg, kende hen. Want ook voor hen bad Hij toen Hij aan het kruis hing, zoals een andere evangelist getuigt: \'Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen (Lc 23,34).\'
    [12] Dat Hij zei: \'Het is volbracht, waarop Hij het hoofd boog en de geest gaf (Joh 19,30).\' Daarmee liet Hij niet de onafwendbaarheid van zijn eigen dood zien, maar zijn macht erover. Hij wachtte totdat alles wat de profeten over Hem hadden gezegd, in vervulling was gegaan. In de psalm stond immers ook nog: \'En toen ik verdorstte, gaven ze mij zure wijn te drinken (Ps 68 (69),22).\' Zo liet Hij zien dat Hij de macht had om zijn leven te geven, zoals Hij ook zelf heeft getuigd (Joh 10,18). En Hij gaf de geest door zich te vernederen, dat wordt met het \'gebogen hoofd\' bedoeld. Hij zal de geest terugontvangen door te verrijzen, met opgeheven hoofd. Dat zo\'n dood en het buigen van het hoofd tekenen van grote macht waren, heeft de aartsvader Jakob in zijn zegening van Juda al aangekondigd: \'U bent opwaarts gekomen, u vlijt zich neer, u slaapt als een leeuw (Gn 49,9).\' Met het \'opwaarts komen\' doelde Jakob op het kruis, met het \'zich neervlijen\' op het gebogen hoofd, met het \'slapen\' op de dood, en met de \'leeuw\' op de macht.
    [13] Verder dat bij de andere twee gekruisigden de benen werden gebroken, maar bij Jezus niet, omdat Hij al was overleden (Joh 19,31-33). Waarom dat zo is, verklaart het evangelie zelf. Het kon immers geen kwaad dat Hij ook met dat teken zou laten zien — in de profetie die eerder over Hem was verkondigd — dat aan het Paasfeest van de joden moest worden gedacht. Een van de voorschriften daarbij was dat de beenderen van het lam niet mochten worden gebroken (Ex 12,46; Nu 9,12).
    [14] Dat er uit zijn zijde, met een lans doorstoken, bloed en water op de aarde stroomde (Joh 19,34).(5) Dit zijn vast en zeker de sacramenten waardoor de kerk wordt gevormd, \'zoals Eva werd gemaakt uit de zijde van de slapende Adam, beeld van de toekomstige Adam (Gn 2,21-22).\'(6)
    [15] Dat Jozef en Nikodemus Hem begroeven (Joh 19,38-39). Volgens de uitleg van sommigen betekent de naam Jozef \'vermeerdering (Gn 30,24)\', terwijl de naam Nikodemus bij de meeste mensen bekend is omdat het een Griekse naam is, samengesteld uit \'overwinning\' en \'volk\'. Want nikos betekent \'overwinning\' en dèmos \'volk\'. Wie anders is er nu vermeerderd door te sterven dan Hij die zei: \'Als de graankorrel niet sterft, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort (Joh 12,24).\' En wie anders heeft het volk dat Hem vervolgde, overwonnen: door te sterven, dan Hij die hen zal oordelen door te verrijzen?

Noten

    (1) De weggebroken takken stellen die leden van het volk van de joden voor, die niet konden geloven in de roeping van Jezus Christus.
    (2) Het volk van de joden is door uitverkiezing geworden tot kinderen en erfgenamen van het Koninkrijk van God. Van hen hebben echter niet allen geloofd in Jezus Christus als Zoon van God. Daarom zijn na hen ook de heidenen – niet door uitverkiezing, maar door aanneming – kinderen van het Koninkrijk geworden.
    (3) Augustinus verwijst hier naar de zogenoemde titels die in de uitgaven van de psalmen en hun vertalingen voorafgaan aan de eigenlijke psalmteksten. In de liturgische uitgaven worden deze titels meestal weggelaten, maar bij de nummering van de psalmverzen worden ze wel meegeteld.
    (4) De hysop staat hier voor de deemoed van de gelovige die zich vasthecht aan de rots Christus.
    (5) Het water is het beeld van het doopsel, het bloed het beeld van de eucharistie. Beide tekenen verenigen de gelovige met het lichaam van Christus. Zo ontstaat de kerk door de sacramenten die uitgaan van de zijde van Christus.
    (6) De slapende Adam is volgens Augustinus de voorafbeelding van de ontslapen Christus. De schepping van Eva uit de rib van Adam is het beeld van het ontstaan van de kerk uit de zijde van Christus.

Vertaling: Joost van Neer

Gebruikte literatuur:

- Raymond Étaix, Le sermon 218 de Saint Augustin. Édition complétée et authenticité, in: Augustinianum 34 (1994), p. 359-375.

- Als licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama OSA - Baarn: Ambo, 1996. - ISBN : 90-263-1390-x. - p. 91-95.

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019