Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Vas01

Augustinus over de veertigdagentijd

Op woensdag 25 februari vieren dit jaar de katholieke kerken aswoensdag. Daarmee wordt het begin van de veertigdagentijd gemarkeerd als voorbereiding op het paasfeest. In de meeste reformatorische kerken begint men die periode op de zondag erna. Daar is men vast blijven houden aan de gewoonte van de vroege kerk zoals in Augustinus\' tijd gebruikelijk. Wiskundigen zullen altijd moeite blijven houden met liturgisch tellen: in de katholieke traditie worden tussentijdse zondagen niet meegerekend, in protestantse tradities daarentegen wel. Volgens het ene gebruik reikt de veertigdagentijd dan tot en met de zogeheten stille zaterdag, volgens het andere tot aan het begin van het triduum sacrum op de avond van witte donderdag.

Toch kan het nog anders: in het aartsbisdom Milaan viert men dit jaar stijlvol carnaval tot zondag 29 februari. Daar start de veertigdagentijd op zondagmorgen, maar omdat de dag des Heren nooit een boetekarakter mag dragen, vindt de liturgie rondom de as in de beroemde dom pas plaats op zondagavond en wordt op maandag in alle andere kerken van het bisdom de as op de hoofden van gelovigen uitgestrooid. Daar is dus sprake van asmaandag, overigens zonder askruisje. Dit soort liturgische privileges van Milaan dateren al uit de tijd van bisschop Ambrosius (339-397).
De verscheidenheid onder christenen blijkt nog groter: de kerken in het Westen en die in het Oosten zijn het tot op vandaag niet eens over de bepaling van de paasdatum. Dat verschil vloeit weer voort uit de manier waarop men rekening houdt met de datum van het joodse paasfeest. De verschillende paasdata hebben vanzelfsprekend weer gevolgen voor de dag waarop men met de voorbereiding begint.

Van Augustinus zijn ons zeven preken bewaard gebleven, die hij heeft gehouden op de eerste zondag van de veertigdagentijd. Zij bieden ons een levendige indruk van deze belangrijke liturgische periode zoals die rond het jaar 400 werd gevierd. Voor hem fungeert de quadragesima als beeld van ons leven op aarde, en wel op vier manieren. Ten eerste verwijst deze periode naar de moederschoot: in veertig weken van één dag groeit een mens daar uit voor de geboorte (sermo 205,1 en 210,7). Vooral de doopkandidaten konden zich in dat beeld herkennen: zij verbleven tijdens hun catechetisch onderricht veertig dagen lang in de bisschoppelijke vertrekken, als het ware in de schoot van de kerk, en werden daarna in de paasnacht opnieuw geboren vanuit het vruchtwater van de doopvont (sermo 216,1).
Ten tweede ziet Augustinus in de veertigdagentijd een verwijzing naar het product van tien geboden en vier evangeliën: beide getallen laten zien dat we tijdens ons leven de geschriften van beide testamenten nodig hebben (sermo 205,1). Op eenzelfde manier verwijzen deze dagen naar het product van tien geboden en vier windstreken: daarin ligt uitgedrukt dat de wet van God overal op aarde kan worden vervuld. De daadwerkelijke vervulling van Gods geboden ligt echter niet volledig in de macht van mensen. Vasten, bidden en de beoefening van barmhartigheid helpen daarbij.

De veertigdagentijd is vooral ook een beeld van het leven op aarde omdat mensen in hun oriëntatie op Gods geboden een weg zoeken naar God. Aan het einde van die tocht wacht de beloning: het tiental dat veertig aanvult, levert vijftig op en verwijst zo naar de vijftigdagentijd van Pasen als beeld van het leven bij God (sermo 210,8).

Ten slotte verwijst de veertigdagentijd natuurlijk naar de illustere voorbeelden van de wet, van de profeten en van het evangelie (sermo 205,1 en 210,9). Mozes vastte veertig dagen en nachten op de berg Sinaï tijdens zijn verblijf met God (Exodus 34,28); Elia vastte veertig dagen en nachten op zijn tocht naar de berg Horeb (1 Koningen 19,8) en Jezus vastte in de woestijn om de beproevingen te weerstaan (Matteüs 4,2, Marcus 1,13 en Lucas 4,2).

Voor Augustinus is het duidelijk: Jezus wordt niet beproefd als gevolg van het vasten, maar het is omgekeerd: vasten helpt om weerstand te kunnen bieden aan verleiding en beproeving. Vasten helpt Nederlanders niet alleen nog steeds tegen de spreekwoordelijke middagduivel, het hielp gelovigen in Noord-Afrika bij hun strijd tegen satan. Augustinus vergelijkt die beproever met een leeuw op zoek naar een prooi (sermo 210,5; vgl. 1 Petrus 5,8). Wie vast, blijft waakzaam. Wakker blijven is volgens Augustinus de belangrijkste doelstelling van het vasten. Daartoe spoort hij gelovigen dan ook vurig en geestdriftig aan.

Een enkele keer lijkt Augustinus\' aansporing op een vermaning tot lichamelijke zelfkastijding (sermo 205,1). Toch mag Augustinus niet als een asceet worden beschouwd. Door een onlangs teruggevonden preek is komen vast te staan dat gelovigen in Noord-Afrika vastten van zonsopgang tot zonsondergang zoals bij islamitische gelovigen gebruikelijk is gebleven (sermo 198,6). Bovendien wijst hij nogal eens op alternatieven voor mensen die niet kunnen of willen vasten. Ten slotte ziet hij het vasten nooit als doel op zich maar altijd als middel voor die beoogde waakzaamheid.

Het vasten om waakzaam te blijven was een gemakkelijke bron voor misverstand. In vrijwel alle preken benadrukt Augustinus dat het moet gaan om matiging, niet om het zoeken naar een andere vorm van genot: \"Laat niemand onder het mom van onthouding op andere geneugten uit zijn, maar liever van elke geneugte afzien. Ik bedoel: niet uit zijn op kostelijke delicatessen omdat men geen vlees mag eten en op exotische likeurtjes omdat men geen wijn mag drinken.\" (sermo 205,2; 207,2 en 208,1). Het gaat Augustinus dus niet om de keuze tussen vlees en vis of tussen wijn of water. Er staan in de Schrift namelijk verhalen over mensen aan wie de gulzigheid zwaar wordt aangerekend, ondanks hun vegetarische menu\'s (Genesis 25,30 en Numeri 11,33-34). Met andere woorden: in de veertigdagentijd staat het gelovigen vrij wát te eten, niet hoevéél te eten. De matiging dient de waakzaamheid. Zij leert ons kritisch kijken naar de relaties met de naasten en met God.

Matiging in spijs en drank heeft volgens Augustinus geen enkele waarde als niet wordt weggegeven wat is uitgespaard: \"Christenen moeten zich bedenken dat het gelijk staat aan diefstal als overtollig bezit niet aan noodlijdenden wordt weggegeven!\" (sermo 206,2) En in een ander jaar geeft hij de gelovigen de raad: \"Wat u zich in onthouding ontzegt, kunt u het beste besteden door het aan barmhartigheid uit te geven. Er is toch niets slechter dan dat u in uw gierigheid voortdurend zit op te potten wat u in uw onthouding uitspaart?\" (sermo 208,2)

De beoefening van materiële barmhartigheid staat bij Augustinus dus op een hoger moreel niveau dan het vasten. Dat blijkt uit de aansporing om aan armen weg te geven wat men met vasten heeft uitgespaard. De bisschop van Hippo toont bovendien begrip voor mensen die vanwege lichamelijke problemen niet kunnen vasten (sermo 210,12). Omdat zulke mensen zichzelf niets ontzeggen, ontvangen ze van hem wel de dringende raad nog rijkelijker aalmoezen te geven (sermo 209,2). Giften aan de armen worden schatten in de hemel. Werken van barmhartigheid zijn beleggingen in hemelse schatkamers: ze dienen de rijken tot eeuwig leven en geven de armen de mogelijkheid om er tenminste even van te leven (sermo 210,12). God die zelf geen honger kent, wil in de arme worden gevoed. De vrijwillige armoede van de rijken dient zo de noodzakelijke rijkdom van de armen (sermo 206,2).

 

Tekst:  Hans van Reisen


Gebruikte literatuur:
Augustinus\' preken voor gehouden aan het begin van de veertigdagentijd hebben de nummers 205-211.
Nederlandse vertalingen in:

- Augustinus\' preken voor het volk / vert. door Christine Mohrmann. - Utrecht, Brussel: Spectrum, 1948. p. 315-324

Twintig preken van Aurelius Augustinus / vert. door Gerard Wijdeveld. - Baarn: Ambo, 1986.- ISBN: 90-263-0759-4. p. 73-76

- Als licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama o.s.a. - Baarn: Ambo, 1996. - ISBN : 90-263-1390-x. - p. 55-58, 60-76.

- Augustinus\' verhandeling over het belang van het vasten (De utilitate jejunii) is terug te vinden in: Als lopend vuur : Preken voor het liturgisch jaar (2) / vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Richard van Zaalen OFM, Hans van Reisen en Sander van der Meijs. - Amsterdam: Ambo, 2001. - ISBN : 90-263-1689-5. - p. 245-259.

- Augustinus\' uitleg over de evangelielezing voor aswoensdag (Matteüs 6,1-8) in: Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede / vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Leo Wenneker en Hans van Reisen - Amsterdam: Ambo 2000. - ISBN 90-263-1645-3. - p. 124-155.

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019