Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Pas04

Pasen : door dichte deuren

Na zijn verrijzenis verscheen Jezus achtereenvolgens aan Maria Magdalena en aan de apostelen, zo vertelt de evangelist Johannes (Joh 20,11-18 en 19-31). Beide verschijningen vonden plaats op de eerste dag van de week, de ene ’s morgens, de andere ’s avonds. Maria herkende Jezus aan iets wat Hij zei (Joh 20,16), de apostelen aan iets wat Hij zei en aan iets wat Hij deed (Joh 20,20). De apostelen waren die avond in een huis bij elkaar. Alleen Tomas was er niet. Uit angst voor de joodse overheid, die het mogelijk niet bij strafmaatregelen tegen Jezus zou laten, hadden ze de deuren afgesloten. Desondanks stond Jezus ineens binnen, oog in oog met hen. Tomas, aan wie dit achteraf werd verteld, kon het maar niet geloven. Toen de apostelen acht dagen later weer in het huis bij elkaar waren, en om dezelfde reden als de vorige keer weer de deuren hadden afgesloten (Joh 20,26), was Tomas er wel bij. Opnieuw stond Jezus ineens tegenover hen. Om Tomas te overtuigen, zo lijkt het. Juist Tomas, die het als enige niet had geloofd, kreeg nu van Jezus de kans om zelf, door middel van zintuiglijke waarneming, proefondervindelijk vast te stellen dat het ook in het eerste geval waar was geweest.

In preek 247 gaat Augustinus in op de kwestie van de afgesloten deuren. Jezus was niet minder dan twee maal door afgesloten deuren binnengekomen, terwijl Hij toch, zoals Tomas terecht had geconstateerd, een echt lichaam had. Hoe kon dat? Augustinus is bang dat er nog steeds “Tomassen” bestaan, die niet geloven dat Hij door gesloten deuren kon. “Sommigen worden hierdoor zo aan het twijfelen gebracht,” zegt hij in preek 247,2, “dat ze bijna in gevaar zijn doordat ze de vooroordelen van hun eigen redeneringen inbrengen tegen de goddelijke wonderen.”

Mensen die zo denken, lopen de kans om in gevaar te raken, zegt Augustinus. Ze proberen alles via de weg van het verstand te verklaren, terwijl hier een totaal andere weg is vereist, namelijk de weg van het geloof. En dat geloof hadden ze op ijzersterke argumenten kunnen baseren. Was Jezus niet al eerder door gesloten deuren gekomen? Inderdaad, bij zijn ontvangenis. “Zonder dat een man haar benaderde, werd een maagd zwanger,” zegt Augustinus, “Leg me eens uit hoe dat kon.” Het is duidelijk: hier is geen plaats voor rationele verklaringen. Maar, “waar de redenering tekort schiet, wordt het geloof opgebouwd,” aldus Augustinus (247,2).

Augustinus haalt dan nog meer voorbeelden aan waarbij Jezus iets doet wat tegen de regels van het verstand ingaat. Zo wandelde Hij ooit over het water. En Hij kon dat, Hij was niet alleen mens, maar ook God. Maar let op, ook Petrus kon het, heel even maar, maar hij kon het, door zijn geloof. Toen hij evenwel de grond van de wonderen met zijn menselijke verstand begon aan te vechten, verloor hij zijn geloof, en zonk hij. Door hiernaar t everwijzen doet Augustinus dus een oproep om het geloof te laten prevaleren boven het verstand.

Kon Jezus werkelijk door gesloten deuren? Het antwoord is ja. Hij kon dat, net zoals Hij dat bij zijn ontvangenis had gekund. Zijn inhoudelijke onderbouwing ontleent Augustinus aan Mt 19,23-26, over de rijke jongeman. Hij verwoordt het in de vorm van een dialoogje: “Hoe groot was Jezus dan? Minimaal net zo groot als ieder ander mens. Toch niet zo groot als een kameel? Nee, niet zo groot als een kameel” (247,3). Augustinus verwijst nu naar het evangelie. “Toen Jezus duidelijk wilde maken hoe moeilijk het voor een rijke was om het rijk der hemelen binnen te gaan, zei Hij: Voor een kameel is het gemakkelijker om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om in het rijk der hemelen te komen.” Deze woorden hadden de leerlingen bijna de moed benomen: “Als dat zo is, kan er dus geen enkele rijke worden gered. Een kameel kan nooit door het oog van een naald.” Maar de Heer zei: “Voor God is alles mogelijk.”

Voor God is alles mogelijk. In die woorden ligt de sleutel tot het begrip van Joh 20,20 en 26. God heeft zelf het goede voorbeeld gegeven, door zichzelf tot het uiterste te vernederen, dat wil zeggen: door voor eeuwig God te blijven en daarnaast ook voor een bepaalde tijd mens te worden. Wij mensen hoeven Hem alleen maar na te doen. Dan kunnen we rijk zijn, en toch het rijk der hemelen binnengaan. “Als je rijk bent in de ogen van God, en als niet je rijkdom voor je telt, maar de Gever ervan, dan ben je wel rijk, maar ga je toch binnen in het rijk der hemelen” (114B,10).

Inderdaad, voor God is alles mogelijk. Als Hij wil dat een kameel door het oog van een naald gaat, gebeurt dat gewoon. Als Hij over het water wil wandelen, doet Hij dat gewoon. En als Hij door afgesloten deuren wil gaan, doet Hij dat ook gewoon. Hij is God! Waarom zo schamper dan? “Houd ermee op om de goddelijke kracht die in de wonderen ligt, in diskrediet te brengen” (247,3).

Een zalig Pasen!

Tekst: Joost van Neer


Literatuur :
Als licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) / Augustinus ; vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama o.s.a. - Baarn: Ambo, 1996. - ISBN : 90-263-1390-x. - preek 267, blz 162-165.
Als korrels tussen kaf : Preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367] / Augustinus ; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Joke Gehlen-Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six-Wienen. - (Ambo Klassiek) . - Amsterdam : Ambo, 2002. - 320 p. - ISBN : 90-263-1745-x. - p.240-241

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019