Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Hem01

Wie is de Koning vol majesteit ? Augustinus preekt op hemelvaartsdag

 

Jezus’ leerlingen stonden hun Meester nog lang na te kijken, toen die veertig dagen na zijn verrijzenis in de hemel werd opgenomen, waar ze zelf bijstonden. “Hij werd voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze Hem niet meer zagen,” schrijft de auteur van De handelingen van de apostelen (1,9). Ze stonden perplex. “Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken?” vroegen de twee mannen in witte gewaden hen dan ook in een poging om hun op zichzelf menselijkerwijze gesproken niet geheel onterechte verwondering weer tot normale proporties terug te brengen, “Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan” (Hnd 1,11).

Het verhaal van Jezus’ hemelvaart is en blijft een bijzonder verhaal. Augustinus brengt het in minimaal veertien preken ter sprake. Dat is namelijk het aantal preken dat van hem over dit onderwerp is overgeleverd. Het moeten er natuurlijk meer zijn geweest, want de kerkvader is bijna veertig jaar predikant geweest.

In dit artikeltje concentreren we ons op preek 377, waarvan we niet méér weten dan dat hij op hemelvaartsdag is uitgesproken. De plaats waar dat gebeurde en de datum waarop zijn onbekend.

Augustinus opent de preek met een bespiegeling over het contrast tussen het vergankelijke woord en het eeuwige Woord, iets wat hij wel in meer preken doet. Naar zijn overtuiging is het vergankelijke woord niet in staat om het eeuwige Woord zelfs maar bij benadering te omschrijven. Om aan de daaruit voortvloeiende nood van de mens tegemoet te komen, heeft het Woord van God, dat wil zeggen: de Zoon van God, zich vernederd door de gestalte van een dienaar aan te nemen, zegt Augustinus met Paulus (Fil 2,7). In die gestalte is het dat Hij is neergedaald, heeft geleden, is gestorven, is verrezen en naar de hemel is teruggekeerd, “terwijl Hij de hemel nooit heeft verlaten”. Dat laatste slaat op zijn hemelvaart, in de gestalte van een dienaar. In de gestalte van God was Hij altijd in de hemel gebleven.

Tot zover wel veel belangrijks, maar niet veel nieuws. Nieuw is vooral wat nu komt, de verbinding die Augustinus legt tussen Hnd 1,9-11 en Ps 23 (24),7-10. De opgaande beweging in Ps 18 (19),6 (“Hij sprong op als een reus”) vormt de overgang naar die psalm, waarin ook sprake is van een beweging omhoog. En, zo is de predikant opgevallen, één vers staat er twee maal in (7 en 9): “Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen: de Koning vol majesteit wil binnengaan” (Nieuwe Bijbelvertaling). Augustinus zou Augustinus niet zijn als hij daar geen mooie uitleg aan zou verbinden. En dat doet hij ook: “Hij sprong op als een reus,” zegt hij, “Wat voor een reus? Eén die de poorten van de hel openbrak, eruitkwam en naar de hemel opsteeg. Wie is de Koning vol majesteit, om wie er tegen enkele hoofden werd gezegd: Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen? Verhef u, Hij is groot. U bent te nauw, u kunt Hem niet doorlaten. Verhef u. Waarom dan? Omdat de Koning vol majesteit wil binnengaan. Dan schrikken ze: Wie is dat dan? Ze herkennen Hem niet. Hij is niet alleen God, maar ook mens. Hij is niet alleen mens, maar ook God.” En dan begint bij velen de twijfel te knagen: Als Hij lijdt, is Hij dan wel echt God? Als Hij verrijst, is Hij dan wel echt mens?” Maar, zegt Augustinus, er is geen reden om te twijfelen, “Hij lijdt echt, en Hij verrijst ook echt”.

Vers 7 keert terug in vers 9. Is dat niet wat veel van het goede? Nee, want “in de herhaling moet u de doeleinden zien”, zegt Augustinus. Hoe zit het dan? “Kijk, de poorten van de hel en de hemel worden eigenlijk twee maal voor Hem geopend: één keer als Hij verrijst, en één keer als Hij opstijgt. Het is toch niet gewoon dat God in de hel is? En het is toch ook niet gewoon dat een mens in de hemel is opgenomen? Beide keren, op beide plaatsen worden de hoofden benauwd.”

“Wie is nu de Koning vol majesteit?” vervolgt Augustinus met de psalmist (Ps 23 (24),8 en 10). In beide gevallen luidt het antwoord: “De Heer”. En waarop is zijn majesteit gebaseerd? In het eerste geval op zijn strijd. En dat is? “De dood ondergaan voor de stervelingen, alleen lijden voor allen, hoewel almachtig zich niet verzetten, en toch overwinnen door te sterven”. In het tweede geval op zijn overwinning. “Daar is Hij geen strijder meer, maar overwinnaar. Daar vecht Hij niet, maar zegeviert Hij”. Daarom staat er in het eerste geval: “De Heer, machtig en heldhaftig, de Heer, heldhaftig in de strijd” (Ps 23 (24),8), en in het tweede geval: “De Heer van de hemelse machten, Hij is de Koning vol majesteit” (Ps 23 (24,10).


Tekst: Joost van Neer

Gebruikte literatuur :
Als licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) / Augustinus ; vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama o.s.a. - Baarn: Ambo, 1996. - ISBN : 90-263-1390-x. - preek 377, blz 225-226.

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019