Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Pin02

Pinksteren : nieuwe wijn in nieuwe zakken

 

Nadat Jezus zijn leerlingen nog wat laatste adviezen en opdrachten had gegeven (Hnd 1,4-8), en hun een laatste maal de komst van de Heilige Geest had beloofd (Hnd 1,8), werd Hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk (Hnd 1,9). Gedurende veertig dagen was Hij nog in hun midden geweest om zijn aardse onderricht af te ronden. Tien dagen na zijn hemelvaart, toen alle leerlingen in het huis van iemand bij elkaar waren, werd zijn belofte vervuld. “Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevig windvlaag, dat het huis waarin ze zich bevonden, geheel vulde”, schrijft de auteur van De handelingen van de apostelen. “Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de Heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven” (Hnd 2,1-4). De reacties waren voorspelbaar. Sommigen waren buiten zichzelf van verbazing (Hnd 2,5-12), anderen meenden dat degenen die het was overkomen, te veel hadden gedronken (Hnd 2,13). Tijd dus voor opheldering. En die kwam, in de vorm van een toespraak van Petrus, waarin de gang van zaken werd uitgelegd en in een kader geplaatst. (Hnd 2,14-36). Het gevolg ervan was dat velen hun zonden bekenden en zich lieten dopen. Zo ontstond de eerste substantiële uitbreiding van de jonge christelijke gemeenschap (Hnd 2,37-42).

“Het is en blijft een groot wonder,” zegt Augustinus in preek 267, “Alle aanwezigen hadden maar één taal geleerd. De Heilige Geest kwam, ze werden van Hem vervuld en begonnen in de vreemde talen van alle volken te spreken, talen die ze niet kenden en ook niet hadden geleerd. Maar de Heilige Geest onderwees hen” (preek 267,2). Hij kan er met zijn verstand nauwelijks bij. “De Heilige Geest stortte zich over hen uit. En toen was dat teken er: ieder die de Heilige Geest had ontvangen, sprak plotseling in de talen van allen” (preek 267,2).

Geen wonder dat de toeschouwers verbaasd waren, nuchter beschouwd. Augustinus toont zelfs enig begrip voor degenen die meenden dat de leerlingen te veel hadden gedronken. “Ze waren in afwachting van de vervulling van de belofte met zijn allen bijeen in gebed, ” zegt hij, “omdat ze nu met het geloof naar de Heilige Geest hunkerden, met gebed en geestelijk verlangen. Ze waren als nieuwe wijnzakken. Ze stonden te wachten op de nieuwe wijn uit de hemel” (preek 267,1, vgl. Mt 9,17). De woorden van de spotlustigen waren dus, zonder dat ze het zelf beseften overigens, niet onwaar: “De nieuwe wijnzakken waren immers gevuld met nieuwe wijn” (preek 267,2, vgl. Mt 9,17), want, zegt de bisschop: “de grote Druiventros was al geperst” (preek 267,1).

In Augustinus’ tijd gebeurde met de gelovigen niet meer precies datgene wat destijds was gebeurd (dat was niet meer nodig). Klaarblijkelijk leidde dat tot ongeruste vragen. “Wordt de Heilige Geest nu dan niet gegeven? Wie die vraag in zich laat opkomen, is het niet waard Hem te ontvangen,” stelt Augustinus (preek 267,3), “Ja natuurlijk, nu wordt Hij ook nog gegeven.” We schrijven 2 juni 412, want dat is de datum waarop preek 267 volgens de geleerden zou zijn uitgesproken. De gevolgen van de gave van de Geest waren af te lezen aan de zich gestaag uitbreidende kerk, die een eenheid vormde. Augustinus legt het uit aan de hand van een vergelijking, waarin de Heilige Geest tot de kerk staat als de ziel tot het lichaam. “Onze geest, die maakt dat we leven,” zegt hij, “wordt ook wel ziel genoemd. Laten we eens kijken wat de ziel precies doet in het lichaam. De ziel brengt het lichaam tot leven. Met de ogen ziet ze, met de oren hoort ze, met de neus ruikt ze, met de tong spreekt ze, met de handen werkt ze en met de voeten loopt ze. De ziel zit in het hele lichaam, en daardoor komt dat tot leven. Ze geeft leven aan het hele lichaam, en kent functies toe aan de afzonderlijke lichaamsdelen. De ogen horen niet, de oren zien niet, de tong ziet niet, en ook spreken de oren en de ogen niet. Maar leven doen ze wel. De oren leven en de tong ook” (preek 267,4).

Dat is duidelijk. Maar wat wil Augustinus ermee? In hoeverre is het van toepassing op de Heilige Geest en de kerk? “Zo is het ook met de kerk. In sommige heiligen doet ze wonderen, in andere verkondigt ze de waarheid. In sommige heiligen waakt ze over de maagdelijkheid, in andere waakt ze over de kuisheid binnen het huwelijk. In sommige doet ze zus, in andere zo. Ieder voor zich doen ze hun eigen werk,” net als de verschillende delen van het menselijk lichaam, “maar leven doen ze op dezelfde manier” (preek 267,4).

De conclusie is eenvoudig: “Welnu, wat de ziel is voor het lichaam van de mens, is de Heilige Geest voor het lichaam van Christus. En het lichaam van Christus is de kerk” (preek 267,4). Het lichaam van de mens kan niet leven zonder de ziel, het lichaam van Christus kan niet leven zonder de Heilige Geest. Het moet leven, groeien en één zijn. Daarom wordt de Heilige Geest ons ook nu nog gegeven. In een andere context, dat is waar, maar toch... Het teken is overbodig geworden. Wij hebben geen verwijzing meer nodig. “Datgene waarnaar het teken verwees, is nu vervuld” (preek 267,3). Wij hebben van doen met de realiteit. Daarom heeft onze tijd genoeg aan een viering waarin de gekende feiten in herinnering worden gebracht. En dat is wat er op de dag van Pinksteren gebeurt.


Tekst:
Joost van Neer
Gebruikte literatuur :
Als licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) / Augustinus ; vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama o.s.a. - Baarn: Ambo, 1996. - ISBN : 90-263-1390-x. - preek 267, blz 236-238.

 

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019