Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Pin01

Augustinus preekt op de dag van Pinksteren (sermo 272B*)

Inleiding op preek 272B*

Van de preken die Augustinus op Pinksteren heeft gehouden, zijn er negen overgeleverd, de nummers 267, 268, 269, 270, 271, 272, 272A, 272B en 378. Eén preek, 266, sprak hij uit tijdens de vigilie op de avond voor Pinksteren. Al deze preken zijn inmiddels in het Nederlands vertaald.
Met preek 272B is iets bijzonders aan de hand. Van deze preek werd in het recente verleden een nieuwe, met twee hoofdstukken uitgebreide tekst gevonden. Deze vondst maakte een nieuwe tekstuitgave mogelijk, die in 1998 verscheen. Om de nieuwe tekst van de oude te onderscheiden noemde men deze preek 272B*. Hieronder vindt u een nieuwe, herziene en uitgebreide vertaling, die de vertaling in Aurelius Augustinus, Als licht in het hart, Baarn 1996, blz. 239-244 vervangt.

Het is niet eenvoudig om te bepalen waar en wanneer Augustinus deze preek heeft gehouden. Een enkele keer geven criteria binnen of buiten een tekst enig houvast. Met de verschijning van de nieuwe teksteditie van preek 272B* werden ook deze gegevens aangepast. Augustinus moet deze preek hebben uitgesproken in zijn eigen stad Hippo, op een zondagnamiddag tussen 413 en 415.

De overgeleverde Pinksterpreken kunnen worden onderverdeeld in twee groepen: een groep van vóór het jaar 412 (266, 267, 268, 269, 271 en 272) en een van na 412 (270 en 272B*). Van twee preken is de datum onbekend. De preken van vóór 412 hebben als centraal thema de eenheid binnen de kerk, die van na 412 behandelen de verhouding tussen de ontvangst van de heilige Geest, het hoofdthema van het christelijke Pinksterfeest, en de ontvangst van de joodse wet, het hoofdthema van het joodse Pinksterfeest.

Waarom het jaar 412? In dat jaar begon Augustinus zich op te maken voor een jarenlange strijd tegen het gedachtegoed van de Britse asceet Pelagius. Deze Pelagius was in 410, toen Alarik Rome belegerde, naar de provincie Africa gevlucht. Hoewel hij daar ook Hippo aandeed, ontmoette hij Augustinus niet persoonlijk. Samen met enkele volgelingen werkte hij zijn leer uit, waarin Gods genade slechts een bescheiden rol kreeg toebedeeld. In de ogen van deze pelagianen was de menselijke wil vrij, was de menselijke natuur goed en bestond er geen erfzonde.

Augustinus verzette zich tegen het onderricht van de pelagianen uit angst dat hun leer zich zou verspreiden en de geloofsgemeenschap zou worden beperkt tot een ascetische elite. Dit deed hij niet alleen in een groot aantal geschriften, maar ook in verschillende preken. Al deze geschriften en preken stammen uit de periode tussen 412 en 418, het jaar waarin het pelagianisme officiëel door de kerk werd veroordeeld.

Augustinus’ uitgangspunt was altijd: één van hart en één van ziel (naar Hnd 4,32). Juist de genade van God gaf in zijn ogen iedereen de gelegenheid om zich in de kerk thuis te voelen. Wie als mens niet sterk genoeg was en volgens de pelagianen weinig kansen had, kon naar katholiek inzicht altijd rekenen op de genade van God.

Het was een moeilijke zaak, die een uitvoerige en zorgvuldige uitleg behoefde. In de verschillende geschriften en preken zien we evenzovele stadia van de ontwikkeling van Augustinus’ standpunt in deze kwestie. Zijn visie zou een grote invloed gaan uitoefenen op de geschiedenis van de kerk.

Preek 272B* is een voorbeeld van een preek waarin Augustinus aspecten van de pelagiaanse kwestie aan de orde stelt. Zoals vaker noemt hij de andersdenkenden, hier de pelagianen, niet met name. In deze preek vergelijkt Augustinus het christelijke met het joodse Pinksterfeest, zoals het in het Nieuwe en het Oude Testament beschreven staat (Hnd 2,1-13; Ex 34,22; Nu 28,26-31). Opgemerkt zij daarbij dat het Nieuwe Testament voor Augustinus de voltooiing of vervulling van het Oude betekende. In het Oude Testament gaat het om Gods heilsplan met het joodse volk, in het Nieuwe zien de christenen de verkondiging van Gods heil voor alle volken op aarde. Zo bezien zag het christendom zichzelf dikwijls als de vervulling van het jodendom. Augustinus actualiseert die verhouding voor zijn toehoorders door haar te betrekken op de problemen met de pelagianen: zo koppelt hij de joden van het Oude Testament in deze preek heel subtiel aan de volgelingen van Pelagius.

De overeenkomst tussen beide groepen ligt hierin dat volgens Augustinus noch de joden, noch de pelagianen de genade van de heilige Geest hadden ontvangen: de joden konden het niet, de pelagianen wilden het niet. En juist dit laatste maakte hen zo omstreden: ze vormden immers een christelijke beweging die optimaal toegang had tot de genade. Toch sloten ze zich daarvoor af. Augustinus wilde uitdrukkelijk voorkomen dat deze houding de katholieke kerk voor eenvoudige gelovigen minder toegankelijk zou maken.

Augustinus grijpt de vergelijking tussen het joodse en het christelijke Pinksterfeest dus aan om de rol van de goddelijke genade extra reliëf te geven. Hiermee hoopte hij bij zijn achterban meer begrip te kweken voor zijn standpunt. Hem ging het namelijk om een zo breed mogelijke kerk, die openstaat voor iedereen die dat wil.

Hieronder volgt de nieuwe, integrale vertaling van preek 272B*.

top

 

Vertaling van preek 272B* De vinger van God

      [1] Vandaag viert de Kerk van de Heer de komst van de heilige Geest. Ik denk dat u dat wel weet, mijn geliefden. De Heer had zijn apostelen immers beloofd dat Hij de heilige Geest zou zenden (Lc 24,49; Joh 14,16; 15,26; 16,7; Hnd 1,4; 1,8). En helemaal in overeenstemming met de oprechtheid van zijn belofte heeft Hij dat ook gedaan. Eerst werd de goddelijkheid van de Heer, die omwille van ons mens heeft willen worden, in het geloof van de mensen bevestigd door zijn verrijzenis. Zijn hemelvaart was een tweede, sterkere bevestiging van hun geloof. En het werd nòg voller en volmaakter door de gave van de heilige Geest die Hij zond, waarbij Hij zijn leerlingen, die al nieuwe zakken waren geworden om de nieuwe wijn te kunnen opnemen (Mt 9,17; Mc 2,22; Lc 5-37-38), vervulde met de heilige Geest. Daarom zei men, toen de leerlingen in vreemde talen spraken (Hnd 2,4), dat ze dronken waren en dat ze zich aan zoete wijn te buiten waren gegaan (Hnd 2,13; 2,15). Dit soort uitspraken van de toehoorders vormden een getuigenis van wat de Heer eerder had gezegd. Er staat namelijk in de Schrift: “Niemand doet nieuwe wijn in oude zakken (Mt 9,17; Mc 2,22; Lc 5,37-38).” Hij bereidde dus nieuwe wijn voor nieuwe zakken.
      Zolang de leerlingen Christus als een gewoon mens zagen, waren ze namelijk oude zakken. En bij dat beeld past wat de apostel Petrus zei, toen hij bang was dat Christus ging sterven, en dat de Heer op dezelfde manier aan zijn eind zou komen als de andere mensen. Toen Petrus dat verwoordde, zei de Heer tegen hem: “Ga weg, satan! Uit mijn ogen! Je bent Me een aanstoot (Mt 16,23).” Door zijn angst was Petrus onzeker, en dat sluit aan bij het beeld van de oude zakken. Maar toen de Heer was verrezen, toen Hij zich aan zijn leerlingen had laten zien en die Hem hadden betast, terwijl ze Hem toen Hij aan het kruis hing, nog hadden beweend (Mt 27,56; Mc 15,40; Mt 28,9; Lc 23,48; 24,39; Joh 20,27), tóén zagen ze dat zijn lichaam leefde - hoewel ze het nog onlangs, toen het dood en begraven was, hadden beweend. Hij leefde, en daardoor werden ze in hun geloof gesterkt. Vanaf dat moment geloofden ze in Hem.
      De Heer klom op naar de hemel (Hnd 1,9) en droeg zijn leerlingen op om op één plaats bijeen te komen en daar te wachten totdat Hij zou zenden wat Hij had beloofd (Lc 24,49; Joh 14,16; 15,26; 16,7; Hnd 1,4; 1,8). Daarom kwamen ze op één plaats bijeen (Hnd 10,1), en door te blijven bidden en te blijven verlangen naar wat hun was beloofd, wisten ze het oude af te leggen en het nieuwe aan te trekken (Kol 3,9-10; Ef 4,22-24). Ze waren er dus ontvankelijk voor geworden, en daarom ontvingen ze de heilige Geest (Hnd 2,3-4), op de dag van Pinksteren (Hnd 2,1). En het is niet zonder reden dat wij die dag vieren als de dag van een groots en wel heel duidelijk heilig teken.
      Let goed op, mijn geliefden! Het Oude en het Nieuwe Testament stemmen in dit opzicht heel sterk met elkaar overeen. In het Oude Testament wordt de genade beloofd, in het Nieuwe wordt de genade gegeven. In het Oude Testament wordt de genade voorafgebeeld, in het Nieuwe wordt de genade voltooid. Vergelijk het maar met het werk van een beeldend kunstenaar. Wanneer een beeldend kunstenaar voorwerpen vormt uit metaal - brons of zilver - dan maakt hij de vormen die hij wil gaan gieten, eerst in was. Met zo’n wassen model legt hij de basis voor het duurzame beeld van straks, hij maakt immers mallen die hij later volgiet. Zo ging ook de Heer te werk. Voor het oude volk maakte Hij ontwerptekeningen en schaalmodellen, voor het nieuwe volk vervulde Hij alles, door het in een zeer volmaakte vorm te gieten. Wat die voorbereidende werkzaamheden nu betekenen, en wat die vervulling op de dag van Pinksteren inhoudt, daar moet u, mijn geliefden, nog eens wat zorgvuldiger naar kijken. Het loont de moeite. Hoe beter u luistert naar wat ik zeg, hoe meer vruchten u ervan zult plukken. Ja, ook u moet nieuwe zakken worden, want dan kunt u door mijn dienstwerk de wijn opnemen.
      [2] Er wordt mij vaak gevraagd: “Als wij christenen op de dag van Pinksteren de komst van de heilige Geest vieren, waarom vieren de jóden dan Pinksteren?” Want ook de joden kennen het Pinksterfeest. Als u goed hebt opgelet vanmorgen, toen de lezing uit Tobit werd voorgelezen bij het graf van de zalige Theogenes, dan hebt u gehoord dat Tobit op de dag van Pinksteren een maaltijd had laten klaarmaken (Tob 2,1). Hij was namelijk van plan om een paar volksgenoten uit te nodigen, die het hadden verdiend om de tafel met hem te delen omdat zij de Heer vreesden (Tob 2,2). Tobit gebruikt dan de volgende woorden: “Op de dag van Pinksteren, dat wil zeggen: het heilige Wekenfeest (Tob 2,1; Ex 34,22; Nu 28,26-31).” Want zeven maal zeven dagen is negenenveertig dagen. Omwille van de eenheid moeten we daar dan nog één dag bij optellen, en dan komen we weer bij de oorsprong, het Hoofd (Lv 23,15-16), want eenheid geeft een menigte macht. Als een menigte geen eenheid vormt, zal zij altijd geneigd zijn tot ruziemaken en procederen. Een eendrachtige menigte is daarentegen één van ziel, zoals dat ook het geval was bij hen die de heilige Geest ontvingen. De Schrift zegt dan: “De menigte was één van hart en één van ziel, op weg naar God (Hnd 4,32).” Zo komen we uit op vijftig dagen, dat wil zeggen: het heilig teken van Pinksteren.
      Maar waarom vieren de jóden dan Pinksteren, behalve dan omdat er een voorafbeelding in ligt? Let goed op. U weet het al, en er is niet één christen die niet weet wat ik nu ga zeggen. Bij de joden wordt er een lam geslacht en Pasen gevierd ter voorafbeelding van het latere lijden van de Heer. Zij hadden namelijk óók de opdracht gekregen om een lam te zoeken dat afstamde van geiten en schapen (Ex 12,5). Hoe kun je nu een lam vinden dat afstamt van geiten en schapen? Maar goed, al was die opdracht onmogelijk, zij kondigde iets aan wat later bij de Heer wel mogelijk zou zijn. Er werd immers wel degelijk een lam gevonden dat afstamde van geiten en schapen, want onze Heer Jezus Christus, naar het vlees geboren uit het zaad van David (Rom 1,3), stamt af van zondaars en rechtvaardigen. In de stamboom van de Heer treft u bij de geslachten die de evangelisten noemen, zowel vele zondaars aan, als rechtvaardigen (Mt 1,1-17; Lc 3,23-38). Daarom riep Hij ook zùlke mensen - en ik heb het nu over de zondaars - want hij was ook door zulke mensen gekomen. Hij brengt zijn Kerk immers bijeen uit rechtvaardigen en zondaars. De rechtvaardigen zal Hij naar het rijk der hemelen sturen, de zondaars die volharden in hun zonden en hun kwalijke gedrag, zal Hij afzonderen (Mt 25,31-46). Toch is Hij, om onze zonden te dragen, op zo’n manier gekomen, dat Hij het niet beneden zijn waardigheid achtte om af te stammen van zondaars. En daarin, in die geslachten, liggen vele heilige tekenen, en God zal zeker zo goed zijn om mij de tijd te geven om die, mijn geliefden, ook nog een keer aan u uit te leggen. Maar laten we nu de draad weer oppakken.
      [3] We hadden het over de dag van Pinksteren en over de vraag waarom de jóden die dag vieren. Met Pasen slachten de joden een lam: het paaslam. Zo vieren ook wij Pasen, wanneer het smetteloze lam zonder schuld is geslacht (Ex 12,5; 1 Pe 1,19). Ja, het was echt een lam, en Johannes legde er getuigenis over af, toen hij zei: “Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt (Joh 1,29).” Door zíjn lijden vieren wíj Pasen. De joden ontvingen de wet in vrees (Ex 19), de christenen ontvingen de heilige Geest in genade. Als gevolg van hun vrees konden de joden de wet niet vervullen, en daarom ligt het aan de wet dat ze schuldig zijn geworden.
      Vijf boeken omvat de wet, vijf zuilengangen omgaven de vijver van Salomo (Joh 5,2; Hnd 3,11). Ze lagen vol met zieken (Joh 5,3), maar niemand van hen kon er beter worden. Vijf zuilengangen lagen vol met zieken, maar evenals bij de wetboeken werd daar niemand beter. Waarom niet? Omdat ze zo hoogmoedig waren. Wanneer ze immers denken dat ze door eigen kracht kunnen vervullen wat er is opgedragen, hebben ze niet vervuld wat er is voorgeschreven. En de wet was tegen hen, want in de wet worden ze schuldig bevonden, totdat ze dàt uitroepen wat ik ook vanmorgen al tegen u heb gezegd, mijn geliefden: “Rampzalige mens die ik ben! Wie zal mij bevrijden van het lichaam van deze dood? De genade van God door middel van Jezus Christus onze Heer (Rom 7,24-25)!” De wet wijst dus schuldigen aan, de genade bevrijdt van schuld. De wet dreigt, de genade stelt gerust. De wet stuurt aan op bestraffing, de genade belooft kwijtschelding. Toch zijn het precies dezelfde dingen die worden voorgeschreven in de wet en in de genade. En daarom zegt men dat de wet door de vinger van God is geschreven. Zo is de Schrift tot ons gekomen (Ex 31,18; Dt 9,10).
      [4] Maar wat is de vinger van God? Laten we het antwoord op die vraag zoeken in het evangelie. En daar zullen we het ook vinden. Wat betekent de vinger van God? God heeft toch niet de contouren van een lichaam zoals wij? Hij kan toch niet met de ene kant wèl zien en met de andere niet? Of zou God die overal in zijn geheel en in alles aanwezig is, worden begrensd door de vorm van zijn ledematen? Wat is de vinger van God dan? De vinger van God is de heilige Geest. Let goed op. Hoe kan ik dit bewijzen? Dat doe ik op grond van het evangelie. Een enkele keer spreekt de ene evangelist zich namelijk duidelijker uit over wat de andere figuurlijk aanduidt. Ergens in het evangelie staat dat de joden van de Heer zeiden dat Hij de demonen uitdreef in de naam van Beëlzebul (Mt 12,24; Mc 3,22; Lc 11,15). Maar de Heer antwoordde: “Als Ik de demonen door de vinger van God uitdrijf, dan is het rijk van God inderdaad tot u gekomen (Lc 11,20; vgl. Mt 12,28).” Een andere evangelist legt hetzelfde als volgt uit: “Als Ik de demonen door de Geest van God uitdrijf, dan is het duidelijk dat het rijk van God tot u is gekomen (Mt 12,28; vgl. Lc 11,20).” Dus als de ene evangelist het over de vinger van God heeft, legt de andere dat uit om ons te laten zien dat de heilige Geest de vinger van God is.
      Wij mogen dus niet denken dat God gewone vingers heeft, nee, wij kunnen beter proberen te begrijpen waarom de heilige Geest de vinger van God wordt genoemd. Dat gebeurt omdat de apostelen door middel van de heilige Geest een verscheidenheid van gaven hebben gekregen (1 Kor 12,4). Welnu, in de verscheidenheid van de vingers kunnen we zien hoe de hand is opgebouwd. We kunnen ermee tellen en we kunnen ermee uitdelen. En wat is nu het antwoord op de vraag waarom de joden Pinksteren vieren? Het is een groot heilig teken, broeders en zusters, een in alle opzichten wonderlijk teken. Hebt u het in de gaten? Op de dag van Pinksteren hebben zíj de door de vinger van God geschreven wet ontvangen, op de dag van Pinksteren is bij òns de heilige Geest gekomen.
      [5] Eén ding moet ik nog bewijzen met betrekking tot de wet die ons werd gegeven. De joden ontvingen haar op platen van steen (Ex 31,18; Dt 5,22; 9,10), wat op de onbuigzaamheid van hun hart wees, maar zij werd wel door de vinger van God geschreven (Dt 9,10). Alles wat daar geschreven staat, wordt namelijk ook aan de christenen voorgeschreven, maar dan, zoals de apostel Paulus zegt, niet op platen van steen maar op platen van vlees in het hart (2 Kor 3,3). Dat is dus het verschil: toen de wet in onbuigzame harten werd geschreven, werd zij niet vervuld; maar toen dezelfde wet aan de al gelovige harten van de christenen werd gegeven, was zij een milde wet en één die altijd geldt. Daarom dus die platen van steen. De harten van de christenen vormden echter vruchtbare grond, die veel kan opbrengen.
      Daarom zei de Heer in het evangelie, toen ze die vrouw bij Hem hadden gebracht die op overspel was betrapt (Joh 8) - de joden wilden haar met de wet voor ogen stenigen, terwijl de Heer wilde dat ze van dan af niet meer zou zondigen, omdat Hij bereid was om haar haar zonde te vergeven - daarom zei de Heer tegen hen die haar wilden stenigen omdat ze zelf van steen waren: “Als er zich onder u iemand bevindt, die zonder zonden is, laat die dan als eerste een steen op haar werpen (Joh 8,7).” En toen Hij dit had gezegd, bukte Hij zich en begon met zijn vinger op de grond te schrijven. Daarop onderzochten de joden hun geweten en dropen één voor één af, van de oudste tot de jongste, en alleen die vrouw bleef achter (Joh 8,3-9). Toen keek de Heer op en vroeg haar: “Moet je zien, vrouw! Heeft niemand je veroordeeld?” Ze antwoordde: “Niemand, Heer.” En de Heer zei: “Ook Ik veroordeel je niet. Ga heen en zondig van nu af niet meer (Joh 8,10-11).”
      Waar wees die kwijtschelding nu op? Op de genade. En die onbuigzaamheid dan? Op de wet, die was gegeven op platen van steen. Daarom schreef de Heer met zijn vinger, maar dan wel op grond (Joh 8,6), want daar kon het vrucht opbrengen. Van wat op steen wordt gezaaid, komt niets uit, omdat het daar geen wortel kan schieten (Mt 13,3-9; Mc 4,3-9; Lc 8,5-8). We hebben dus twee maal de vinger van God. Enerzijds heeft de vinger van God de wet geschreven, anderzijds is de vinger van God de heilige Geest.
      [6] De wet werd gegeven op de dag van Pinksteren. Ook de heilige Geest kwam op de dag van Pinksteren. Maar goed, ik had gezegd dat ik zou bewijzen dat de joden de wet ontvingen op de vijftigste dag, gerekend vanaf het Pasen dat wíj vieren. U weet dat het hun is voorgeschreven dat ze op de veertiende dag van de eerste maand een lam moeten slachten en Pasen moeten vieren (Ex 12,6; 12,18). Er blijven dus zeventien dagen van die maand over, als je tenminste de veertiende dag meetelt, de dag waarop Pasen begint. De joden kwamen aan in de woestijn en daar werd hun de wet gegeven. De Schrift zegt het zo: “Drie maanden nadat het volk uit Egypte was weggevoerd (Ex 19,1), zei de Heer tegen Mozes dat zij die de wet zouden ontvangen, zich moesten reinigen voor de derde dag, de dag waarop de wet zou worden gegeven (Ex 19,10-11).” In het begin van de derde maand wordt er dus een reiniging opgedragen voor de derde dag. En Pasen begint ...
      Pas op dat het u van al die getallen niet gaat duizelen en dat ze uw begrip niet verduisteren. Ik probeer het zo helder mogelijk onder woorden te brengen, als het de Heer belieft. Als ù me nu helpt door op te letten, zult u snel zien wat er wordt bedoeld. Maar als u niet oplet, zal alles wat ik zeg, duister blijven, al leg ik het ook nog zo duidelijk uit.
      Pasen wordt dus vastgesteld op de veertiende dag van de maand. En dan wordt die reiniging opgedragen opdat de wet die was geschreven door de vinger van God, op de berg kon worden gegeven. En die vinger van God is de heilige Geest. Niet vergeten, want ik heb dit bewezen op grond van het evangelie. De reiniging wordt vastgesteld op de derde dag van de derde maand. Trek nu van de eerste maand dertien dagen af, dan blijven er zeventien dagen over, te beginnen bij de veertiende. Tel er de hele volgende maand bij op, dat maakt dan zevenenveertig dagen. Vanaf de dag waarop de reiniging plaatsvindt, tot aan de derde dag, dat zijn drie dagen. En zo komen wij uit op een totaal van vijftig dagen. Het kan niet duidelijker, het kan niet helderder: op de dag van Pinksteren hebben de joden de wet ontvangen.
      [7] Maar voor onbuigzame mensen was het een last, voor onbuigzame mensen was het een loden last. Maar de Heer komt met genade te hulp en roept: “Kom naar Mij toe, allen die uitgeput zijn en onder lasten gebukt gaan, en Ik zal u verkwikken. Neem mijn juk op uw schouders en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel, want mijn juk is zacht en mijn last is licht (Mt 11,28-30).” Hoezo is zijn juk zacht? De wet dreigt, de Heer stemt gerust. De wet zegt: “Als u het een of ander niet doet, zal ik u straffen.” Christus zegt: “Alles wat u hebt gedaan, vergeef Ik u. Zie er op toe dat u van nu af niet meer zondigt (Joh 8,11).” Daarom is zijn juk zacht en zijn last licht.
      Laten wij ons tot nieuwe zakken laten maken, en laten we gespannen naar zijn genade uitzien: we zullen helemaal worden vervuld van de heilige Geest. En door de heilige Geest zal de liefde in ons zijn, wanneer we eenmaal in vervoering zijn gebracht door de nieuwe wijn en dronken zijn van de dronken makende en fonkelende beker (Ps 22 (23),5). Zo kunnen we de dingen van de wereld die ons vasthielden, vergeten, zoals ook de martelaren ze vergaten, toen ze hun lijden tegemoet gingen - ze dachten niet meer aan hun kinderen en hun vrouwen, aan hun ouders die zich as op het hoofd strooiden, en aan hun moeders die hun borsten ontblootten met het verwijt dat ze hun melk hadden verspild, en die geen eten meer wilden aanraken. De martelaren vergaten alles en kenden niet eens meer hun eigen familieleden. Waarom verwondert het u dat een martelaar zijn eigen familieleden niet meer kent? Zo iemand is dronken. Maar waarvan is hij dan dronken? Van liefde. En waar komt die liefde vandaan? Van de vinger van God, van de heilige Geest, van Hem die is gekomen met Pinksteren.
      [8] Hoe kan ik bewijzen dat de liefde van de heilige Geest komt en dat zij de wet vervult? Het laatste kan ik bewijzen aan de hand van de woorden van de apostel: “De liefde is de volheid van de wet (Rom 13,10).” En ergens anders zegt hij: “De liefde voor de naaste bewerkt geen kwaad (Rom 13,10). Want de geboden: u zult niet echtbreken, u zult geen diefstal plegen, u zult geen moord begaan, u zult niet begeren, en wat er verder nog wordt geboden, kan in deze ene uitspraak worden samengevat: u zult uw naaste liefhebben als uzelf (Rom 13,9).” Het is dus de liefde die de wet vervult. En hoe kan ik bewijzen dat de liefde van de heilige Geest komt? Luister maar naar de apostel. De apostel zegt dat we ons beroemen op onze kwellingen (Rom 5,3). De joden werden door die kwellingen gedwòngen om de wet te vervullen, maar ze kònden het niet. De christenen werden door die kwellingen niet van de wet afgehouden, nee, het was veeleer zo dat ze door die kwellingen op de wet afrenden. Begrijpt u wat ik bedoel, broeders en zusters? Er werd een straf vastgesteld voor de joden, die inhield dat iedereen die een offer bracht aan afgoden, zou worden gestenigd of gekruisigd. Het gevolg hiervan was dat ze onder druk kwamen te staan van vrees in plaats van zich te laten dragen door liefde. Ze vreesden niet omdat ze werden overmeesterd door begeerte, en ze liepen achter afgoden aan, omdat hun de dreiging van dood door kruisiging of steniging boven het hoofd hing, en ze werden niet weerhouden door die straffen.
      Later, want de gewone liefde en de vrees waren er al, volgde de liefde van de heilige Geest: het evangelie dat aan de heidenen werd verkondigd. Om er maar voor te zorgen dat de christenen die uit de heidenen voortkwamen, offers zouden brengen aan de afgoden, begon men hun dreigend voor te houden dat ze zouden worden verbrand, gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Maar ze doorstonden alle bedreigingen en alle aanvallen van hun machthebbers, en hun hart wendde zich ondanks alles niet tot de afgoden.
      Die straffen konden de joden niet bij de afgoden weghouden, die straffen konden de christenen niet dwingen om naar de afgoden te gaan: de liefde die van de heilige Geest kwam, was er al. “Maar,” zegt de apostel, “wij beroemen ons zelfs op onze kwellingen, omdat we weten dat de kwelling geduld bewerkt, het geduld beproefde deugd (Rom 5,3-4)” - ik wil namelijk bewijzen dat de liefde die de wet van God vervult, van de heilige Geest komt - want, zegt de apostel, “de kwelling bewerkt geduld, het geduld beproefde deugd en de beproefde deugd hoop. En de hoop stelt niet teleur, want de liefde van God is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd gegeven (Rom 5,3-5).”
      [9] Daarom vieren we ieder jaar opnieuw de komst van de heilige Geest, broeders en zusters, hoewel de heilige Geest eigenlijk iedere dag in ons hart zou moeten zijn. Want we mogen niet denken dat dat feestgevoel er alleen maar met Pinksteren hoeft te zijn en op de andere dagen niet. Laten we Pinksteren niet alleen vandaag vieren, nee, laten we het voortdurend blijven vieren. Dan worden we tenminste niet verwòrpen (1 Kor 9,27), maar góéd bevonden op de dag waarop de Heer zal komen (1 Tes 5,2; 2 Pe 3,10) om hen, aan wie Hij het onderpand heeft gegeven (2 Kor 1,22), ook naar het eeuwigdurende bezit te leiden. Toen Christus zich met zijn Kerk verloofde, zond Hij haar immers de heilige Geest. Die Geest werd haar bij wijze van ring gegeven. Hij die haar die ring gaf, wil haar ook de rust van de onsterfelijkheid geven. Laten we van Hem houden, op Hem hopen en in Hem geloven.
      U moet \'s morgens een beetje eerder komen, om aanwezig te zijn wanneer de hymnen voor God worden gezongen. Anderen worden dronken van de wijn van de aardse wijnstok, wat een bewijs is voor hun onmatigheid. Aan ons is het dronken te worden van de gezangen voor God. Mogen wij, door de Heer met heilzame gezangen te blijven loven, ooit de aarde vergeten om het te verkrijgen dat wij van de aarde naar de hemel worden verheven (Hnd 1,9). Moge onze Heer Jezus Christus ons dat verlenen, die leeft en heerst samen met God, de Vader.


Tekst Joost van Neer
Vertaling Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar
Gebruikte literatuur
- Joost van Neer, Augustinus\' Pinksterpreek 272B*, in: Jaarboek voor Liturgie-onderzoek 19 (2003), p. 175-196.
- Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: Preken voor het liturgisch jaar (1) / vertaald door Joost van Neer, Martijn Schrama OSA, Anke Tigchelaar en Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door Martijn Schrama o.s.a. - Baarn: Ambo, 1996. - ISBN : 90-263-1390-x. - p. 239-244 (preek 272B - oude versie)
- Profetisch tegoed, De Joden in Augustinus\' De Civitate Dei / W. ten Boom. - Kampen: Kok, 2002. - ISBN: 90-435-0591-9
- F. Dolbeau, Finale inédite d’un sermon d’Augustin (S. Mai 158), extraite d’un homéliaire d’Olomouc, in: Revue des Études Augustiniennes 44 (1998), 181-202; 196-202 (preektekst).

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019