Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > All03 Zondig zijn is dood zijn
zoeken
printen

All03 Zondig zijn is dood zijn

 
Augustinus' sermo 67: belijden is leven!

 


Op 2 november, één dag na Allerheiligen, wordt Allerzielen gevierd, de dag waarop alle doden worden herdacht. Augustinus komt met een eigen, troostrijke visie op dood en leven.

Meer dan eens vergelijkt Augustinus zondig zijn met dood zijn. In preek 67 doet hij dat naar aanleiding van wat Jezus tegen de Vader zegt, en dat is: “Ik belijd” (Mt 11,25). Belijden, concludeert Augustinus, is dus duidelijk niet alleen maar ‘je schuld belijden’. Als dat zo was, had Jezus dat woord nooit kunnen gebruiken. Nee, het kan ook ‘je dank belijden’ zijn, iets wat je tot uitdrukking kunt brengen door God te prijzen. En dat is precies wat Jezus doet. Het is dan ook de bedoeling dat de mensen zijn voorbeeld gaan volgen. Doen ze dat ook, dan zullen de beide op het eerste gezicht tegenstrijdige betekenissen ineens allesbehalve tegenstrijdig blijken. “Welbeschouwd is jezelf terechtwijzen hetzelfde als Hem prijzen”, zegt Augustinus (sermo 67,2). Je schuld belijden is dus niets anders dan je dank belijden. Hoe dat kan? Als zondig zijn hetzelfde is als dood zijn, moet niet zondig zijn leven zijn, en je schuld belijden dus levend worden. “Je was dood, maar bent weer levend geworden”. Augustinus beroept zich op een tekst uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach: “Bij een dode, die is alsof hij niet bestaat, verstomt het belijden (Sir 17,28). En als het belijden verstomt, kan iemand die belijdt, niet dood zijn”. Het is zo helder als de dag: wie zijn schuld of zijn dank belijdt, leeft.

Er kan geen overgang van dood naar leven plaatsvinden als je niet wordt opgewekt. “Geen enkele dode kan zichzelf opwekken”, aldus Augustinus. Alleen Christus kon dat. Gewone mensen hebben zijn hulp nodig. “De zondaar is een dode, vooral als de zware last van zijn slechte gewoonten op hem drukt”. De zware last van slechte gewoonten doet de bisschop denken aan de aarde waaronder je na je dood wordt begraven: “Eigenlijk is hij dan al begraven, zoals Lazarus” (Joh 11,17). Wie zondig is, is dus niet alleen dood, maar ook begraven. “Dat Lazarus dood was, was kennelijk nog niet genoeg. Hij moest ook nog begraven zijn”. “Wie dus de druk voelt van de last van zijn slechte gewoonten, van zijn slechte levenswandel, kortom: van zijn slechte begeerten, wie al is overkomen wat er in een psalm meewarig wordt gezegd: ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God’ (Ps 13 (14),1 en Ps 52 (53),1), zo iemand lijkt op degene van wie men zegt: ‘Bij een dode, die is alsof hij niet bestaat, verstomt het belijden’” (Sir 17,28). Zo iemand is niet meer in staat om zichzelf op te wekken. “Wie anders zal hem dan opwekken dan Hij die riep, toen de steen was weggenomen: ‘Lazarus, kom naar buiten’? (Joh 11,43) Naar buiten komen is toch niets anders dan naar buiten brengen wat verborgen was? Wie belijdt, komt naar buiten. Als je niet leeft, kun je niet naar buiten komen. En als je niet wordt opgewekt, kun je niet leven. Dus: jezelf beschuldigen door je zonden te belijden betekent God prijzen”.

Welke rol is er in dit kader nog voor de kerk? Als je je zonden belijdt, en vervolgens door de Heer wordt opgewekt, waarom dan nog naar de kerk gegaan? “Blijf aan Lazarus denken. Lazarus kwam volledig omzwachteld naar buiten, maar hij leefde al wel, door te belijden. Vrij rondlopen kon hij echter nog niet. Hij zat nog verstrikt in zijn zwachtels. Wat kan de kerk dan doen? ‘Wat u ontbindt, zal ontbonden zijn’ (Mt 16,19), zegt de Heer tegen haar. De kerk hoeft dus niets anders te doen dan wat de Heer meteen daarop tegen zijn leerlingen zegt: ‘Maak hem los, en laat hem gaan’” (Joh 11,44) (sermo 67,3). In dat geval ga je dus naar de kerk om de kerk.

Tekst: Joost van Neer


Gebruikte literatuur: Van aangezicht tot aangezicht: Preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [sermones de scripturis 51-94] / Aurelius Augustinus; vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar; ingeleid door Joost van Neer. - Amsterdam: Ambo-Anthos, november 2004. - 676 p. - ISBN: 90-263-1890-1. - € 49,95. Met name p. 266-267

 top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
21 Mei 2019