Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > All02 Gedachtenis aan de doden
zoeken
printen

All02 Gedachtenis aan de doden

November is de maand van dwarrelende bladeren, tanend zonlicht, grauwe mist of vliegende stormen. Bomen en struiken leggen hun kleuren af. Juist in deze weken krijgt de gedachtenis aan de doden extra aandacht. In sommige kerken gebeurt dit op 1 en 2 november, in andere op de laatste zondag van het liturgisch jaar, dit jaar op 20 november. De dood van anderen confronteert ons met onze eigen lichamelijke kwetsbaarheid; soms gaat de gedachtenis gepaard met een voorbede voor de gestorvenen. De liturgie van deze maand beziet ons aardse leven in het licht van Gods eindoordeel. In het nieuws dringt de dood zich in vele gestalten aan ons op, om maar te zwijgen van iedere mens afzonderlijk die na een al of niet voltooid leven in stilte is gestorven. Wie zal hen betreuren, wie zal hen blijven gedenken?

Augustinus overweegt in De cura pro mortuis gerenda het lot van mensen die waar dan ook de dood hebben gevonden. De volgende citaten omtrent het begraven komen uit dit werk: "Men kan toch begrijpen dat bij omvangrijke rampen de lijken niet begraven kunnen worden. Daarvan schrikt echt geloof niet erg. Het houdt vast aan de aankondiging dat zelfs als mensen door beesten worden opgegeten, dit de opstanding van hun lichaam niet in de weg zal staan. Geen haar op hun hoofd zal verloren gaan. "Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar niet de ziel kunnen doden," zegt Christus. En dat zou Hij niet zeggen als het toekomstige leven ook maar enige schade zou ondervinden van wat vijanden willen doen met het lichaam van wie ze vermoord hebben. Niemand zal toch het absurde standpunt innemen dat je vooraf niet bang hoeft te zijn voor je moordenaars, maar wel voor het feit dat ze na je dood je begrafenis niet willen toelaten. ... Inderdaad zijn veel lichamen van christenen niet met aarde bedekt, maar zonder dat iemand van hen van hemel en aarde werd gescheiden. De aarde is geheel vervuld van de aanwezigheid van Hem die weet hoe Hij weer tot leven kan wekken wat Hij geschapen heeft. In een psalm staat weliswaar: "Ze hebben het stoffelijk overschot van uw dienaren neergelegd als aas voor het gevogelte, het vlees van uw heiligen voor de wilde dieren; ze hebben hun bloed rond Jeruzalem als water uitgegoten en er was niemand om hen te begraven." Maar dat was meer bedoeld om de wreedheid van de daders reliëf te geven dan de rampspoed van de slachtoffers. Ook al is die in de ogen van mensen hard en gruwelijk, toch is in de ogen van de Heer de dood van zijn heiligen kostbaar.

Alle handelingen zoals de verzorging van het lijk, de inrichting van een graf, de stoet bij de uitvaart, zijn dus meer de levenden tot troost dan de doden tot steun. Pas als een goddeloze enige baat heeft bij een dure begrafenis, zal een goedkope begrafenis - en zeker het ontbreken ervan - een vrome schaden. Ten behoeve van die in purper geklede rijkaard werd voor de ogen van de mensen door zijn personeel een grandioze begrafenis georganiseerd. Maar luisterrijker was in de ogen van de Heer de uitvaart die engelen verzorgden ten dienste van die arme man met zijn zweren. Ze hebben hem niet weggebracht naar een marmeren graf, maar omhoog gebracht naar de schoot van Abraham (Lc 16,19-31). ...
Dat betekent echter niet dat men de lichamen van overledenen zonder er zorg aan te besteden mag weggooien, en zeker niet die van rechtvaardige en gelovige mensen. Die lichamen werden door hun geest op geheiligde wijze als instrumenten voor allerlei goede werken gebruikt. Een kledingstuk van een vader of een ring of iets dergelijks heeft voor zijn kinderen een emotionele waarde dankzij genegenheid jegens hun ouders. Dus mogen zij in geen geval het lichaam veronachtzamen, dat ons mensen meer vertrouwd is en meer met ons verbonden dan wat voor kleren ook die we dragen. Het lichaam dient immers niet tot sieraad of steun van buitenaf, maar heeft direct te maken met de menselijke natuur.

Vandaar dat men ook in oude tijden met liefdevolle plichtsbetrachting het stoffelijk overschot van rechtvaardige mensen verzorgde, hun uitvaart vierde en hun graf inrichtte. Tijdens hun leven gaven ze zelf aan hun kinderen opdrachten over het begraven of overbrengen van hun stoffelijk overschot. De engel getuigt ervan dat Tobit door doden te begraven Gods gunst verworven heeft. Ook de Heer die op de derde dag zou opstaan uit zijn graf prijst de goede daad van een vrome vrouw en spreekt uit dat ook anderen haar moeten prijzen. Zij goot een kostbare parfum over zijn lichaam uit en deed dat met het oog op zijn begrafenis. En in het evangelie wordt met lof melding gemaakt van degenen die zijn lichaam van het kruis haalden en zorgden voor een zorgvuldige en eervolle begrafenis. Maar die gezaghebbende passages uit de Schrift sporen niet hiertoe aan omdat lijken enig waarnemingsvermogen bezitten. Nee, ze geven aan dat God, die ook behagen schept in zo'n vrome plichtsbetrachting, zijn voorzienige zorg uitstrekt over het lichaam van overledenen, met de bedoeling het geloof in de opstanding verder op te bouwen."

Tekst: Hans van Reisen
Literatuur : Wat kunnen wij voor de doden doen? [De cura pro mortuis gerenda] / Aurelius Augustinus; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan den Boeft en Hans van Reisen. - Budel: Damon, augustus 2004. - ISBN: 90-5573-550-7. - p. 28-31.

 

top

kleiner A  -  A groter
Sitemap
Wat kunnen wij voor de doden doen?
Wat kunnen wij voor de doden doen? [De cura pro mortuis gerenda] / Aurelius Augustinus; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan den Boeft en Hans van Reisen. - Budel: Damon, november 2010; 3de gewijzigde druk. - ISBN: 978-94-6036-071-8, - € 11,90 hb lees verder

 

 

21 Mei 2019