Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > C-jaar (Lucasevangelie)
zoeken
printen

C-jaar (Lucasevangelie)

 

Advent        
Kerstmis 
Kersttijd

Veertigdagentijd
Goede week en Pasen 
Paastijd 2e-7e zondag 
Hemelvaart  
Pinksteren  

Tijd door het jaar 2e-10e zondag   
Tijd door het jaar 11e-15e zondag   
Tijd door het jaar 16e-20e zondag  
Tijd door het jaar 21e-25e zondag   
Tijd door het jaar 26e-30e zondag   
Tijd door het jaar 31e-34e zondag   


In het liturgische C-jaar vormt op zon- en feestdagen het evangelie volgens Lucas uitgangspunt voor verkondiging en overweging. We bieden u een aantal fragmenten aan uit de werken van Ambrosius van Milaan en zijn bekendste leerling Augustinus waarin zij het Lucasevangelie behandelen. De citaten staan in volgorde van het liturgische jaar, behalve de zondagen na epifanie tot aswoensdag. Die periode behoort tot de Tijd door het jaar en is opgenomen in de Tijd door het jaar 2e-10e zondag

Deze fragmenten kunnen helpen bij persoonlijke meditatie of dienen als korte overweging bij doordeweekse vieringen, als opening of afsluiting bij kerkelijke vergaderingen, als korte gedachte in een kerkblad of als orde van dienst op zondag. Zo kan het evangelie op zondag naklinken bij andere kerkelijke activiteiten doordeweeks.
Het staat u vrij om deze fragmenten te vermelden op uw eigen website op voorwaarde dat u de boekgegevens overneemt en/of verwijst naar www.augustinus.nl 
Voor meer informatie over onze boeken zie Publicaties-NL-vertalingen, voor citaten per thema zie het Webarchief, of Citaten en de serie Augustinus aan het woord.  Om te weten welke datum bijv. de 'tweede zondag door het jaar' valt, kunt u de Liturgische kalender van Berne Media raadplegen (2018-19 pdf)


Advent: 1e zondag 2 december 2018
Lucas 21, 25-36 toegelicht door Augustinus (sermo 81,8)

"Vindt u het vreemd dat de wereld ten onder gaat?" vraagt de Heer. "U kunt het beter vreemd vinden dat de wereld nog zo oud is geworden. De wereld is als de mens: een mens wordt geboren, groeit op en wordt oud. Als hij oud is, heeft hij een hele hoop lichamelijke klachten: hij moet hoesten, hij is verkouden, zijn ogen zijn ontstoken, hij is erg bezig met zijn gezondheid en is gauw moe. Als een mens oud is, zit hij dus vol klachten. Als de wereld oud is, staat ze zwaar onder druk."
      Heeft God u soms niet genoeg gegeven door u, hoewel de wereld al zo oud is, Christus te sturen om u te verkwikken terwijl alles ten onder gaat? U weet toch dat Hij dat al heeft aangeduid in de nakomeling van Abraham? "En die nakomeling is Christus," zegt Paulus. Het woord nakomeling staat in het enkelvoud, niet in het meervoud: en aan uw nakomeling en die nakomeling is Christus. (Gal 3,16) Hoewel Abraham al oud was, is hem een zoon geboren. Dat betekent natuurlijk dat Christus pas zou komen, als de wereld een hoge ouderdom had bereikt. Hij kwam toen alles oud was geworden, en Hij maakte u nieuw. (...) Blijf u niet vastklampen aan een oude wereld (Js 43,18), word jong in Christus! Dat is wat u moet willen. Christus zegt tegen u: "De wereld gaat verloren, de wereld wordt oud, de wereld gaat ten onder, zij wordt geplaagd door de kortademigheid die bij de ouderdom hoort. Maar wees niet bang, uw jeugd wordt vernieuwd als die van een arend." (Ps 103,5)
  Uit: Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs / Augustinus. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.444-445 (= Sermo 81,8). 
Preek van Martijn Schrama OSA (1ste zondag Advent C-jaar)


Advent 2e zondag 9 december 2018
Lucas 3,1-6 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 2,68) 

Het Woord is gekomen: de heilige Johannes de Doper zou boete prediken. (Lc 3,3) Velen passen op de heilige Johannes het beeld van de wet toe, omdat de wet wel de zonde aan de kaak kon stellen maar niet kon vergeven. (Vgl. Rom 3,20) De wet roept immers ieder die de weg van de heidenen volgde, van dwaling terug, weerhoudt hem van wandaden, raadt hem boetvaardigheid aan om genade te krijgen. Welnu, de wet en de profeten gaan tot Johannes.(Lc 16,16) Johannes was de voorloper van Christus. Zo is ook de wet voorloper van de kerk en de boetvaardigheid voorloper van de genade. (Gal 3,24) Zo heeft de heilige Lucas, toen hij zei dat het Woord van God over Johannes kwam, hem met die korte zinswending treffend tot de profeten gerekend. Hij behoefde niets toe te voegen, want wie overvloeit van het Woord van God, heeft geen aanbeveling van zichzelf nodig. Door dit ene te zeggen heeft Lucas dus van alles de verklaring gegeven.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 123 (= boek 2, § 68).


Advent 3e zondag 16 december 2018 zondag Gaudete
Lucas 3,10-18 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 2,77) 

Aan elke groep mensen afzonderlijk gaf Johannes de Doper een passend antwoord en in feite een en hetzelfde aan allen. Zo aan de tollenaars om niet méér te vorderen dan voorgeschreven was. (Lc 3,12-13) Zo aan de soldaten om niet met valse voorwendselen geld af te persen of op buit uit te gaan (Lc 3,14): een aanwijzing dat er vaste soldij in de krijgsdienst bestaat om soldaten niet als rovers te werk te laten gaan op zoek naar levensonderhoud. Maar deze en andere plichten in een beroep richten zich tot bepaalde personen. De barmhartigheid echter is een praktijk voor iedereen en daarom een plicht voor iedereen, noodzakelijk voor alle beroepen en alle leeftijden; barmhartigheid moet door alle mensen worden beoefend. Tollenaar noch soldaat wordt hiervan uitgezonderd, boer noch stedeling; voor rijk en arm, voor allen gezamenlijk geldt de oproep te delen met wie niet heeft en daarbij eigen kleding, spijs of drank niet te ontzien (Lc 3,11). Barmhartigheid maakt de deugden volledig en wordt daarom allen voorgehouden als belichaming van volmaakte deugd. Toch houdt de barmhartigheid zelf een maat: de draagkracht is afhankelijk van de menselijke omstandigheden. Niemand behoeft zich van alles te ontdoen maar hij dele met de arme wat hij heeft.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 128 (= boek 2, § 77).


Advent 4e zondag 23 decemer 2018
Lucas 1,39-45 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 2,19 en 23)

Na enkele dagen vertrok Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabet. (Lc 1,39-40) Het is normaal dat wie om geloof vraagt, dat geloof ook onderbouwt. Toen dan de engel het verborgen heilsgeheim verkondigde, berichtte hij aan de maagd Maria het aanstaande moederschap van een oudere onvruchtbare vrouw, om zo het geloof met een voorbeeld te onderbouwen (vgl. Lc 1,37). Daarmee kon hij aannemelijk maken dat voor God alles mogelijk is wat Hem behaagt (vgl. Lc 1,37). Zodra Maria dit had vernomen, trok zij het bergland in (vgl. Lc 1,39), niet omdat zij geen geloof hechtte aan het woord van de engel, onzeker was over zijn boodschap of twijfelde aan het genoemde voorbeeld. Nee, ze was verheugd om wat aan Elisabet en Zacharias was beloofd, ze was bezorgd om hen te helpen en vol blijdschap tot spoed aangezet. Want waarheen anders zou een vrouw, die al vervuld was van God, zich met spoed begeven dan naar het hogere (vgl. Origenes, Homilia in Lucam 7,2-4)?. Obstakels onderweg die de gang vertragen, zijn vreemd aan de genade van de Heilige Geest. (...)
      Let op het onderscheid en de bijzondere betekenis van de afzonderlijke woorden. Elisabet hoorde de stem als eerste, maar Johannes voelde als eerste de genade. Elisabet hoorde zondermeer woorden, maar Johannes sprong op in de kracht van het grote geheim. Elisabet werd Maria's komst gewaar, Johannes de komst van de Heer. De vrouw die van de vrouw, het kind die van het kind. De moeders nemen het woord "genade" in de mond, de kinderen geven er vanbinnenuit gevolg aan. Zij laten het geheim van de liefde ontluiken en hun moeders voelbaar ten goede komen. Een tweevoudig wonder: moeders profeteren krachtens de geest van hun kinderen. Het kind sprong op en de moeder werd vervuld met de Heilige Geest (vgl. Lc 1,41). De moeder werd niet eerder vervuld dan het kind, maar toen het kind was vervuld met de Heilige Geest, vervulde het ook zijn moeder. Johannes sprong op van vreugde, ook de geest van Maria sprong van vreugde op. Toen Johannes opsprong werd Elisabet vervuld. Maar over Maria weten we dat zij toen niet werd vervuld van de Geest, maar dat haar geest van vreugde is opgesprongen (vgl. Lc 1,47). De Ongrijpbare was in zijn moeder ongrijpbaar aan het werk. Elisabet werd ná de ontvangenis vervuld, Maria ervóór.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 100 en 101-102 (= boek 2, § 19 en 23).

Top

Kerstnacht 24 dec 2018
Lucas 2,1-14 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 2,36-37)

Het gebeurde in die dagen dat keizer Augustus een decreet uitvaardigde dat er aangifte gedaan moest worden over heel de wereld. Nu wij over de geboorte van de Heiland gaan spreken is het, dachten wij, niet misplaatst de vraag op te werpen naar de tijdsomstandigheden waarin hij ter wereld kwam. Wat heeft nu de aangifte van wereldse gegevens te maken met de geboorte van de Heer? Ook dat is een goddelijk mysterie. Onder het uiterlijk van de wereldse aangifte voltrekt zich er een op geestelijk vlak, niet voor de aardse maar voor de hemelse vorst bestemd. Deze aangifte van het geloof registreert het innerlijk leven van de mensen. Nu de oude heffing in de synagoge is afgeschaft, wordt er een nieuwe voor de kerk voorbereid: niet om dwangsommen op te eisen maar om die af te schaffen. ... Hier worden geen landerijen opgemeten, maar zielen en harten gepeild. Hier worden geen grenzen vastgesteld maar vooruitgeschoven. Hier maakt men geen onderscheid tussen oud en jong, maar wordt iedereen bijgeschreven. Niemand is immers van deze heffing vrijgesteld, omdat mensen van alle leeftijden schatplichtig zijn aan Christus ...
     Bij deze aangifte hoeft u niets te vrezen dat schrik aanjaagt, niets dat harteloos aandoet, niets dat ongelukkig maakt. Deze aanslag ondertekent iedereen alleen met het geloof. Wilt u weten hoe de belastingdienaren van Christus zijn? Zij krijgen de opdracht de vermogens op te nemen zonder stok en terreur, het volk te winnen met welwillendheid, het zwaard in de schede te steken en geen goud te bezitten (Vgl. Mt 10,9-10, Mc 6,8-9 en Lc 9,3). Met zulke belastingdienaren is de wereld gewonnen. Kortom, de plicht om zich te melden gold de hele wereld. Daaruit kunt u opmaken dat deze aangifte niet van Augustus maar van Christus uitging.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 107-108 (= boek 2, § 36-37)


Kerstdag 25 dec 2018
Johannes 1,1-18 toegelicht door Augustinus (sermo 118,2)
Laat God de ruimte om voort te brengen wat eeuwig is. Alstublieft, luister goed over wie we het hebben. ... We hebben het over God. We belijden en geloven dat de Zoon even eeuwig is als de Vader. "Maar," zeggen ze, "als mensen kinderen krijgen, is de eerste generatie ouder dan de tweede generatie." Ja, dat is zo: bij de mensen is de eerste generatie ouder dan de tweede. Maar het kind gaat zijn vader in kracht evenaren. En dat komt natuurlijk omdat de een opgroeit en de ander ouder wordt. Als de vader stil stond in de tijd en het kind hem al groeiend zou inhalen, dan zou u op een bepaald moment kunnen vaststellen dat ze even oud waren. Goed, ik geef u een voorbeeld om het te kunnen begrijpen. Het vuur brengt een gloed voort die even oud is als het vuur zelf. Bij de mensen vindt u alleen maar kinderen die jonger zijn dan hun ouders; ze zijn nooit even oud. Maar zoals gezegd, ik geef u een voorbeeld: de gloed die even oud is als het vuur, zijn vader. Het vuur brengt namelijk gloed voort en bestaat nooit zonder gloed. Als u dan inziet dat de gloed even oud is als het vuur, sta God dan een even eeuwige zoon toe. Als u het begrijpt: wees blij. Als u het niet begrijpt: geloof! Want het woord van de profeet kan niet ongedaan worden gemaakt: "Als u het niet gelooft, zult u het niet begrijpen." (Js 7,9 LXX)
  Uit: De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes / Augustinus. – Budel : Damon, 2007. - p. 59 (= Sermo 118,2).

Top

Zondag in kerstoctaaf 27 december
Lucas 2, 41-52 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 2,63)

Wij lezen dat de Heer op zijn twaalfde jaar het woord is gaan voeren (Lc 2,42-47), want dat getal twaalf, het aantal van de apostelen, was bestemd voor de geloofsverkondiging. Niet zonder betekenis wordt Hij na drie dagen teruggevonden in de tempel alsof Hij zijn menselijke ouders was vergeten terwijl Hij in zijn mensheid uiteraard vervuld werd met Gods wijsheid en genade. (Lc 2,46) Dit moest erop wijzen dat Hij drie dagen na zijn glorierijke lijden zou verrijzen en dat Hij, doodgewaand, zichzelf aan ons geloof zou aanbieden op de hemelse troon en bekleed met goddelijke eer (Vgl. Mt 26,61, Mc 14,58 en Joh 2,19).
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 120 (= boek 2, 63)


1 januari
Lucas 2,16-21, toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 2,53)

Laat die herders u niet te gewoon lijken. Ja, zo is het: hoe geringer in menselijke wijsheid, des te kostbaarder voor het geloof. De Heer heeft geen gymnasia met rijen geleerden bezocht, maar Hij ging naar het eenvoudige volk omdat dat zijn woorden niet kon opsieren of verfraaien. Er wordt immers eenvoud gevraagd en niet verlangd carrière te maken. U moet niet denken dat u de woorden van zulke profeten mag versmaden. Door herders krijgt zelfs Maria gegevens die haar geloof verhelderen. Door herders komt er volk bijeen om God te eren: de mensen stonden verbaasd over wat hun door herders werd gezegd­. (Lc 2,18)
 Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p.116 (= boek 2,53)



3 of 6 januari - Openbaring van de Heer / Epifanie  
Matteüs 2,1-12, toegelicht door Augustinus (sermo 374,14)

Voordat de magiërs aan Christus geschenken kwamen brengen, voordat zij Hem vonden in de stad waar Hij was geboren, kwamen zij zoeken naar waar de koning van de joden geboren was (vgl. Mt 2,2) Konden zij dat dan niet eveneens door een openbaring weten, zoals zij wisten dat die ster hoorde bij de koning van de joden, die ook door andere volken aanbeden moest worden? Had die ster hen niet naar die stad kunnen brengen, zoals die hen daarna naar de plaats leidde waar Christus zich als kind met zijn moeder bevond? Dat had inderdaad gekund. Maar het is niet gebeurd omdat de magiërs het van de joden te weten moesten komen. Waarom wilde God dat dat aan de joden werd gevraagd? Om Hem in wie zij niet geloven, toch door hen bekend te laten maken. ... De magiërs vroegen dus: "Waar is de pasgeboren koning van de joden?" (Mt 2,2) Toen Herodes het woord "koning" hoorde, begon hij als rivaal van schrik te beven. Hij riep de wetgeleerden en ondervroeg hen. Zij moesten aan de hand van de Schriften aangeven waar de Christus zou worden geboren (Mt 2,4) Zij antwoordden: "Te Betlehem in Juda." (Mt 2,5) De magiërs trokken dus verder en kwamen tot aanbidding. De joden wezen de weg maar zelf zijn zij achtergebleven.
  Uit: Als lopend vuur: Preken voor het liturgisch jaar (2) . - Amsterdam: Ambo, 2001. - p. 222 (= sermo 374,14)

Top

Doop van de Heer in de Jordaan 13 januari 2019
Lucas 3,15-22, toegelicht door Ambrosius  (exp.eu.Lc. 2,79)
"Ik," zegt Johannes, "doop u met water." (Lc 3,16) Zo maakte hij meteen duidelijk dat hij niet de Christus was, want hij stelde met water een voor ieder zichtbare daad. Omdat de mens uit twee naturen bestaat, uit ziel en lichaam namelijk, wordt zijn zichtbare deel door een zichtbaar element geheiligd en zijn onzichtbaar deel door een onzichtbaar mysterie. Water wast namelijk het lichaam schoon, de Geest reinigt de misstappen van de ziel. Het ene is wat wij doen, het andere waar wij om vragen, ook al wordt zelfs in de doopvont Gods heiligmaking ons als een adem toegereikt. Want met het water is niet de hele reiniging af. Nee, de twee kunnen niet van elkaar gescheiden worden. Daarom bestond er verschil tussen het doopsel van boetvaardigheid en het doopsel van begenadiging. Het laatste bestaat uit beide elementen, het eerste maar uit één. Omdat de misstappen afkomstig zijn van ziel en lichaam samen, moest de reiniging ook samen gebeuren. Slagvaardig gaf de heilige Johannes te kennen dat hij de vragen had begrepen die bij de mensen leefden. Hij wees jaloezie om de voornaamste plaats ver van zich af, alsof hij hen niet begreep: hij gaf niet met woorden maar met daden duidelijk te kennen dat hij niet de Christus was. Want het is mensenwerk boete te doen voor zijn verkeerde daden, maar het is een gave van God om de genade van het sacrament tot volheid te laten komen.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 130 (= boek 2,79)



2e zondag door het jaar 
Johannes 2,1-12, toegelicht door Augustinus (io.eu.tr. 8,1) 

Het wonder van onze Heer Jezus Christus waarbij Hij wijn uit water maakte, hoeft geen verwondering te wekken bij degene die weet dat God dit heeft verricht. Hij die op die bruiloftsdag wijn maakte in de zes vaten die hij met water liet vullen, is immers dezelfde die dat ieder jaar in de wijnstok­ken bewerkt: wat de dienaars in de vaten goten, veranderde door toe­doen van de Heer in wijn en precies zo verandert wat de wolken uitgie­ten door toedoen van dezelfde Heer in wijn. Maar over dit laatste verwonderen wij ons niet omdat het ieder jaar gebeurt. Door de voortdurende herhaling is onze bewonde­ring ervoor verdwenen. Maar eigenlijk verdient het een grotere waardering dan wat er met de watervaten is gebeurd.
Wie kan immers de werken van God aanschouwen waardoor heel onze wereld wordt geleid en bestuurd­, zonder versteld te staan en overweldigd te worden door de wonderen? Als je op je laat inwerken welke kracht één enkele korrel van welk gewas dan ook heeft, dan is dat iets geweldigs! Het vervult je met huiver bij het aanschouwen ervan. Maar de mensen hebben zich op andere dingen gericht en zijn hun aandacht voor Gods werken verloren, terwijl ze juist daardoor iedere dag weer de Schepper zouden moeten prijzen. Daarom heeft God zich als het ware het recht voorbehouden een aantal ongebruikelijke dingen te doen om zo de mensen die als het ware in slaap gesukkeld waren, door bijzondere dingen wakker te schudden en ertoe aan te zetten Hem te eren.
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. – Budel: Damon, oktober 2010. -  (= Verhandelingen over het Johannesevangelie 8,1)



3e zondag door het jaar 
Lucas 4,14-21, toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 4,45)

Wat voor krachtiger getuigenis hebben we nodig dan Jezus die met eigen stem beduidde dat Hij het was die door de profeten had gesproken (vgl 2 Pe 1,21). Hij wordt gezalfd met geestelijke olie en hemelse kracht om de armzalige toestand van alle mensen in de eeuwige rijkdom van de verrijzenis te drenken, de geestelijke gevangenschap weg te ­nemen, het verblinde denken en willen het zicht terug te geven. Hij zou het jaar van de Heer aankondigen dat zich uitstrekt over een tijdsduur zonder einde en niet meer terugleidt naar de kringloop van zware arbeid, maar aan mensen een oogst en rust gunt, die nooit meer ophouden. Verder leende Jezus zich zozeer voor alle vormen van dienst, dat Hij ook de taak van voorlezer niet beneden zich achtte (Lc 4,17). Wij van onze kant zouden de eerbied tekortdoen als wij bij de beschouwing van Jezus' lichaam het geloof niet in ons toelieten aan zijn goddelijkheid, die uit zijn wonderbare werken viel op te maken.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 196 (= boek 4,45)



4e zondag door het jaar
Lucas 4,21-30, toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 4,46)
"Ik verzeker u: geen profeet is zijn vaderstad welgevallig." (Lc 4,24) Meer dan normaal komt hier afgunst om de hoek kijken; aan sympathie van burgers voor elkaar wordt niet meer gedacht, maar wat een reden tot liefde moest zijn, wordt omgebogen tot bitter haatgevoel. Bovendien wordt zowel door het voorbeeld van Jezus als door wat Hij zegt te kennen gegeven dat u tevergeefs naar de hulp van hemelse barmhartigheid uitziet, als u met een jaloerse blik kijkt naar het succes van andermans deugd. De Heer wijst immers wie afgunstig is af en houdt de wonderen van zijn almacht weg van mensen die vitten op wat Hij bij anderen aan goeds teweegbrengt. De daden van de Heer als mens zijn immers een afspiegeling van zijn godheid en zijn onzichtbaar wezen wordt door het zichtbare voor ons aanschouwlijk gemaakt (vgl Rom 1,20).
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 196 (= boek 4,46)

Top

5e zondag door het jaar 
Lucas 5,1-11, toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 4,68 en 72)
Jezus stapte in een van de boten - die van Simon - en vroeg hem een eindje van het land af te varen. (Lc 5,3) Toen de Heer velen van allerlei ziekten had genezen, liet de menigte zich niet meer weerhouden, noch door tijd noch door plaats, van de roep om genezing. De avond viel, zij kwamen achter Hem aan (Lc 4,40). Het meer strekte zich voor hen uit, toch drongen zij op (Lc 5,42). Daarom klom Hij in de boot van Petrus. ... In die boot kunt u het begin van de kerk met zijn stormen en de latere tijd met zijn rijkdom aan vruchten herkennen. Met de vissen worden immers al degenen bedoeld die deze levenszee bevaren. Bij Matteüs houdt Christus zich voor de leerlingen in slaap (Mt 8,24), bij Lucas geeft Hij hun onderricht. Voor bangeriken immers slaapt Christus, maar Hij is wakker voor volmaakten. Maar op welke manier Christus slaapt, hebt u uit de mond van de profeet gehoord en begrepen die zei: "Ik slaap, maar mijn hart is wakker." (Hl 5,2) ... Wat zijn nu de netten die de apostelen op bevel van de Heer moesten uitwerpen? Het zijn eigenlijk aaneengeknoopte woorden, een soort vangarmen bij het spreken en stille plekken voor uiteenzettingen. Wie gevangen worden, mogen niet meer wegglippen. Wat een mooi beeld voor de uitrusting van een apostel: netten om vissen te vangen maar niet dood te laten gaan. Nee, om ze in leven te houden, van de diepe bodem naar het daglicht te slepen en tussen de golven door van heel laag naar hoog over te brengen.
  Uit : Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius.. – Budel : Damon, 2005. – p. 207 en 209 (= boek 4,68 en 72)



6e zondag door het jaar 
Lucas 6,17-26, toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 5,69)
"Wee u, rijken," zegt Jezus, "u hebt uw troost al binnen. (Lc 6,24) Geld als water mag veel verlokkingen inhouden om zonden te doen, toch liggen er ook heel veel uitdagingen in vervat om deugden te beoefenen­. Deugd heeft geen financiële ondersteuning nodig en de bijdrage van een arme is prijzenswaardiger dan de gulheid van een rijke. Toch veroor­deelt Christus met zijn gezagvolle hemelse uitspraak niet degenen die rijkdom bezitten, maar hen die er geen gebruik van weten te maken. Want een arme verdient extra geprezen te worden als hij spontaan een royale bijdrage geeft, zich niet door dreigend gebrek laat afremmen en zich evenmin onbemiddeld vindt omdat hij beschikt over de normale levensbehoeften. Precies zo kan men het een rijke extra kwalijk nemen als hij God niet bedankt zoals het hoort voor wat hij ontving, maar in plaats daarvan zijn vermogen dat voor het algemeen nut was bestemd, renteloos wegstopt, zijn schatten in de grond begraaft en er vervolgens de wacht bij betrekt (Vgl. Mt 25,18 en Lc 19,20. Vergilius, Georgica 2,507). Niet op het vermogen richt zich de kritiek, maar op de houding daartegenover­. Een hebzuchtig hart houdt het hele leven de wacht in een staat van alarm, een veiligheidsbeleid waar men meelijden mee kan hebben, de ergste kwelling die te bedenken valt; dat alles om in angst en beven ongedeerd te bewaren wat alleen maar gaat bijdragen aan de winsten van zijn nakomelingen. Desondanks vindt het hunkeren naar altijd meer en de passie van de hebzucht voldoening in dit zinloos genot. Zo vinden mensen dan ook troost in het leven van nu, maar de beloning in het eeuwige leven raken ze kwijt (Vgl. Vergilius, Aeneïs 1,464).
  Uit : Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius.. – Budel : Damon, 2005. – p. 240 (= boek 5,69) 

7e zondag door het jaar, bij Lc 6,27-38
uit: Ambrosius’ uitleg van het evangelie volgens Lucas 5,73-80
"Bemin uw vijanden." (Lc 6,27; vgl. Mt 5,44) Hierdoor wordt het gezegde van de kerk aangevuld dat al eerder werd aangehaald: "Rangschik de liefde in Mij." (Hl 2,4) Dat gebeurt namelijk met de liefde wanneer de geboden van de liefde hun vorm krijgen. Kijk eens met wat voor hogere eisen de Heer begon en hoe Hij de zaligsprekingen in het evangelie naar voren haalde vergeleken met de wet. De wet geeft bij wraak aan: oog om oog, tand om tand (Ex 21,23-36. Het evangelie schenkt liefde tegenover de vijan­dschappen, een welwillende benadering tegenover haatgevoelens, goede wensen tegenover beschimpingen, hulp aan vervolgers, geduld en een aantrekkelijke beloning voor wie honger lijden. Hoe volmaakter is een atleet als een onrechtvaardige behandeling hem niet deert!
     De Heer wil niet de indruk wekken de wet buiten werking te stellen. Daarom past de Heer bij onrecht geen wederkerigheid toe, maar beklemtoont Hij die bij weldaden. Toch is in de uitspraak "Behandel de mensen zoals u wilt dat ze u behandelen" (Lc 6,31; vgl. Mt 5,42) de wederkerigheid nog rijker: hier wordt wat men doet gelijkgesteld aan wat men wil­. Als men zich erkentelijk wil tonen, kent de deugd geen grenzen. Ze neemt geen genoegen met alleen maar te vergoeden wat ze heeft ontvangen. Wat ze in ontvangst nam, daar moet volgens haar iets bovenop. Ze mag in iets terugdoen op gelijke lijn staan, in weldoen wil ze zich niet laten overtreffen. Weldaden worden namelijk niet alleen gewogen naar omvang maar ook naar omstandigheden en tijdstip. Bij weldaden van gelijk gehalte is wie begon, de eerste: wie met de gunst begint is immers de weldoener. Wie een weldaad beantwoordt, is de schuldenaar. Met een goede daad beginnen is dus een nieuwe weldaad erbij: want als iemand het geld heeft teruggege­ven, heeft men nog niet de vriende­lijkheid betaald. Men blijft schuldenaar van de vriendelijkheid, zij het niet meer van geld. Waarom zouden wij denken dat wij van verplichtingen ontslagen zijn, wanneer we een vriendendienst in klinkende munt hebben terugbetaald? Het betalen ervan drukt eerder uit dat wij die dienst hebben ontvangen, dan dat wij die hebben afbetaald.
      Een christen is dus door een goed voorbeeld vertrouwd geraakt om niet tevreden te zijn met het gewone van zijn natuur maar te proberen er ook het mooie van naar voren te halen. Als wederkerige liefde immers voor allen, zelfs voor zondaars, een normale zaak is, dan moet wie een hoger ideaal nastreeft, zich ook in ruimere mate toeleggen op de deugd: men moet ook hen liefhebben door wie men niet wordt bemind. Want er mogen misschien helemaal geen motieven voor een liefdesbetuiging zijn en het beoefenen van liefde mag zodoende overbodig lijken, daarmee is nog niet het beoefenen van deugd overbodig. Iemand geeft u bijvoorbeeld een blijk van liefde; u schaamt zich ervoor hem niet te bedanken; maar juist dat verlangen om hem te bedanken, doet voor hem sympathie bij u opkomen die u vroeger niet voor hem voelde. Zo werkt het omgekeerde op dezelfde manier: als iemand u géén blijk van liefde geeft, moet u daarin een gelegenheid zien om een deugd in de praktijk te brengen; dan gaat u van de deugd houden en tegelijk liefde voor die persoon opvatten, al had u die vroeger niet. De beloning voor wie liefde betoont, komt zelden voor en houdt bijna nooit stand; maar de beloning voor deugd is onvergankelijk.
     Wat is bovendien zo verwonderlijk dat u aan iemand die u slaat, de andere wang aanbiedt? (Mt 5,39-40 en Lc 6,29) Elke boze bui waait dan toch over en ieders woede komt dan toch tot rust­? Bereikt men met geduld niet dat wie u slaat door eigen berouw een hardere klap terugkrijgt? Het resultaat zal zijn dat u het onrecht terugdringt en er tegelijk sympathie mee wint. Vriendschappen zijn dikwijls het sterkst als ze ontstaan wanneer geduld het antwoord is op bruut geweld of innemend gedrag op onrecht.
      Ik herinner mij heel goed ooit gehoord te hebben dat de filosofie de rechtvaardigheid in drieën meende te kunnen opdelen. En alleen al hierdoor wordt volgens mij de eigendunk van de filosofie op haar plaats gezet. De filosofie onderscheidt ten eerste de rechtvaardigheid tegenover God, godsvrucht genoemd; ten tweede die tegenover ouders en alle andere mensen; en ten derde die tegenover de gestorvenen om hun een passende uitvaart te geven. Maar de Heer Jezus is boven de uitspraak van de wet en het hoogtepunt van de filosofie uitgestegen, toen Hij de plicht tot liefde ook betrok op wie u pijn deed­. Stel u eens voor: een vijand heeft gewapenderhand met u gestre­den, legde zijn wapens neer en mocht zijn leven behouden dankzij uw medelijden. Bovendien geldt uit respect voor de menselijke natuur of bij het oorlogsrecht in het algemeen, dat het leven wordt gegund aan wie zich hebben overgegeven. Hoeveel te meer moet dit dus aan mensen worden gegund om het hogere motief van de godsdienst? Want als een soldaat op het slagveld bij een verzoek aan hem om gratie zich niet van de wijs laat brengen door het feit dat zijn leven eerst werd bedreigd, dan moet een soldaat voor de vrede dat nog veel minder doen!
      Zo zien wij in deze voorschriften de bekende uitspraak van Paulus volledig uitgedrukt dat de liefde geduldig en vriendelijk is en dat de liefde niet afgunstig is en zich niets verbeeldt (1 Kor 13,4). Is ze geduldig, dan is ze geduld verschuldigd aan wie slaat. Is ze vriendelijk, dan mag ze niets terugzeggen op scheldwoorden. Als ze niet uit is op eigen belang, mag ze geen weerstand bieden aan een dief. Is ze niet op gelijke munt uit, dan mag ze haar vijand ook niet haten. Toch gaan de voorschriften van Gods liefde verder dan die van Paulus. Vergeven gaat immers verder dan geduldig toegeven. Vijanden beminnen gaat verder dan niet afgunstig op hen zijn. Dit alles heeft de Heer geleerd, Hij heeft het ook in praktijk gebracht­. Toen Hij werd uitgescholden, schold Hij niet terug (1 Pe 2,23). Toen Hij werd geslagen, sloeg Hij niet terug (Mt 26,67, Mc 14,65 en Lc 22,63). Toen Hij van zijn kleren werd beroofd, bood Hij geen weer­stand (Mt 27,35, Mc 15,24 en Lc 23,34). Toen Hij werd gekruisigd, bad Hij zelfs om vergiffenis voor zijn vervolgers met de woorden: "Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen." (Lc 23,34) Hij pleitte zijn beschuldi­gers vrij van schuld.
      Zij bereidden Hem een kruis, Hij betaalde heil en genade terug. Toch verflauwt enthousiasme voor deugden als er geen beloning tegenover staat. Daarom gaf de Heer ons een voorbeeld, maar bood daarnaast het perspectief op een loon uit de hemel. (Mt 5,45 en Lc 6,35) Hij stelde in het vooruitzicht dat wie Hem navolgen, kinderen van God zouden worden. Want wie op een premie afsnelt, mag geen weerzin hebben tegen wie of wat hem tot voorbeeld is, omdat het dienstbetoon meer inzet vergt naarmate het loon uitzonderlijker is. Maar wat een barmhar­tigheid spreekt er uit het loon waarmee wij het recht krijgen door God als kinderen te worden aangenomen! Volg het voorbeeld van deze barmhartigheid om aanspraak te maken op die genade. (Mt 5,48 en Lc 6,36) 
      Wijd en zijd strekt zich Gods goedheid uit. Hij laat het regenen over ondankbare mensen (Mt 5,45). Aan slechte mensen ontzegt de vruchtbare aarde haar op­brengst niet. Dezelfde zon in onze wereld geeft aan goddelozen en vromen op dezelfde wijze licht (Mt 5,45). Of om dit zinnebeeldig op te vatten: de Heer heeft het joodse volk met de regen van profetische uitspraken overgoten en laat de stralen van zijn eeuwige zon ook weerkaatsen op wie dat niet verdienden. Maar omdat de joden door de dauw in de wereld te week waren geworden, wordt Gods kerk opgenomen in het licht van de hemel; zij het alleen op deze voorwaarde, dat ook voor de joden, als zij geloven, het eerste recht op Gods barmhartigheid onverlet blijft.
     Daarna zei Jezus dat men niet lichtvaardig mag oordelen. (Mt 7,1 en Lc 6,37) Wanneer u zich bewust bent van eigen zondigheid, mag u zich niet laten verleiden een vonnis te vellen over een ander. (Rom 2,1)
     uit: Peter Eijkenboom S.J., Fried Pijnenborg S.J. en Hans van Reisen, Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas, Budel 2005, 242-245.

 

8e zondag door het jaar, bij Lc 6,39-45
uit Augustinus’ sermo 82,1-2
Onze Heer waarschuwt ons hier, dat we elkaars zonden niet mo­gen negeren. Dat betekent niet dat je moet zoeken naar een gelegenheid om een ander iets te ­­verwijten, het betekent wel dat je moet kijken naar de manier waarop je een ander kunt terechtwij­zen. Hij had het hier natuur­lijk over diegene die scherp genoeg zag om de splinter uit het oog van zijn broeder te halen, omdat hij zelf geen balk in zijn eigen oog had. (Mt 7,3-5 en Lc 6,41-42) Wat dat inhoudt zal ik u in een paar woorden dui­de­lijk pro­be­ren te maken, geliefde broeders en zusters. De splinter in het oog betekent boosheid, de balk in het oog haat. Wanneer iemand die haat een ander die boos is iets verwijt, wil hij de splinter uit het oog van zijn broeder wegnemen, maar wordt daarbij ge­hin­derd door de balk die hij in zijn eigen oog draagt. Een splin­­ter is het begin van een balk. Want voordat een balk een balk kan worden, moet hij eerst een splin­ter zijn ge­weest. Door een splinter water te geven, laat je hem uit­groeien tot een balk. En door je boosheid te voeden met verdachtmakingen­, laat je haar uit­groeien tot haat.
     Er bestaat echter een groot verschil tussen de zon­­­de van iemand die boos wordt en de wreedheid van ie­mand die haat. We zijn al­lemaal wel eens boos op onze kin­­­de­ren. Maar is er iemand die zijn kinde­ren haat? Iets dergelijks komt bij de dieren ook voor. Soms kan de moe­der­koe het ge­woon even niet hebben dat haar kalf bij haar wil drinken en dan duwt ze het boos van zich af. Maar toch sluit ze het kalf in haar moeder­hart. Als het zich aan haar opdringt, kan ze het vervelend vinden, maar als het niet in de buurt is, gaat ze het zeker zoe­ken. Wij voeden on­ze kinderen op dezelfde ma­nier op, soms worden we boos en dan mopperen we op ze. Maar we kunnen hen ook al­­leen maar opvoeden doordat we van hen houden. We weten nu dat het niet zo is dat iedereen die boos wordt per de­finitie ook haat. We weten ook dat niet boos wor­den vaak een over­tuigender bewijs van haat is dan wel boos wor­den. Stel dat een kind bijvoorbeeld in het water van een ri­vier wil spe­len en dat er in die rivier een le­vensgevaarlijke stro­ming zit. Als u het ziet spelen en u laat het zijn gang maar gaan, dan is dat een teken dat u het haat. Uw lakse houding heeft dan de dood van zo'n kind tot gevolg. Het is toch veel beter om boos op te worden op zo’n kind en het te­recht te wij­zen dan om er niet boos op te worden en het kind te la­ten omko­men!
     Haat moeten we dus vóór alles vermijden. Die balk moet uit het oog worden gehaald. Als je boos wordt op een ander en daarbij te ver gaat in wat je zegt, met als gevolg dat je je later weer moet ver­ont­schul­digen, dan is dat toch iets heel anders dan wan­neer je je wraak­ge­voelens in je hart bewaart? Er bestaat tenslotte een groot verschil tussen de volgende twee citaten uit de Schrift. Het eerste citaat luidt: "Mijn oog is troebel van boos­­­heid." (Ps 6,8) En wat zegt de Schrift over de haat? Dat staat in het tweede citaat: "Ieder die zijn broe­der haat, is een moordenaar." (1 Joh 3,15) Er bestaat een groot ver­schil tus­sen een troebel en een uitgedoofd oog. Van een splin­ter wordt het troe­bel, van een balk dooft het uit.
     uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, Amsterdam 2004, 448-449.

 

9e zondag door het jaar, bij Lc 7,1-10
uit Ambrosius’ uitleg van het Lucasevangelie 5,83-88
Na het beëindigen van zijn voorschriften leert Christus ons heel raak de inhoud ervan in de praktijk te brengen. Want er wordt meteen een beroep op de Heer gedaan de slaaf van een heidense centurio te genezen: een vertegenwoordiger uit het heidendom dat aan handen en voeten gebonden lag in dienstbaarheid aan de wereld. Het heidendom was doodziek van wat het te lijden had en moest worden genezen door het weldadig ingrijpen van de Heer. De slaaf lag op sterven, aldus Lucas. En daarin vergiste de evangelist zich niet. (Lc 7,2) Hij was namelijk zeker gestorven als hij door Christus niet was genezen. Christus heeft dus met zijn hemelse liefde het gebod zeker volledig uitgevoerd. Hij heeft zijn vijanden zo bemind dat Hij ze aan de dood ontrukte en ze toeliet tot de verwachting van de gezondheid die altijd voortduurt.
     Wat een heerlijke blijk van goddelijke nederigheid dat de Heer van de hemel zo goed was om naar een slaaf van een centurio mee te gaan­! (Lc 7,6 en Mt 8,7-8) Het geloof treedt zichtbaar aan het licht in de werken, maar het menselijk meeleven werkt meer in de gevoelens daarbij. De Heer ging natuurlijk niet mee naar de slaaf omdat Hij hem niet op afstand had kunnen genezen. Nee, Hij wilde u een vorm tonen van navolgenswaardige nederigheid en daarmee aangeven dat men zijn mindere, evengoed als zijn meer­dere, met hoogachting dient te bejegenen.
     Trouwens, in het evangelie volgens Johannes zegt de Heer aan de dienaar van de koning: "Ga maar, uw zoon leeft," (Joh 4,50) om u kennis te laten nemen van zijn goddelijke macht naast het beminnelijke van zijn nederigheid. Bij Johannes wilde Hij niet meegaan. Hij was bang om bij de zoon van een koningsdienaar de indruk te wekken voor rijkdom meer ontzag te hebben. Bij Lucas ging Hij in eigen persoon ernaartoe om bij het knechtje van een centurio niet de indruk te wekken weinig oog te hebben voor iemand in slavendienst. Wij allen, slaven en vrijen, zijn immers één in Christus. (Gal 3,28 en Kol 3,11)
     Maar let erop dat geloof een aanbeveling is voor genezing. Merk ook op dat men zelfs in het heidendom iets beseft van de diepere werkelijkheid. De Heer gaat op weg. De centurio verontschuldigt zich, legt zijn trots als militair af, bekleedt zich met eerbied en is zo in de juiste stemming om tot geloof te komen en graag bereid zijn waardering te uiten. Niet zonder betekenis vult Lucas aan dat de centurio vrienden tegemoet stuurde. Hij wilde niet door persoonlijk erbij te komen de Heer in verlegenheid brengen en zo de indruk wekken met de ene dienst een wederdienst te hebben opgeroepen. Dit is mijn uitleg op het morele vlak.
     Maar in de rijkere zin verlangt het volk van de heidenen dat de Heer voor onrecht gespaard blijft, de Heer die door het volk van de joden aan het kruis werd gebracht. Wat het geloof betreft: het heidenvolk geloofde in Christus' woord en dat hield de conclusie in dat door Christus aan mensen gezond­heid werd gegeven, niet door menselijke maar door goddelijke macht. Maar wat de diepere zin aangaat: het zag in dat Christus niet kon binnenkomen in de harten van wie nog heiden waren. Daarom voelde het zo'n tegemoetkoming van de Heer eerder als een last dan als een hulp, zolang het de smetten van zijn vroegere geesteshouding nog niet had afgewassen. Zo ook achtte die weduwe van Sarefat zich niet waard om een profeet bij haar zijn intrek te laten nemen. (1 K 17,18) Op die manier geeft de Heer in deze ene centurio voorrang aan het geloof van de heidenen.
      Als u de lezing volgt: "In Israël heb Ik bij niemand zo'n groot geloof gevonden," is weliswaar de betekenis eenvoudig en gemakkelijk, maar als u volgens de Grieken leest: "Bij Israël heb ik niet zo'n groot geloof gevonden," wordt het geloof van deze heiden zelfs gesteld­ boven de meer uitverkorenen en de zieners van God (Mt 8,10 en Lc 7,9).
      Let ook op de heilsorde: het geloof van de meester, de centurio, doorstaat de toets en de slaaf komt op krachten (Mt 8,13 en Lc 7,10). De verdienste van de heer kan dus ook voor zijn knechten een ondersteuning vormen, niet alleen door de verdienste van het geloof, maar ook door zijn aandacht voor goed gedrag. Kijk ook naar een andere heilsorde, die van de nederigheid van onze Heer. Hij geeft geen plechtige toezegging maar brengt het wel ten uitvoer. Want Hij had het bevel om gezond te worden nog niet formeel uit­gesproken. Toch troffen de boodschappers die waren gestuurd, de slaaf gezond aan.
    uit:  Peter Eijkenboom S.J., Fried Pijnenborg S.J. en Hans van Reisen, Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas, Budel 2005, 246,248.

 

10e zondag door het jaar, bij Lc 7.11-17
uit Ambrosius’ uitleg van het evangelie volgens Lucas 5,89-92
Toen Jezus de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. "Huil niet," zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. (Lc 7,12-14) Ook deze passage toont in twee richtingen zijn rijkdom aan genade: ten eerste moeten we in geloof zien dat Gods barmhartigheid zich spoedig laat vermurwen door het k­lagen van een moeder die weduwe is, vooral als deze overweldigd raakt door de ziekte of de dood van haar enige zoon en een lange begrafenisstoet haar wel de goede faam nadraagt die zij met haar waardig gedrag als weduwe verwierf. Ten tweede dat deze weduwe, omgeven door een massa volk, meer lijkt voor te stellen dan alleen deze vrouw die onder tranen de opwekking van de jongen verdiende te bereiken, haar enige zoon. Want gelet op haar tranen roept de heilige kerk de heidenen, volk van jongere datum, van de begrafenisstoet en van de laatste eer bij het graf terug naar het leven; ze mag niet huilen om de jongen voor wie de verrijzenis bestemd was. (Lc 23,38) 
     Wel dragen vier stoffelijke elementen deze dode op een lijkbaar ten grave, maar hij koesterde de hoop te zullen verrijzen omdat hij op hout gedragen werd. Hout was ons weliswaar vroeger van geen nut, maar toen dat door Jezus was aangeraakt, begon het zijn heilzame werking ten leven te krijgen: dit moest tot teken dienen dat er door het kruishout opnieuw heil voor het volk ging stromen. Bij het horen van Gods woord bleven die lugubere dragers van het stoffelijk overschot dus staan. Ze droegen het menselijk lichaam al voort langs de stroom van volledige vergankelijkheid, eigen aan de stoffelijke natuur. Wat wil dat anders zeggen dan dat dat wij levenloos neerliggen op een lijkbaar, op wat nodig is voor de laatste eer bij de begrafenis? Het vuur van ongeregelde begeerte slaat om zich heen, het water met zijn koude breekt op alle plekken los, de aarde in het verstijfde lichaam stompt de kracht van ons denken en willen af, de lucht van onze adem zet onze geest, beroofd van zuiver licht, dikgeworden vuil als voedsel voor. Deze vier elementen zijn de dragers bij onze begrafenis.
       Al doen ook de laatste symptomen van de dood elke hoop op leven vervliegen en liggen ook de lichamen van de overledenen aan de rand van het graf, toch komen op het woord van God doden vlak bij de ondergang nog tot leven, beginnen te praten, een moeder krijgt haar zoon terug, weg van de groeve, geen prooi meer voor het graf. Waarin bestaat die groeve daar bij u anders dan in uw slechte gedrag? Uw groeve is uw tekort aan geloof­, uw graf is uw keel. Want hun keel is een gapend graf waaruit dode woorden naar buiten komen. (Ps 5,10) Uit dit graf nu bevrijdt Chris­tus u, uit deze groeve zult u verrijzen als u het woord van God verneemt.
      De zonde mag zwaar zijn en u mag die niet zelf met de tranen van uw berouw kunnen uitwissen, maar laat dan de kerk als uw moeder voor u wenen. Zij spreekt voor iedereen als voor haar enige kind ten beste, zij is de weduwe, de moeder. Zij lijdt immers mee met geestelijke smart, haar van nature eigen, wanneer zij haar kinderen als gevolg van dodelijke misslagen naar de ondergang gedreven ziet. Wij zijn het binnenste uit haar binnenste. Er bestaat immers ook een geestelijk binnenste, het binnenste van Paulus als hij zegt: "Kom broeder, laat me een beetje van u profiteren  - in de Heer dan. Stel om Christus' wil mijn hart gerust." (Film 20) Wij zijn dus het binnenste van de kerk, omdat wij ledematen van zijn lichaam zijn, uit zijn vlees en uit zijn gebeen­te. (Gn 2,23 en Ef 5,30) Laat dan die lieve moeder treuren; laat de menigte haar bijstaan. Laat niet zomaar een menigte, maar zelfs een grote menigte delen in het lijden van de goede moeder. Dan zult u overeind komen bij de uitvaart. Dan zult u losraken van het graf. Die bedienaren van uw begrafenis zullen blijven staan. U zult weer de taal van levenden spreken en allen worden van ontzag vervuld. Naar aanleiding van één, bekeren zich immers velen. Ook zullen zij God prijzen dat Hij ons zulke krachtige middelen heeft ges­chonken om aan de dood te ontkomen.
       uit:  Peter Eijkenboom S.J., Fried Pijnenborg S.J. en Hans van Reisen, Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas, Budel 2005, 248-250
 



Top

Aswoensdag 
Matteüs 6,1-6 en 6,16-18 toegelicht door Augustinus (serm.dom.m. 2,42)

Wat is de betekenis van Jezus' uitspraak: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat u vast.” (Mt 6,18) Het lijkt immers niet terecht dat iemand ons voorschrijft om, terwijl we de gewoonte hebben ons gezicht elke dag te wassen, bij het vasten ook nog ons hoofd te zalven. Als iedereen erkent dat dat hoogst ongepast is, moet men het gebod om zijn hoofd te zalven en zijn gezicht te wassen laten slaan op het innerlijk van een mens. Het hoofd zalven slaat dan op de blijdschap, het gezicht wassen op de zuiverheid. Iemand die zich innerlijk verheugt, geestelijk en verstandelijk, zalft zijn hoofd. ...
     Iemand die vast moet daar dus een geestelijk genoegen aan beleven, en wel doordat hij zich door het vasten afkeert van werelds genot en zo ondergeschikt is aan Christus, die volgens dit voorschrift verlangt dat wie vast zijn hoofd heeft gezalfd. Zo zal hij ook zijn gezicht wassen, met andere woorden: zijn hart zuiveren. Met een gezuiverd hart zal hij God zien, niet gehinderd door een sluier van ziekte die hij opgelopen heeft in het vuil, maar kerngezond en krachtig omdat hij zuiver en oprecht is. “Was u, reinig u!” staat er geschreven. “Doe weg de misdaden uit uw gedachten; uit mijn ogen ermee!” (Js 1,16) Dat vuil moet dus van ons gezicht worden gewassen: het kwetst de ogen van God. Want door met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen zullen wij herschapen worden zodat wij op Hem gaan gelijken (2 Kor 3,18).
  Uit: Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte] / Augustinus. - Budel: Damon, 2004 (3de dr) . - 232 p. – p. 154-155 (= boek 2,42).



1e zondag van de veertigdagentijd 
Lucas 4,1-13 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 4,7)
Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel op de proef te worden gesteld (Lc 4,1). Men denkt er dan heel terecht aan hoe de eerste Adam vanuit het paradijs de woestijn in werd ge­stuurd (Gn 3,23-24 en 1 Kor 15,45). Zo wordt men gewaar hoe de tweede Adam vanuit de woestijn in het paradijs terugkeerde. Zie toch eens hoe Adams vonnis van destijds knoop voor knoop wordt losgebonden en Gods weldaden langs eigen weg hun loop hernemen. Adam komt uit ongerepte aarde (Gn 2,7), Christus uit een ongerepte vrouw. Adam gemaakt naar het beeld van God (Gn 1,27), Christus zelf het beeld van God (2 Kor 4,4). Adam gesteld boven alle redeloze dieren (Gn 1,28), Christus boven alle levende wezens. Door een vrouw kwam er dwaasheid (Gn 3,6), door een maagd wijsheid. Door een boom kwam er dood (Gn 3,6), door het kruishout leven. Adam heeft, ontdaan van geestelijke waarden, zich bekleed met vijgenbladeren (Gn 3,7), Christus heeft, los van wereldse zaken, zich niet bezorgd gemaakt over de kleding voor zijn lichaam (Mt 6,28 en Lc 12,26). Adam kwam in een woestijn terecht, zo ook Christus. De Heer wist immers waar Hij de veroordeelde kon vinden om een eind te maken aan diens dwaal­tocht en hem terug te roepen naar het paradijs. Maar omdat Adam in zijn wereldse kledij niet terug kon keren en het paradijs niet kon bewonen zolang hij zich niet van schuld had ontdaan, heeft hij de oude mens uitgedaan en de nieuwe mens aangetrokken (Kol 3,9-12): zo zou er een andere persoon en geen ander vonnis komen, want Gods besluiten kunnen niet ongedaan worden gemaakt.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 178 (= boek 4,7)


alternatief : Veertigdagentijd
Lucas 4,2 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 4,15)
Veertig dagen (Lc 4,2). U herkent het mystieke getal. U herinnert zich dat veertig het aantal dagen was dat de wateren van de zondvloed uit de diepte zijn losgebroken (Gn 7,12). Veertig was ook het aantal dagen dat de profeet zich met vasten heiligde waarna een hemelsblauwe lucht terugkwam (1 K 19,8). Met een vasten van veertig dagen verdiende de heilige Mozes de wet te ontvangen (Ex 34,28): veertig jaren hebben de vaderen in de woes­tijn (Nu 14,33-34), het brood van engelen, de genade van manna uit de hemel ontvangen (Ps 77(78),25) en zij waren niet waardig om het beloofde land binnen te gaan (Heb 11,9)[1] voordat zij het geheimvolle aantal van veertig jaren vol maakten. Met het vasten van de Heer in eveneens veertig dagen, komt voor ons de weg vrij om het evangelie binnen te gaan­. Zodoende mag wie zich de glorie van het evangelie en de vrucht van de verrijzenis wenst eigen te maken, zich niet aan het geheimvolle vasten onttrekken. Mozes schreef in de wet en Christus schreef in zijn evange­lie met het volle gezag van beide verbonden voor, dat het een heuse strijd om deugd geldt.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 182 (= uitleg bij boek 4,15)



2e zondag van de veertigdagentijd 
Lucas 9,28b-36 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,12)
Laten we de sluier van ons gezicht verwijderen. Dan gaan wij met onverhuld gelaat Gods glorie aanschouwen en worden herschapen tot een gelijkenis met Hem (2 Kor 3,18). Laten we de berg bestijgen en Gods Woord smeken dat Hij zich aan ons in eigen gedaante en schoonheid vertoont, met kracht optreedt en glanzend optrekt naar de overwinning (Ps 45,3-4). Ook dat duidt immers op geheimen en verwijst naar hogere dingen. Want al naar uw ontvankelijkheid maakt het Woord zich voor u kleiner of groter (Joh 3,30). Als u niet de top van het hogere onderscheid beklimt, laat de wijsheid zich niet aan u kennen. ... [Dan laat Gods Woord zich aan u kennen zonder eigen uiterlijk en schoonheid, bij wijze van spreken in een lichaam (Js 53,2). Het laat zich kennen als een mens met wonden om onze zwakheden te kunnen dragen. Dan laat Gods Woord zich aan u kennen als een woord dat van een mens afkomstig is, verhuld in letters en niet stralend met de kracht van de Geest.] Maar als u bij de beschouwing van Jezus Christus gaat geloven dat Hij [uit een maagd ter wereld werd gebracht en het geloof u langzaam ingeeft dat Hij uit Gods Geest is geboren, begint u de berg te bestijgen. Als u Hem] op het kruis ziet zegevie­ren over de dood (Kol 2,15) zonder erdoor vernietigd te worden, als u ziet dat de aarde sidderde, de zon terugweek en de duisternis zich uitstortte over de ogen van wie niet tot geloof kwamen (Lc 23,44), als u ziet dat de graven opengingen (Mt 27,52), de doden verrezen als teken dat het heidenvolk, dood voor God, verrees toen de graven van hun lichaam als het ware wijd opengingen en het kruis erover zijn licht liet stromen, als u voor dat mysterie oog krijgt, bent u de hoge berg opgegaan en ziet u de glorie van het Woord in nieuw licht.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 315 (= boek 7,12)



3e zondag van de veertigdagentijd 
Lucas 13,1-9 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,164-165)
Over de betekenis van de vijgenboom is ook de volgende verklaring terzake: Adam en Eva, onze stamouders in herkomst en in zonde, hebben zich met bladeren van de vijgenboom bedekt en zijn verbannen uit het paradijs: zij hoorden de Heer naderen en probeerden zijn bijzijn te ontlopen, bewust als zij zich waren van hun overtreding (Gn 3,7). ... Zo werden wie van de vijgenboom bladeren in plaats van vruchten plukten, uit het rijk van God verwijderd. Zij waren immers een levend wezen zonder levendmakende Geest (1 Kor 15,45). De tweede Adam kwam, dat was Christus: Hij zocht vruchten­, geen bladeren meer. Hij was immers een levendmakende Geest. Het is in de Geest dat de vrucht van de deugd wordt geoogst en dat de Heer aanbeden wordt. De Heer ging op zoek naar vruchten, niet omdat het Hem ontgaan was dat de vijgenboom er geen had, maar om in een beeld te laten zien dat zijn geloofsgenoten, joden en christenen, al vrucht hadden moeten voortbrengen.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 376 -377 (= boek 7,164-165)



4e zondag van de veertigdagentijd 
Lucas 15,1-3.11-32 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,214-215)
Hoe raak je verder van huis dan als je uit jezelf wegtrekt en niet ruimtelijk, maar in manier van leven vervreemdt? Als je niet door de streek waar je verblijft, maar door waar je belangstelling ligt, geen contact meer hebt? Als er een soort vloedgolf van wereldse luxe tussen komt stromen en je daden van heel andere allure zijn? Wie zich namelijk van Christus verwijdert, leeft als balling buiten zijn vaderland en hoort tot de burgerij van deze wereld. Wij zijn echter geen ontheemden en vreem­delingen, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (Ef 2,19). ...­ Er ontstond hongersnood in dat land (Lc 15,14) Geen hongersnood aan voedsel, maar aan goede werken en deugden. Is er een schaarste waar nog meer over te klagen valt­? Wie namelijk afstand neemt van Gods Woord, krijgt honger omdat de mens niet leeft van brood alleen, maar van elk woord van God (Dt 8,3, Mt/Lc 4,4). Wie de bron ach­ter zich laat, krijgt dorst. Wie van de schatkamer weggaat, ondervindt armoede. Wie de wijsheid in de steek laat, stompt af. Wie de deugd verlaat, verliest zijn verband. Het ligt voor de hand dat de jongste zoon gebrek begon te lijden toen hij de schatten van de wijsheid en wetenschap Gods (Kol 2,3), en de hoogte van de hemelse rijkdom achter zich liet. Hij begon dus honger en gebrek te lijden omdat voor een verkwistende genotzucht niets genoeg is.
  Uit : Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 398-399 (= boek 7,214-215)


5e zondag van de veertigdagentijd 
Johannes 8,1-11 toegelicht door Augustinus (io.eu.tr. 33,5)

Had Jezus gezegd: "Die echtbreekster mag niet worden gestenigd," dan was Hij aan onrecht schuldig bevonden. Had Hij gezegd: "Zij moet worden gestenigd," dan had Hij niet zachtmoedig geleken. Laat Hij dus - zachtmoedig en rechtvaardig tegelijk - zeggen wat Hij moet zeggen­: "Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen." (Joh 8,7) Dat is een uitspraak van de rechtvaar­digheid: "De zondares moet worden gestraft, maar niet door zon­daars. De wet moet worden voltrokken, maar niet door wet­verkrachters." Dat is werkelijk een uitspraak van de rechtvaardigheid. Als door een knots getroffen door die rechtvaardigheid bezagen de aanklagers zichzelf, bevonden zich schuldig en dropen een voor een af. (Joh 8,9) Twee zijn achter­gebleven, een erbarmelijke en de erbarming. Toen de Heer hen eenmaal met het wapen van zijn rechtvaardigheid had getroffen, wilde Hij niet letten op hun val maar wendde Hij de blik van hen af en schreef wederom met de vinger op de grond.
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. – Budel: Damon, oktober 2010. - (= Verhandelingen over het Johannesevangelie 33,5)

Top

Palmzondag of Palmpasen 
Lucas 19,28-40 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 9,9)
De apostelen spreiden dan ook voor Christus hun eigen kleren op de weg (Lc 19,35). Het kan zijn dat zij het evangelie wilden verkondigen en zo het glorieuze gebeuren een bijzonder reliëf wilden geven. Want in de Heilige Schrift staan "kleren" gewoonlijk voor deugden en die moesten ook het onverzettelijke onder de heidenen wat minder weerbarstig maken (Vgl. Hl 4,11, Apk 3,5; 3,18 en 4,4). Zij wilden in hun enthousiasme hun inzet tonen en de intocht voorspoedig laten verlopen, zonder een enkele hindernis. De Heer van de wereld liet zich immers niet voor eigen genoegen met uiterlijk vertoon op de rug van een ezelin voortrijden. De diepere betekenis ervan bleef verborgen: Hij wilde diep in onze geest een plaats voor zich inrichten. Hij zou zich binnen de schuilhoeken van onze harten neerzetten en er als een mystieke ruiter zijn plaats vinden. Eenmaal binnengeraakt om zo te zeggen met het lichaam dat zijn godheid ten dienste stond, zou Hij de stappen van het verstand in goede banen leiden en de grillen van het vlees beteugelen. Zo kon Hij de houding van de heidenen aan die leiding van liefde laten wennen en daarmee in bedwang houden. Geluk­kig die in hart en nieren zo’n ruiter verwelkomd hebben. Gelukkig de mensen die zich het bit van het hemels Woord lieten aanleggen om niet op hol te slaan met een vloed van woorden (Spr 10,19).
  Uit : Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 459 (= boek 9,9)


Top

Witte Donderdag 
Johannes 13,1-15 toegelicht door Augustinus (io.eu.tr.55,4)

Eigenlijk was het geen wonder dat Jezus van tafel opstond en zijn kleren aflegde. Hij was het immers die in de gestalte van God zichzelf ontledigd had (Fil 2,6). Geen wonder dat hij zich met een linnen slavenschort omgordde. Toen Hij de gestalte van een slaaf had aangenomen, werd Hij immers als een mens beschouwd (Fil 2,7). Geen wonder dat Hij water in een waskom goot om er de voeten van de leerlingen mee te wassen. Hij heeft immers zijn eigen bloed over de aarde vergoten om er het vuil van de zondaars mee weg te spoelen. Geen wonder dat Hij met de doek waarmee Hij was omgord, de gewassen voeten heeft afgedroogd. Hij had immers met het lichaam waarmee Hij was bekleed, de schreden van zijn evangelieverkondigers versterkt. Toen Hij zich de linnen doek omdeed, heeft Hij de kleren afgelegd die Hij aanhad. Maar toen Hij zich ontledigde in de gestalte van een slaaf, heeft Hij niet afgelegd wat Hij bezat, maar aangenomen wat Hij niet bezat. Toen Hij gekruisigd ging worden, is Hij opmerkelijk genoeg wel beroofd van zijn kleren en na zijn dood in linnen doeken gewikkeld. Heel dat lijden is een schoonwassen van ons. Het stervensceremonieel dat Hij binnenkort zou onder­gaan, heeft Hij dus als dienstbetoon van tevoren zelf verricht.
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. - Budel: Damon, oktober 2010. - (=  Verhandelingen over het Johannesevangelie 55,4)



Goede Vrijdag 
Johannes 18,1-19,42 toegelicht door Augustinus (sermo218,1-2 en 13)
Men gelooft terecht dat de Heer met iedere afzonderlijke daad die tijdens zijn lijden is verricht en beschreven, een bedoeling heeft gehad, omdat Hij juist in het sterfelijke vlees alles niet uit noodzaak heeft doorstaan maar uit vrije wil. Ten eerste dat Hij na te zijn overgeleverd om te worden gekruisigd, zelf zijn kruis droeg (Joh 19,16-17). Daarmee gaf Hij ons een toonbeeld van zelfbeheersing. Door ons daarin voor te gaan liet Hij zien wat iemand moet doen die Hem wil volgen. Daarop wees Hij ons ook met een uitspraak toen Hij zei: "Wie rnij liefheeft, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen (Mt 16,24; Mc 8,34; Lc 9,23)." Wie immers op een goede manier zijn sterfelijk leven leidt, neemt in zekere zin zijn kruis op. ... Verder dat bij de andere twee gekruisigden de benen werden gebroken, maar bij Jezus niet, omdat Hij al was overleden (Joh 19,31-33). Waarom dat zo is, verklaart het evangelie zelf. Het kon immers geen kwaad dat Hij ook met dat teken zou laten zien — in de profetie die eerder over Hem was verkondigd — dat aan het Paasfeest van de joden moest worden gedacht. Een van de voorschriften daarbij was dat de beenderen van het lam niet mochten worden gebroken (Ex 12,46, Nu 9,12).
  Uit:  Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar / Augustinus. - Baarn 1996. – p. 91 en verder (= sermo 218, 1-2 en 13)



Paasnacht 
Lucas 24,1-12 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 10,156)
In het begin was een vrouw voor de man de aanzet tot zonde en de man degene die de misstap ten uitvoer bracht (Gn 3,6). Op dezelfde manier had een vrouw het eerst met de dood kennisgemaakt maar was nu ook de eerste die de verrijzenis te zien kreeg (Lc 24,2-9). Juist zoals het bij de zonde toeging, was zij ook de eerste met het geneesmiddel. Zij had in feite de zonde op de man overgedragen, maar mocht bij het mannelijk geslacht niet eindeloos het verwijt met zich meedragen dat zij er de schuld van was. Daarom deed zij hetzelfde met de genade en vergoedde de ellende van de vroegere zondeval door nu de verrijzenis aan te zeggen. Door de woorden uit de mond van een vrouw had vroeger de dood vrije doorgang gekregen; door de mond van een vrouw wordt het leven hersteld (Sir 25,18.20.24).
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 535 (= uitleg bij boek 10, 156)



Paaszondag 
Johannes 20, 1-9 toegelicht door Hans van Reisen
Het bericht van Maria Magdalena over Jezus' leeggehaalde graf werkt op een interessante manier door in het Johannesevangelie. Op haar bericht snellen twee mannelijke leerlingen naar Jezus' graf. De ene leerling van wie Jezus hield kwam als eerste aan en ziet voorovergebukt de zwachtels liggen. Vervolgens komt ook Petrus bij het graf, gaat naar binnen en ziet behalve de zwachtels de zweetdoek elders opgerold. Dan gaat ook de andere leerling naar binnen: hij ziet en gelooft. Augustinus zegt daarover: "Sommige mensen letten hier niet goed op en denken dan dat Johannes toen is gaan geloven dat de Heer was verrezen. Maar het vervolg wijst daar niet op. Wat moet anders die volgende zin? 'Want zij hadden nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Jezus namelijk uit de doden moest opstaan?' (Joh 20,9) Johannes die niet wist dat Jezus moest opstaan, heeft dus niet geloofd dat Hij al was opgestaan. Wat zag en geloofde hij dan wel? Hij zag het graf leeg en geloofde wat Maria Magdalena had gezegd: 'Ze hebben de Heer weggehaald uit het graf.' (Joh 20,2). Zij hadden immers nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan." (Verhandeling over het evangelie volgens Johannes 20,9). Augustinus legt Joh 20,8-9 dus uit met behulp van Joh 20,2! Die uitleg heeft waarschijnlijk om minstens twee redenen enige irritatie opgeroepen. Het eerste probleem is dat de leerling Johannes en wellicht ook Petrus zich in hun interpretatie van wat zij zien, laten leiden door het getuigenis van één persoon, en nog wel van een vrouw. Dat is ongewoon in een wereld waar een getuigenis pas rechtsgeldig was van minstens twee personen (Nu 35,30, Dt 19,15 en Joh 8,7) en dat zullen in de wereld van toen wel mannen geweest moeten zijn. Het tweede probleem is dat de twee belangrijke mannelijke leerlingen op grond van wat zij zien, volgens de uitleg van Augustinus niet meteen tot het inzicht komen dat de Heer is verrezen, maar eerst gaan geloven wat Maria Magdalena hun heeft gezegd. Augustinus' uitleg moet het in de geschiedenis van de bijbeluitleg nogal eens afleggen tegen een andere. Daarin komen Petrus en die andere leerling anders dan Maria Magdalena wel tot het geloof in de verrijzenis van de Heer. Dat zij de Schriften nog niet hadden begrepen, slaat dan op het feit dat zij eerst moesten zien om te kunnen geloven. Wie de Schriften begrijpt, gelooft eerst om te kunnen zien. Toch blijft de uitleg van Augustinus de moeite van het bewaren waard. Hij doet recht aan de bijzondere positie van Maria Magdalena in haar liefde en genegenheid voor de Heer en schept klaarheid in haar positie ten opzichte van Petrus en de andere leerling.
  Uit: 'Verrezen tot leerlinge van de Heer: Maria Magdalena in de verkondiging van Augustinus' / Hans van Reisen, in: Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, 98-110.



Tweede Paasdag 
Matteüs 28, 8-15 toegelicht door Augustinus (sermo 229F, 1)

Sommige mensen hebben de verrijzenis van de Heer gezien, anderen hoorden erover vertellen, maar hechtten er geen geloof aan (Mt 28,11) Zij worden dan ook terechtgewezen door de Heer in eigen persoon, omdat zij geen geloof hechtten aan de verhalen van hen die het zagen en erover vertelden. Wat een geweldige gunst schonk God met zijn terechtwijzing aan de volkeren en aan de mensen die veel later zijn geboren! Wat schonk God dan aan de mensen die nu de kerken van Christus vullen? De heilige apostelen hebben aan Christus' zijde gelopen. Zij hebben het woord van de waarheid uit zijn eigen mond vernomen. Zij hebben Hem doden zien opwekken. Toch geloofden zij niet dat de Heer was verrezen. En wij dan? Wij zijn veel later geboren en hebben Hem nooit in levenden lijve gezien. Wij hebben Hem zelf nooit een woord horen spreken. Wij hebben met onze eigen ogen Hem geen enkel wonder zien verrichten. En toch geloofden wij wel toen wij de geschriften hoorden voorlezen van hen die destijds niet wilden geloven. De allerlaatste gebeurtenis die hun werd verteld, geloofden ze niet. Zij hebben het beschreven om het ons te laten lezen. Wij hebben het gehoord en wij geloven.
  Uit : Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar/ Augustinus. - Baarn: Ambo, 1996. – p. 119-120 (= sermo 229F,1)


Top

2e zondag van de Paastijd 
Johannes 20, 19-31 toegelicht door Augustinus (sermo 247,2)

De evangelielezing spoort ons aan om een woord te wijden aan de vraag hoe de Heer, die in zo'n concreet lichaam verrees dat Hij door zijn leerlingen niet alleen kon worden gezien maar ook aangeraakt, aan hen kon verschijnen ondanks de gesloten deuren. Sommigen worden hierdoor namelijk zo aan het twijfelen gebracht, dat ze bijna in gevaar zijn doordat ze de vooroordelen van hun eigen redeneringen inbrengen tegen de goddelijke wonderen. Zij redeneren als volgt. Als er sprake was van een lichaam, van vlees en botten, als dat wat aan het kruis heeft gehangen uit het graf is verrezen, hoe kon dat dan door gesloten deuren binnenkomen? Als dat niet kon, dan is het - zeggen ze - ook niet gebeurd. Als het wel kon, hoe dan wel?...
      Denk eens terug aan de wonderen van uw Heer vanaf het begin van zijn leven en probeer ze mij eens één voor één te verklaren. Zonder dat een man haar benaderde, werd een maagd zwanger (Lc 1,31-34) Leg mij eens uit hoe een maagd zonder man zwanger kon worden. Waar de redenering tekortschiet, daar wordt het geloof opgebouwd. Zie je wel, daar heb je al één wonder: de ontvangenis van de Heer. Luister ook naar het tweede wonder: de bevalling. Een maagd heeft gebaard en is toch maagd gebleven. Toen al, vóór zijn verrijzenis, is de Heer als het ware door gesloten deuren heen ter wereld gekomen!
  Uit: Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar / Augustinus. - Baarn: Ambo, 1996. – p. 163 (= sermo 247,2)



3e zondag van de Paastijd 
Johannes 21,1-19 toegelicht door Augustinus (sermo 248,3)

Verneem nu hoe de kerk na de verrijzenis zal zijn. Zie het verschil, verheug u, hoop en begrijp. De Heer zegt: "Werp het net uit rechts van de boot." (Joh 21,6) Nu worden de mensen aan de rechterkant gevangen. Geen enkele slechte hoeven zij meer te vrezen. U weet toch dat Hij beloofde om de schapen van de bokken te gaan scheiden. De schapen zou Hij aan zijn rechterhand zetten, de bokken links. Tegen die aan de linkerhand zou Hij zeggen: "Ga weg naar het eeuwig vuur." (Mt 25,41) Tegen die aan de rechterhand zou Hij zeggen: "Ontvang het rijk." (Mt 25,34) Kijk, daarom staat er: "Werp het net uit rechts van de boot." Zij wierpen het uit en hadden beet. Het aantal is vastgesteld. Niemand is daar overtollig (Ps 40,6) Nu komen er zoveel overtolligen naar het altaar. Zij lijken te horen bij het volk van God, maar worden niet opgetekend in het Boek des Levens (Apk 3,5). Daar is het aantal vastgesteld. Streef ernaar ook tot die vissen te behoren, niet alleen door te luisteren en te loven, maar door te begrijpen en goed te leven. De netten worden dus uitgeworpen en er worden grote vissen gevangen. Wie zal daar immers klein zijn als allen gelijk zijn aan de engelen van God? (Lc 20,36) Grote vissen worden er dus gevangen, honderddrieënvijftig stuks!
  Uit: Als lopend vuur: preken voor het liturgisch jaar [sermones de tempore + De utilitate jejunii] / Augustinus. - Amsterdam: Ambo, 2001. – p. 155 (= sermo 248,3)



4e zondag van de Paastijd 
Johannes 10, 27-30 toegelicht door Augustinus (io.eu.tr. 48,7)

"Niemand zal iets wegroven uit mijn Vaders hand." (Joh 10,29) Heeft de Vader een hand of is misschien de Zoon zelf de hand van de Vader? Als wij "hand" opvatten als macht, dan is de macht van de Vader en de Zoon één, want één is hun goddelijkheid. Maar als wij "hand" opvatten zoals de profeet Jesaja: "Aan wie is de arm van de Heer getoond?" (Js 53,1) dan is de Zoon zelf de hand van de Vader. Daarmee wordt niet bedoeld dat God een menselijke gestalte heeft met lichamelijke ledematen, maar wel dat alles door Hem is gemaakt. Want ook mensen noemen een ander wel eens hun rechterhand, wanneer die doet wat zij willen. Soms wordt zelfs iemands werk "zijn hand" genoemd, zoals je ook iemands hand herkent aan wat iemand geschreven heeft. Als het woordje "hand" dus al op verschillende manieren wordt gebruikt door de mensen die zelf een hand in de eigenlijke zin van het woord als ledemaat hebben, op hoeveel meer manieren moet dat dan gelden als men leest over de hand van God, die helemaal geen lichamelijke gestalte heeft. Wij doen er daarom goed aan hier onder de hand van de Vader de macht van de Vader te verstaan.
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. - Budel: Damon, oktober 2010.-  (= Verhandelingen over het Johannesevangelie 48,7)

Top


5e zondag van de Paastijd 
Johannes 13,31-35 toegelicht door Augustinus (io.eu.tr. 63,2)

Wat zei de Heer zodra Judas was weggegaan om de Heer te verraden? Wat zei de dag toen de nacht was heengegaan? "Nu is de mensenzoon verheerlijkt." (Joh 13,31) Waarom dat "nu"? Soms omdat de verrader is heengegaan en omdat de arresteerders en moordenaars nabij zijn? Is Jezus verheerlijkt omdat zijn vernedering ophanden is en omdat het nu boven zijn hoofd hangt dat Hij gebonden, geoordeeld, veroordeeld wordt en dat Hij wordt bespot, gekruisigd en gedood? Is dat nu een verheerlijking of eerder een vernedering? Toen Hij nog wondertekenen deed zei de evangelist Johannes over Hem: "De Geest was nog niet gegeven omdat Jezus nog niet verheerlijkt was." (Joh 7,39) De Heer was dus nog niet verheerlijkt, toen Hij doden opwekte. Maar is Hij dan wel verheerlijkt, nu Hij het dodenrijk nadert? Hij was dus niet verheerlijkt toen Hij goddelijke werken deed. Maar is Hij wel verheerlijkt, nu Hij menselijk lijden gaat ondergaan? Het zou wel vreemd zijn als de goddelijke leraar dat wilde aangeven en inprenten met die woorden. We moeten daarom dieper ingaan op het woord van de Allerhoogste (...). Ik zie hier een voorafbeelding van iets groots: Judas is weggegaan, Jezus verheerlijkt (Joh 13,30-31), dat wil zeggen: weg is het kind van verderf, verheerlijkt is het kind van de mensen.
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. – Budel: Damon, oktober 2010. - (= Verhandelingen over het Johannesevangelie 48,7)



6e zondag van de Paastijd 
Johannes 14,23-29 toegelicht door Augustinus (io.eu.tr. 77,3)

"Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u," zegt Jezus (Joh 14,27).Vrede laat Hij ons na bij zijn heengaan, zijn vrede zal Hij ons geven bij zijn wederkomst aan het einde. Vrede laat Hij ons na in de huidige wereld, zijn vrede zal Hij ons geven in de toekomstige wereld. Zijn vrede laat Hij ons na waarin wij vijanden overwinnen, zijn vrede zal Hij ons geven wanneer wij zonder vijanden zullen heersen. Vrede laat Hij ons na zodat wij hier elkaar al liefhebben, zijn vrede zal Hij ons geven waar wij zelfs zonder geschillen kunnen leven. Vrede laat Hij ons na om, zolang wij in deze wereld zijn, ons geen onderlinge rechter te laten spelen over onze verborgen zonden; zijn vrede zal Hij ons geven wanneer Hij de gedachten van ons hart zal bekendmaken en ieder Gods lof zal ontvangen (vgl. 1 Kor 4,5). Maar onze vrede is in Hem en van Hem, zowel de vrede die Hij ons nalaat bij zijn heengaan naar de Vader, als de vrede die Hij zal geven wanneer Hij ons voorleidt bij de Vader. Wanneer Jezus bij ons vandaan opstijgt, dan laat Hij toch zichzelf aan ons na omdat Hij ons niet verlaat? Hij die de uitersten bijeenbracht, is namelijk zelf onze vrede (Ef 2,14). (...) Als Hij ons al namelijk niet verlaat zolang wij hier op aarde in het vergankelijke lichaam vertoeven hoever wij ook van Hem verwijderd zijn, hoeveel te meer zal Hij ons met zichzelf vervullen wanneer wij de aanschouwing zelf hebben bereikt?
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. – Budel: Damon, oktober 2010. - (= Verhandelingen over het Johannesevangelie 77,3)



Top

40e dag van Pasen: Hemelvaart van de Heer  
Handelingen 1-11 en Psalm 24,9 toegelicht door Augustinus (sermo 377)

"Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen. De koning vol majesteit wil binnengaan!" (Ps 24,7.9). Dat wordt in één psalm tweemaal gezegd. Je zou denken dat het overbodig is en onnodig. Maar in de herhaling van die woorden moet je de doeleinden zien. Laat tot je doordringen waarom het tot twee keer toe werd gezegd. Kijk, de poorten van de hel en de hemel worden eigenlijk twee keer voor de Heer geopend: één keer als Hij verrijst en één keer als Hij opstijgt. Het is toch ongewoon dat God in de hel is? Het is toch ook ongewoon dat een mens in de hemel is opgenomen? Beide keren, op beide plaatsen worden de hoofden benauwd. "Wie is die koning vol majesteit?" (Ps 24,8.10) Hoe kunnen wij die twee nu onderscheiden? Luister hoe het antwoord aan beide hoofden luidt.
       Op hun vragen krijgen ze het volgende antwoord: "De Heer, machtig en heldhaftig! De Heer, heldhaftig in de strijd!" (Ps 24,8) In wat voor strijd? De dood ondergaan voor de stervelingen, alleen lijden voor allen; hoewel almachtig zich niet verzetten, en toch overwinnen door te sterven. Die koning vol majesteit is dus machtig, zelfs in de hel. Dat wordt ook herhaald voor de hemelse scharen: "Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen." (Ps 24,9) Gaat het soms niet om de aloude ingangen waarvan Petrus de sleutels kreeg? (Mt 16,19) Maar omdat Christus de mens mét zich verheft, wordt daar over Hem gezegd alsof Hij niet wordt herkend: "Wie is dan de koning vol majesteit?" (Ps 24,10) Omdat Hij daar echter geen strijder meer is, maar overwinnaar en omdat Hij daar niet vecht, maar zegeviert, luidt het antwoord daar niet: "De Heer, heldhaftig in de strijd," (Ps 24,8) maar: "De Heer van de hemelse scharen. Hij is de koning vol majesteit." (Ps 24,10).
  Uit: Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar / Augustinus. - Baarn: Ambo, 1996. – p. 226 (= sermo 377)



7e zondag van de Paastijd 
Johannes 17,20-26 toegelicht door Augustinus (sermo 103,4)

Broeders en zusters, over het ene moet u eens nadenken. U moet eens zien of in de veelheid van dingen niet eenheid het enige is dat u genoegen schenkt. Kijk eens met hoevelen u dankzij God hier bent. Wie zou het met u uithouden als u geen eenheid kende? Waar komt die rust vandaan, terwijl u toch met zovelen bent? Breng eenheid aan en je hebt een volk. Neem eenheid weg en je hebt wanorde. Wanorde is toch niets anders dan een ordeloze massa? Luister maar eens naar de apostel Paulus: "Ik doe een beroep op u, broeders en zusters." (1 Kor 1,10) Hij sprak tot een menigte mensen, maar hij wilde allen één maken. "Ik doe een beroep op u, broeders en zusters, wees allen eensgezind, laat er geen verdeeldheid onder u zijn. Wees volkomen één van zin en één van gevoelen." En elders: "Saamhorigheid en eensgezindheid, geen partijzucht en ijdelheid." (Fil 2,2-3) En de Heer bad tot zijn Vader voor zijn leerlingen: "Mogen zij één zijn zoals Wij één zijn." (Joh 17,22) En in de Handelingen van de Apostelen: "De menigte gelovigen was één van hart en ziel." (Hnd 4,32). Prijs daarom samen met mij de Heer en laat ons samen zijn naam verheerlijken (Ps 34,4).
  Uit: Als korrels tussen kaf : Preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367] / Augustinus. - Amsterdam : Ambo, 2002. - p. 99 (= sermo 103,4)

Top

50e dag van de Paastijd: Pinksteren 
Handelingen 2,1-13 (!) toegelicht door Augustinus (sermo 266,2)

Wij vieren vandaag het feest van de komst van de Heilige Geest. Want die kwam op de dag van Pinksteren, die al is aangebroken. Er waren honderdtwintig personen op één plaats bijeen. Onder hen bevonden zich de apostelen, de moeder van de Heer en andere mensen, mannen en vrouwen, die aan het bidden waren en wachtten op de vervulling van Christus' belofte, de komst van de Heilige Geest (Hnd 2,1 en 1,14-15). De hoop van de wachtenden was geen ijdele hoop, want de belofte van de Belover was geen loze belofte. Zij wachtten, en Hij kwam. En Hij trof reine vaten, waarin Hij kon worden opgevangen. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. En zij begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf (Hnd 2,3-4). Iedere persoon sprak in alle talen, omdat de toekomstige kerk hiermee in alle talen werd aangekondigd. Eén persoon was het teken van de eenheid: alle talen in één persoon, dat betekent alle volkeren tezamen in eenheid.
      Degenen die vol waren, spraken; degenen die leeg waren, wisten niet wat ervan te denken, en wat erger is, ze wisten niet wat ervan te denken en maakten er beledigende opmerkingen over. Ze zeiden: "Ze zijn dronken en ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan." (Hnd 2,13) Wat een domme en lasterlijke beledigingen! Een dronkeman leert geen vreemde taal, nee, hij raakt de zijne kwijt. Maar toch sprak de waarheid bij monde van die onwetende mensen met hun beledigingen. Ja, die honderdtwintig personen waren zich echt te buiten gegaan aan jonge wijn, want zij waren nieuwe wijnzakken geworden (Vgl. Hnd 2,13, Mt 9,17, Mc 2,22 en Lc 5,37-38). Maar de oude wisten niet wat te denken van de nieuwe, en door die beledigingen werden de oude niet vernieuwd en ook niet gevuld. Maar uiteindelijk ebde hun beledigende toon weg. Ze gingen luisteren naar de apostelen die aan het woord waren, een verklaring aflegden en door de genade van Christus predikten (Hnd 2,15). Door te luisteren werden ze geraakt, daardoor veranderd, en door die verandering begonnen ze te geloven. En door dat geloof verdienden ze dat te ontvangen, waarvan ze niet wisten wat ze er bij anderen van moesten denken.
  Uit: Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar / Augustinus. - Baarn, 1996. – p. 299 (= sermo 266,2)



Drievuldigheidszondag 
Johannes 16,12-15 toegelicht door Augustinus (io.eu.tr. 100,1)

Aan de woorden: "De Geest van de waarheid zal u bekendmaken wat komen gaat. Door aan u bekend te maken wat Hij van Mij heeft, zal Hij Mij eren," (Joh 6,13-14) behoren wij niet zomaar voorbij te gaan. De uitspraak "zal Hij Mij eren" valt te begrijpen, omdat Hij door in de harten van de gelovigen de liefde te storten en hen tot geestelijke mensen te maken hun duidelijk heeft gemaakt dat de Zoon, die zij tot dan toe alleen naar het lichaam hadden gekend en zich op een menselijke manier als mens hadden voorgesteld, de gelijke van de Vader was. Of in elk geval, omdat zij door die liefde met moed vervuld en zonder angst aan de mensen Christus hebben verkondigd en diens faam aldus over heel de aarde is verspreid. In dat geval had Christus de woorden "zal Hij Mij eren" aldus bedoeld: De Geest van de waarheid zal u de angst ontnemen en de liefde geven waardoor u Mij met vuur gaat verkondigen, over heel de wereld de geur van mijn heerlijkheid zult verspreiden en mijn eer zult vermelden. Wat de apostelen in de Heilige Geest tot stand brachten, daarvan zei Christus dat de Heilige Geest het zou verrichten, zoals bijvoorbeeld in dat andere woord: "U bent het niet zelf die dan spreken, het is de Geest van uw Vader die in u spreekt." (Mt 10,20)
  Uit: Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie / Augustinus. – Budel: Damon, oktober 2010. - (= Verhandelingen over het Johannesevangelie)



Sacramentsdag 
Lucas 9,11-17 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 6,74)

Om de mensen niet te laten bezwijken zegt Jezus daarom tegen zijn leerlingen: "U moet hun te eten geven." Maar zij reageerden: "Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen. Of wijzelf zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen." (Lc 9,13) De apostelen hadden nog niet begrepen dat het voedsel voor het gelovige volk niet voor geld te krijgen was. Christus wist dat wel. Hijzelf wist dat veeleer wij het waren die moesten worden gekocht, maar dat zijn maaltijd kosteloos was. De leerlingen bezaten dus nog niet de spijs om ons te kunnen kopen. Zij bezaten wel een spijs om ons te kunnen verzadigen, een spijs om ons te kunnen versterken. Brood versterkt immers het hart van de mens (Ps 104,15). De Heer toont medelijden: er mag niemand onderweg bezwijken. Bezwijkt er iemand, dan heeft hij het niet aan de Heer Jezus maar aan zichzelf te wijten. U hebt geen reden om iets op rekening van de Heer te schrijven: Hij overwint als men Hem wil oordelen (Ps 51,6 en Rom 3,4). Wat hebt u in te brengen tegen Hem, die op alle mogelijke manieren uw kracht heeft versterkt? Heeft Hij u niet tot leven gewekt? Heeft Hij u niet te eten gegeven? De spijs die Hij aanreikt is kracht. De spijs die Hij aanreikt is sterkte. Maar als u zorgeloos bent en de kracht die u gekregen had bent kwijtgeraakt, dan zijn het niet de versterkende middelen van Godswege, maar is het uw eigen houding die u weerloos maakt. Ten slotte laat de Heer het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen en biedt zo ook onrechtvaardigen en rechtvaardigen zijn spijs (Mt 5,45).
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas/ Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 293 (= boek 6 § 74).


Top

11e zondag door het jaar 
Lucas 7,36-8,3 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 6,18-19)
Misschien heeft Christus juist zijn voeten niet zelf gewassen om het ons te laten doen met onze tranen. Gezegende tranen zijn het die niet alleen onze schuld kunnen afwassen, maar bovendien de voeten van het hemelse Woord met dauw omgeven, zodat zijn voetstappen in ons rijke vrucht teweegbrengen. Gezegende tranen, waarin niet louter de verlossing van zondaars is gelegen, maar ook de verkwikking van rechtvaardigen. Van de rechtvaardige verneemt men immers: "Mijn tranen zijn voor mij voedsel." (Ps 42,4) Ook al kunt u het hoofdeinde van Christus niet bereiken, laat Christus dan met zijn voeten uw hoofd aanraken. De zoom van zijn kleed brengt genezing, zijn voeten brengen u genezing (vgl. Mt 9,20, Mc 5,27 en Lc 8,44). Maak uw haar los! Leg voor Hem alles neer wat uw lichaam aan schoons te bieden heeft. Haren die de voeten van Christus kunnen afdrogen zijn niet te onderschatten. Daarvan getuigt Simson die onoverwinnelijk was zolang hij zijn haren had (vgl. Re 16,17). Tenslotte past het evenmin dat een vrouw met kaalgeschoren hoofd haar gebed verricht (vgl. 1 Kor 11,5-6). Nee, laat zij haar haren houden en die om Christus' voeten heen wikkelen: laat zij met haar schone en bevallige lokken de voeten van de Wijsheid droogwrijven. Dan kunnen die tenminste nog het laatste druppeltje goddelijke kracht als dauw opvangen en kan zij haar kussen drukken op de voeten van de Gerechtigheid.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 270 (= boek 6 § 18-19).



12e zondag door het jaar
Lucas 9,18-24 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 6,94-95)
Geloof dus zoals Petrus heeft geloofd. Dan zult ook u gelukkig zijn en met recht vernemen: "Niet vlees en bloed hebben u dit onthuld, maar mijn Vader in de hemel." (Mt 16,17) Vlees en bloed kunnen immers alleen maar onthullen wat aards is. Maar wie onder invloed van de Geest over geheimen spreekt, steunt niet op de inspraak van vlees en bloed, maar op goddelijke ingeving (1 Kor 14,2). Stel u dus niet tevreden met vlees en bloed. Zorg dat u zich niet door vlees en bloed laat gezeggen en zelf vlees en bloed wordt. Wie zich immers met het vlees verenigt, is niets dan vlees en wie zich met God verenigt, is met Hem één Geest (1 Kor 6,17). "Mijn levensgeest," zegt God, "zal niet altijd bij de mens blijven, want hij is maar een nietig wezen van vlees." (Gn 6,3)
Kortom, laten wie luisteren, niet louter vlees en bloed zijn, maar zich tegen de begeerten daarvan wapenen om ieder voor zich te kunnen zeggen: "Ik hoef geen angst te hebben: wat kunnen mensen van vlees en bloed mij doen?" (Ps 56,5) De kerk wordt gebouwd op wie het vlees heeft overwonnen. Kan zo iemand Petrus niet evenaren, hij kan hem wel navolgen. Groot toch zijn de gaven van God: niet alleen bracht Hij wat van ons was geweest weer in goede staat, Hij gunde ons ook wat uitsluitend Hem toebehoorde.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 301 (= boek 6 § 94-95).



13e zondag door het jaar 
Lucas 9,51-62 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,27)
De Heer wees de leerlingen terecht omdat zij wilden dat er vuur zou neerdalen over hen die Christus niet hadden ontvangen (Lc 9,54-55). Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat wij niet altijd tegen zondaars bestraffend moeten optreden. Een zachtmoedige houding geeft soms meer resultaat: bij u leidt het tot geduld, bij de zondaars tot verbetering. Uiteindelijk kwamen de Samaritanen toen bij deze gelegenheid het vuur van hen werd afgewend, sneller tot geloof (Lc 9,52). Tevens kunt u eruit opmaken dat Hij niet wilde worden ontvangen door hen van wie Hij wist dat ze zich niet oprecht en van harte hadden bekeerd. Want als Hij het had gewild, had Hij van mensen zonder de vereiste toewijding mensen vol toewijding gemaakt. Waarom precies de Samaritanen Hem niet ontvingen, gaf de evangelist zelf te kennen met de woorden: "Want Hij had Jeruzalem als reisdoel gekozen." (Lc 9,53) ... De leerlingen deden niet verkeerd door zich aan de wet te houden. Zij wisten immers dat het ook Pinechas tot gerechtigheid was aangerekend dat hij de Israëliet en de Midjanitische vrouw bij hun heiligschennis had gedood (Nu 25,7-11; Ps 106,30-31) en dat op de bede van Elia vuur uit de hemel op de Karmel was neergedaald om de miskenning van de profeet te bestraffen (1 K 18,38). Maar laat gestraft worden wie straf te vrezen heeft. Straf en wraak zijn niet nodig voor wie niets te vrezen heeft.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 320 (= boek 7 § 27).



14e zondag door het jaar 
Lucas 10,1-20 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,44-46)
"Zie, Ik zend u als lammeren tussen wolven." (Lc 10,3) Dit zegt Jezus tot de tweeënzeventig leerlingen die Hij aanwees en twee aan twee voor zich uit zond (Lc 10,1). Waarom twee aan twee? Omdat de dieren twee aan twee de ark zijn ingestuurd, een mannetje en een wijfje (Philo, Quod Deus sit immutaibilis 18) ... Jezus stuurde dus de leerlingen naar zijn oogst toe. Deze was wel met Gods Woord ingezaaid maar vereiste toch de noeste arbeid bij het kweken en de nauwgezette zorg van de arbeider. De vogels van de hemel mochten het uitgestrooide zaad niet weggrissen (Lc 8,5). Daarbij zei Hij: "Zie, Ik zend u als lammeren tussen wolven." Die beesten nu zijn vijanden van elkaar: lammeren worden door wolven verslonden. Maar de goede Herder kent tegenover de wolven voor zijn kudde geen angst (Joh 10,12-13). Zodoende worden deze leerlingen er niet op uit gezonden om een prooi te worden, maar om genade te verspreiden. De zorg van de goede Herder bewerkt namelijk dat de wolven niets tegen de lammeren kunnen ondernemen. Hij zendt dus lammeren tussen wolven en zo zou in vervulling gaan: "Dan grazen de wolf en het lam eensgezind." (Js 65,25)
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 327 (= boek 7 § 44-46).

Top

15e zondag door het jaar 
Lucas 10,25-37 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,74)
Een bijzondere man, die Samaritaan: hij is niet achteloos voorbijgegaan aan de man die door de priester en de leviet voor evenveel was achtergelaten (Lc 10,31-32). U moet dan ook niet achteloos aan hem voorbijgaan, omdat hier het woord Samaritaan wordt gebruikt. U zult hem bewonderen vanwege de grondbetekenis van het woord, want het woord "Samaritaan" betekent "wachter." Dat is de vertaling ervan. Wie anders is de "wachter" dan alleen Hij over wie is gezegd: "De Heer houdt de wacht over de eenvoudigen"? (Ps 116,6) Zo is de één jood naar de letter en de ander naar de geest; op dezelfde manier is ook de één Samaritaan aan de buitenkant en de ander in het verborgene. Deze Samaritaan nu daalde af. Wie is degene die neerdaalde uit de hemel, anders dan Hij die naar de hemel is opgestegen, de mensenzoon die in de hemel is? (Joh 3,13 en 6,33) Hij zag daar iemand halfdood liggen die niemand tevoren had kunnen genezen, zoals die vrouw die aan bloedvloeiing leed en heel haar vermogen aan artsen had besteed (Lc 8,43). Hij ging naar hem toe (Lc 10,33), dat wil zeggen: Hij nam het op zich om samen met ons te lijden en werd zo een van ons. Hij toonde hartelijkheid voor de ongelukkige en werd ons de meest naaste.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 338 (= boek 7 § 74).



16e zondag door het jaar 
Lucas 10,38-42 toegelicht door Augustinus (sermo 103,2)
Marta en Maria waren twee zusters (Lc 10,38-39), verwant naar het bloed maar ook naar godsdienstige overtuiging. Alle twee waren zij de Heer toegedaan, alle twee dienden zij eensgezind de Heer in zijn menselijke gedaante. Marta onthaalde Hem zoals je reizigers normaalgesproken onthaalt. Zij onthaalde Hem, maar nu onthaalde een dienares haar Heer, een zieke haar Redder, een schepsel haar Schepper. Zij die voedsel nodig had voor de geest, onthaalde Hem die voedsel nodig had voor het lichaam. De Heer heeft immers de gedaante van een slaaf willen aannemen, en toen Hij die had aangenomen wilde Hij het voedsel ontvangen van slaven, uit welwillendheid en niet uit nood. Want ook dat was een blijk van welwillendheid, dat zij Hem van voedsel mochten voorzien. Hij had een lichaam waardoor Hij inderdaad honger en dorst kon hebben, maar er waren toch ook engelen om Hem te bedienen in de woestijn toen Hij honger had? (Lc 4,13) Dat Hij gevoed wilde worden was dus een gunst voor wie Hem voedsel gaf. ... Maar niemand van u mag zich laten ontvallen: "Wat een geluk voor die mensen, dat ze Christus in hun eigen huis mochten onthalen!" Treur niet, klaag niet dat u bent geboren in een tijd waarin u de Heer niet meer in levenden lijve kunt zien. Hij heeft u dat voorrecht niet ontnomen. "Wat u voor één van de minsten van Mij hebt gedaan," zegt Hij, "hebt u voor Mij gedaan." (Mt 25,40)
  Uit:  Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie / Augustinus. – Budel: Damon, 2007. – p. 97, (= sermo 103,2)



17e zondag door het jaar 
Lucas 11,1-13 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,90)
Zo hebben we hier in de tekst een aanbeveling om telkens en telkens te bidden, daarbij nog de hoop om verhoord te worden en ook de manier om de ander zover te krijgen: eerst in de vorm van een aanbeveling, dan van een voorbeeld. Wie namelijk iets belooft, moet ook zorgen voor de hoop op het beloofde. Dan kan men gehoor geven aan de vermaningen en gaan geloven in de beloften. Dat geloof hoeft alleen maar te kijken naar de goedheid onder mensen en krijgt dan in ruimere mate vertrouwen in de eeuwige goedheid. Wel moet men billijke dingen vragen. Het gebed mag niet op zonde uitlopen (Ps 109,7). Paulus schaamde zich niet iets meer dan eens te vragen. Hij wilde niet de indruk wekken geen vertrouwen in Gods barmhartigheid te hebben, of zich zelfingenomen gekrenkt te voelen omdat hij bij zijn gebed niet op slag werd verhoord. "Daarom," zegt hij, "heb ik driemaal de Heer gebeden." (2 Kor 12,8) Hij laat ons zien dat God dikwijls onze gebeden niet verhoort, omdat Hij ongeschikt vindt wat volgens ons wel voordelig zou zijn.
  Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 344 (= boek 7 § 90).

 

Top


18e zondag door het jaar

Lucas 12,13-21 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,122)

Iemand uit de menigte zei tegen Jezus: "Meester, zeg tegen mijn broer, dat hij de erfenis met mij moet delen." Maar Hij antwoordde hem: "Man, wie heeft Mij als scheidsrechter tussen u beiden aangesteld?" (Lc 12,13-14) ... Er is dikwijls sprake van hebzucht waardoor een deugdzaam leven wordt beproefd. Om die neiging te onderdrukken geeft de Heer hier een voorschrift en een voorbeeld wanneer Hij vraagt: "Wie heeft Mij tussen u beiden als scheidsrechter aangesteld?" (Lc 12,14) Hij was om goddelijke belangen afgedaald en gaat aardse beslommeringen terecht uit de weg. Hij wil geen rechter in geschillen zijn en geen beslissingen in vermogenskwesties nemen, al heeft Hij over levenden en doden te oordelen en over hun goede daden de eindbeslissing te nemen (Hnd 10,42 en 2 Tim 4,1). U moet dus niet letten op de inhoud van wat u vraagt, maar op de persoon aan wie u het vraagt. En denk niet dat men iemand vol aandacht voor het belangrijkste met onbenulligheden mag lastigvallen. Vandaar wordt niet ten onrechte de broeder afgewezen, die de beheerder van hemelse goederen met vergankelijke dingen wenste te belasten, want onder broers moet niet een rechter als tussenpersoon het erfgoed verdelen maar onderlinge liefde bemiddelen.
Trouwens, mensen moeten zich inzetten om onsterfelijkheid te erven in plaats van geld. Tevergeefs verzamelt iemand immers schatten als hij niet weet of hij ervan zal profiteren (Vergilius, Georgica 1,49), zoals de man bij wie de schuren van pas geoogste vruchten barstten, nieuwe schuren voor die overvloed voor zich liet bouwen zonder te weten voor wie hij het verzamelde (Lc 12,18-21). De wereld houdt immers alles vast wat van de wereld is, en al wat wordt verzameld voor de erfgenamen, gaat aan ons voorbij. Want wat we niet met ons mee kunnen nemen, is eigenlijk ook niet van ons. Alleen de deugd vergezelt de overledenen. Alleen de barmhartigheid volgt ons, die ons leidt en voorgaat naar de hemelse verblijven (Joh 14,2 en Ovidius, Ibis 264). Daar verkrijgt zij met de rente van onbeduidend geld eeuwige tenten voor de overledenen. Dat stemt overeen met de vermaningen van de Heer aan ons: "Maak u vrienden met behulp van de onrechtvaardige mammon; als die u dan ontvalt, zullen zij u in de eeuwige tenten ontvangen." (Lc 16,9) Dit is dan wel een goed en heilzaam voorschrift, heel geschikt om zelfs hebzuchtigen aan te moedigen om het vergankelijke voor het eeuwige en het aardse voor het goddelijke in te ruilen.
    Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 357 (= boek 7,122)


19e zondag door het jaar
Lucas 12,32 (35)-(40)48 toegelicht door Augustinus (sermo 108,3-4)

Dit alles hier is kort en vluchtig, maar wat sloven de mensen zich uit! Wat een inzet, wat een zorg, wat een toewijding! Wat een inspanning en moeite om te proberen hier op aarde lang te leven en oud te worden! En wat is lang leven nu anders dan hollen naar het einde? U hebt de dag van gisteren gehad, u wilt ook die van morgen hebben. Maar als ook die van morgen voorbij is, bent u hem kwijt. U verlangt vurig dat het dag wordt, maar zo komt het eindpunt dichterbij waar u juist niet terecht wilt komen. U hebt iets te vieren met uw vrienden. Dan hoort u van mensen die het beste met u voor hebben: "Nog vele jaren!" En u wilt dat die wens in vervulling gaat. Waarom? Wilt u dat er jaar op jaar blijft volgen en er nooit een eind aan komt? Uw verlangens zijn tegenstrijdig: u wilt wel onderweg zijn maar niet aankomen.
Maar zoals gezegd, wanneer de mensen al zoveel moeite doen en hopen hun dood uit te stellen door zich dagelijks enorm en onophoudelijk in te spannen, hoeveel moeite moeten zij dan doen om nooit te sterven? Daar wil niemand over nadenken. Elke dag is men op zoek naar gelukkige dagen in deze wereld, waar ze niet te vinden zijn (Ps 34,13). Maar niemand wil zo leven dat hij daar terechtkomt waar ze wél te vinden zijn. Daarom houdt de Schrift ons een vermaning voor: "Is er iemand die het leven bemint en gelukkige dagen wil genieten?" (Ps 34,13) De Schrift stelde de vraag alsof zij benieuwd was naar het antwoord, wel wetend dat  alle mensen willen leven en verlangen naar gelukkige dagen.
    Uit: Als korrels tussen kaf : Preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367] / Augustinus. - Amsterdam : Ambo, 2002. - p. 176 (= sermo 108,3-4)


20e zondag door het jaar
Lucas 12,49-53 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,132)

Wanneer het vrees voor straf is die iemand van het verkeerde pad afbrengt, dan is de voortgang in deugd miniem en pleiten de verdiensten maar matig. Genegenheid en liefde reiken hoger en verdienen daarom voorrang. Zodoende wakkert de Heer onze ijver aan om zijn genade waard te worden en zet die in vuur en vlam met het verlangen God te bereiken. Hij zei: "Vuur ben Ik op aarde komen brengen." (Lc 12,39) Natuurlijk geen vuur dat have en goed vernietigt, maar dat de goede wil op gang brengt, de gouden vaten uit het huis van de Heer loutert, daarentegen hout, hooi en stro verteert (1 Kor 3,12-15). Dit goddelijk vuur verbrandt al het aardse dat in werelds genot vast is komen te zitten, en verschroeit daarmee de werken van het vlees die gedoemd zijn ten onder te gaan. Het laaide op in het gebeente van de profeten zoals de heilige Jeremia verzekert: "Dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente." (Jr 20,9) Het is namelijk het vuur van de Heer waarover geschreven staat: "Vuur gaat voor Hem uit." (Ps 97,3)
De Heer is ook zelf een vuur zoals Hij met eigen woorden heeft betuigd: "Ik ben een laaiend, niet verterend vuur." (Ex 3,2 en 24,17, Dt 4,24 en Heb 12,29) Het vuur van de Heer is namelijk het eeuwige licht. Aan dat vuur worden de lampen ontstoken waarover Hij eerder heeft gezegd: "Houd uw lendenen omgord en de lampen brandend." (Lc 12,35) Omdat nu de dag van dit leven nacht is, is er behoefte aan een lamp. Dit is ook het vuur waarvan de Emmaüsgangers de verzekering gaven dat het in hen van de Heer afkomstig was. Zij zeiden: "Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende." (Lc 24,32) Daarmee gaven zij dus duidelijk te verstaan waarin de werking van dit vuur bestaat: het verlicht het binnenste van het hart. Misschien dat de Heer daarom met vuur komt om op de dag van de verrijzenis alle verkeerde dingen te verteren, zichzelf te laten aanschouwen ter vervulling van ieders verlangen en om de glans van de verdiensten en mysteries stuk voor stuk te laten oplichten (Js 66,15).
    Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 362 (= boek 7,132)

Top

21e zondag door het jaar
Lucas 13,22-30 toegelicht door Augustinus (sermo 111,3)

Ontegenzeggelijk worden er slechts weinigen gered. Denk maar aan het probleem dat ons zojuist is voorgelegd in het evangelie: "Heer" vroeg iemand, "zijn het er maar weinig die gered worden?" (Lc 13,23) En wat antwoordde de Heer hierop? Hij zei niet: "Het is geen gering aantal, het zijn er veel die gered worden." Nee, dat zei Hij niet. Wat zei Hij dan wel toen Hij had gehoord: "Zijn het er maar weinig die gered worden?" Hij zei: "Doe wat u kunt om door die nauwe deur binnen te komen." (Lc 13,24) U krijgt te horen: "Het zijn er maar weinig die gered worden." Welnu, de Heer heeft dat bevestigd. Er komen immers maar weinig mensen binnen door die nauwe deur. (Mt 7,13-14) Op een andere plaats begint Hij er zelf over: "Smal is de weg en nauw de poort die naar het leven leidt; er zijn maar weinig mensen die daardoor naar binnengaan. Maar wijd is de poort en breed de weg die naar de ondergang leidt; er zijn veel mensen die daarlangs gaan." Waarom zijn wij zo blij met grote aantallen? Luister naar mij, u die met weinigen bent. Ik weet wel dat u met velen toehoort, maar slechts weinigen geven gehoor aan mijn woorden. De dorsvloer zie ik, de graankorrels moet ik zoeken. Wanneer er wordt gedorst zijn de graankorrels nauwelijks te zien, maar de tijd zal komen dat er wordt gewand. Het zijn er dus maar weinig die worden gered, vergeleken met het grote aantal dat zal omkomen. Maar juist die weinigen zullen een enorme massa gaan vormen. Wanneer de wanner zal komen met zijn wan in de hand, zal hij zijn dorsvloer opruimen. Het graan zal hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur (Mt 3,12/Lc 3,17) Laat het kaf de korrel maar niet bespotten!


De Heer bedriegt niemand, zijn woorden zijn waar. Wees daarom met velen onder de velen, maar met weinigen vergeleken bij bepaalde massa's. Van deze dorsvloer zal zo'n grote oogst te voorschijnkomen dat hij de schuren van de hemel zal vullen. Zou Christus de Heer zichzelf dan tegenspreken met zijn woorden: "Er zijn maar weinig mensen die binnengaan door de nauwe poort, velen komen om op de brede weg"? Dat lijkt er wel op als Hij ergens anders zegt: "Velen zullen komen uit oost en west." (Mt 8,11 / Lc 13,29). Die velen zijn er in werkelijkheid weinig, die weinigen zijn er veel. Dus de ene keer zijn het er veel, de andere keer weinig? Nee, het zijn er tegelijkertijd weinig en veel: weinig vergeleken met de verlorenen en veel in de engelengemeenschap.
    Uit: Als korrels tussen kaf : Preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367] / Augustinus. - Amsterdam : Ambo, 2002. - p. 204 (= sermo 111,3)

 


22e zondag door het jaar

Lucas 14,1.7-14 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,195) 

Dit evangeliegedeelte bevat een les in bescheidenheid wanneer wordt afgekeurd het uitzoeken van een ereplaats op het bruiloftsmaal zoals in het evangelie beschreven (Lc 14,7-11). En dat gebeurt op een zachtzinnige manier: het vriendelijke van het vermaan moet het harde van de terechtwijzing buiten de deur houden en het beroep op de rede moet tot het beoogde resultaat van het vermaan bijdragen, terwijl de berisping het gevoel moet bijsturen. an deze bescheidenheid wordt om zo te zeggen als naaste buurman menselijk meeleven verbonden. (Lc 14,12) Dat wordt in de omschrijving van de Heer pas echt zo getypeerd wanneer het ten aanzien van armen en gebrekkigen gebeurt. Want mensen gastvrij onthalen die ervoor een beloning tegenover zullen stellen, getuigt eigenlijk alleen maar van hebzucht.
    Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 392 (= boek 7,195)

 


23e zondag door het jaar
Lucas 14,25-33 toegelicht door Augustinus (sermo 72A,4)

Christus leert u dus met uw ouders te breken en hen toch lief te hebben. Want uw ouders hebt u pas naar behoren en werkelijk lief, als u hen niet boven God stelt. "Wie niet met zijn vader of moeder..." zegt de Heer zelf, "wie niet met zijn vader of moeder breekt, kan geen leerling van Mij zijn." (Lc 14,27) Op het eerste gezicht lijkt de Heer u in deze woorden aan te sporen om uw ouders niet lief te hebben. Maar niets is minder waar! Als u goed oplet, spoort Hij u juist aan om hen wel lief te hebben. Want Hij had ook kunnen zeggen: "Wie zijn vader of moeder liefheeft, is Mij niet waard." Maar dat doet Hij niet, want Hij wil het gebod dat Hijzelf heeft gegeven, niet tegenspreken. Hij heeft ons dat gebod zelf gegeven door middel van zijn dienaar Mozes. Er staat zwart op wit: "Eer uw vader en uw moeder." (Ex 20,12 en Dt 5,16) Christus veranderde niets aan dat gebod, maar Hij bevestigde het. Hij leerde u het juiste gevoel voor verhoudingen, en ondermijnde daarbij uw ouderliefde niet. "Wie zijn vader of moeder liefheeft," zegt Hij, maar dan... "meer dan Mij." Zo staat het bij de evangelist Matteüs. (Mt 10,37) Je mag je ouders dus best liefhebben, maar niet meer dan Hem. God is God en een mens is een mens. Heb uw ouders lief, gehoorzaam uw ouders en eer uw ouders. Maar als God u tot iets hogers roept, waarbij die ouderliefde u tot last kan zijn, bewaar dan het juiste gevoel voor verhoudingen en gebruik de liefde niet verkeerd.
    Uit: Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs / Augustinus. - Amsterdam : Ambo, 2006 – p.353 (= Sermo 72A,4)  



24e zondag door het jaar
Lucas 15,1-32 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,207) 

"Wanneer iemand onder u," zegt de Heer, "honderd schapen heeft en er één van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig andere schapen in de eenzaamheid achter om op zoek te gaan naar het verloren schaap totdat hij het vindt?" (Lc 15,4) In het voorgaande had u geleerd korte metten te maken met gebrek aan aandacht, aanmatiging te vermijden, u aan godsdienstige ijver te wennen, u niet aan wereldse beslommeringen te binden en wat ten dode opgeschreven is niet te stellen boven het eeuwige (Lc 14) Maar omdat de mens, kwetsbaar als hij is, niet in staat blijkt met vaste tred door het moeras van de wereld te blijven trekken, heeft de goede arts u ook op de middelen gewezen om niet verkeerd te lopen en heeft de barmhartige rechter u niet de kans ontnomen om hoop op vergiffenis te houden. Daarom was het niet overbodig dat de heilige Lucas heel gepast drie gelijkenissen op een rij gaf: het verloren en gevonden schaap (Lc 15,1-7), de verloren en gevonden drachme (Lc 15,8-10) en de gestorven en weer tot leven gekomen zoon (Lc 15,11-31). Wij moesten ons door deze drievoudige hulp laten aanmoedigen en onze wonden verzorgen: een driedubbel koord krijg je heel moeilijk stuk (Pr 4,12).
    Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 396 (= boek 7,207)


25e zondag door het jaar
Lucas 16,1-13 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 7,244) 

Geen knecht kan twee heren dienen (Lc 16,13). Niet dat er twee heren bestaan; nee, er is er maar één. Want er zijn wel knechten van de geldduivel maar deze beschikt niet over een rechtsmacht als heer. Zij leggen zichzelf dat juk van dienstbaarheid op: hier is geen macht die op recht steunt maar een slavernij zonder rechtsgrond. Daarom zegt de Heer: "Maak u vrienden door middel van de onrechtvaardige geldduivel." (Lc 16,12) Met geschenken voor de armen moeten wij ons de gunst verwerven van de engelen en de overige heiligen. De rentmeester wordt niet hard aangepakt (Lc 16,8): zo dringt het tot ons door dat wij geen heer en meester zijn, maar liever beheerders zijn van andermans vermogen. Hij heeft zeker verkeerd gehandeld. Toch wordt hij geprezen omdat hij op zijn toegeeflijke meester rekende en zich zo verzekerde van hulpgelden voor de toekomst. Treffend schetste de Heer de geldduivel als onrechtvaardig, omdat de hebzucht ons hart bleef bestoken met de aantrekkingskracht van rijkdom op allerlei gebied om ons willige slaven van die rijkdom te laten worden.
     Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 409 (= boek 7,244)


Top 

 


26e zondag door het jaar

Lucas 16,19-31 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 8,13)

Er was een rijk man die in purper gekleed ging (Lc 16,19). Dit lijkt meer op een waar gebeurd verhaal dan op een gelijkenis omdat er zelfs de naam Lazarus bij staat vermeld (Lc 16,20). Niet zonder zin gaf de Heer hier te kennen dat de rijke man zich volop te goed had gedaan aan wereldse genoegens, maar in het dodenrijk was terechtgekomen in de pijn van honger die alsmaar niet gestild werd (Lc 16,19-23). Terecht ook bezit de rijke vijf broers (Lc 16,28). Dat zijn de vijf zintuigen van het lichaam, die in wat ik zou noemen een natuurlijke broederband het leven met hem leken te delen en gloeiden van hartstochten zonder maat en zonder tal. Maar de Heer heeft Lazarus in de schoot van Abraham geborgen als in een rustige schuilplaats en een heilige thuishaven (Lc 16,22) Het gaat er hierom dat wij niet in de ban van het hier en nu met zijn plezierige kanten ons zondige leven doorzetten, of aan onze afkeer van zwaar werk toegeven en de harde kanten van het leven ontlopen. Misschien gaat het over een Lazarus, arm in wereldse zin maar rijk in het oog van God; misschien over een apostel uit onze dagen, arm aan woorden maar royaal bedeeld met geloof. In ieder geval is niet iedere armoede heilig, niet iedere rijkdom af te keuren. Nee, pas overdadige luxe bezorgt rijkdom een slechte naam, zoals heilig gedrag een aanbeveling inhoudt tot armoede. Misschien wordt dus met Lazarus een opvolger van de apostelen bedoeld, die het ware geloof in ere houdt en niet uit is op fraaie woorden, schijnredeneringen of fraai ingeklede gedachtegangen: hij krijgt zijn loon met royale toeslag. ... Hij dringt tevens de begeerten van het lichaam terug die, als gezegd, door die vijf zintuigen worden aangewakkerd. Daarom krijgt hij, herhaal ik, loon met royale toeslag: een uitbetaling in de vorm van overvloedig bezit en als rente het eeuwige leven.
    Uit: Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas / Ambrosius. – Budel : Damon, 2005. – p. 417 (= boek 8,13)

Top

27e zondag door het jaar
Lucas 17,5-10 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 8,28)
Over het mosterdzaad is eerder gesproken (Lc 13,18-19). Nu moet het gaan over de moerbeiboom. Een boom lees ik, maar toch denk ik dat het geen boom is. Want wat heeft het voor zin, wat hebben wij eraan dat een boom die door het werk van de landbouwers­ vruchten moet leveren, zich ontwortelt en zich in zee werpt? De kracht van het geloof houdt volgens ons de mogelijkheid open dat de gevoelloze natuur luistert naar opdrachten die men eigenlijk moet voelen, maar we vragen ons toch ook af wat de soort van de boom wil zeggen. Ik heb wel gelezen: "Ik was een herder van geiten en schraapte moer­beien bijeen." (Amos 7,14 LXX) En daarmee gaf de profeet Amos volgens mij te kennen dat hij, zelf een zondaar, zich uit de kudde van zondaars heeft teruggetrokken. Wel komt het goed van pas dat de latere profeet van de heidenen bij doornstruiken heeft gezocht wat ze opleveren, en zijn voedsel uit doornstruiken schijnt te hebben gehaald. Hij zou later de vale en stinkende kudden afgodendienaars, de volken van de heidenen, op de weidegrond van zijn geschriften plaatsen. Dan konden ze door geestelijke verkwikking gedijen en kon hijzelf van de bekeerde zondaar de geestelijke melk gebruiken (1 Kor 9,7).
   Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 424 (= boek 8 § 28).

28e zondag door het jaar
Lucas 17,11-19 toegelicht door Cyrillus van Alexandrië 
 
Waarom zei de Heer niet: "Ik wil dat jullie gereinigd zijn," zoals bij een andere melaatse. In plaats daarvan gaf Hij hun de opdracht: "Ga u aan de priesters laten zien." (Lc 17,14). Dat was omdat de joodse wet aan melaatsen die rein geworden zijn, daarover aanwijzingen geeft (Lv 14,2). Zij kregen de opdracht zich aan een priester te tonen en vanwege hun reiniging een offer te laten opdragen. Jezus droeg hen dus op om heen te gaan alsof zij al genezen waren en zo aan de priesters getuigenis af te leggen. Die gaven leiding aan het joodse volk en waren altijd afgunstig op zijn heerlijkheid. De tien verklaarden dat zij op een wonderlijke manier en onverhoopt van hun ongelukkig bestaan waren bevrijd, omdat Christus wilde dat zij genezen moesten worden. 
   Uit: Cyrillus van Alexandrië, Homilia 113-116 (CGSL 466) in: Ancient Christian Commentary on Scripture vol. 3: Luke / ed. Arthur A. Just . - Downers Grove 2003. - p. 268

29e zondag door het jaar
Lucas 18,1-8 toegelicht door Augustinus ( sermo 115,1) 
 
De lezing van het heilig evangelie moedigt ons aan om te bidden en te geloven, en niet op onszelf te vertrouwen maar op de Heer. Wat spoort ons krachtiger aan om te bidden dan de gelijkenis die ons is voorgehouden over de on­rechtvaardige rechter? Want de onrechtvaardige rechter, die God niet vreesde en zich aan geen mens iets gelegen liet liggen, gaf toch gehoor aan het verzoek van de weduwe. Hij gaf toe uit ergernis, niet uit naastenliefde. Als hij  met tegenzin deed wat zij vroeg, dan zal de Heer toch zeker doen wat wij Hem vragen? Hij spoort ons er zelf toe aan! Toen de Heer ons met die vergelijking vanuit het tegendeel de raad gaf te blijven bidden en de moed niet op te geven (Lc 18,1), voegde Hij eraan toe: "Als de mensenzoon komt, zal Hij dan werkelijk dit geloof op aarde vinden?" (Lc 18,8)
     Als het geloof bezwijkt gaat het gebed verloren. Wie bidt er nu terwijl hij niet gelooft? Daarom ook zegt de gelukzalige apostel Paulus als hij ons aanspoort om te bidden: "Iedereen die de naam van de Heer aanroept, zal gered worden." (Rom 10,13) En om te bewijzen dat het geloof de oorsprong is van het gebed, en dat water niet kan stromen als de bron opdroogt, voegde hij er nog aan toe: "Hoe kunnen zij nu iemand aanroepen in wie zij niet geloven?" (Rom 10,14) Laten we dus geloven om te kunnen bidden, en laten we bidden dat het geloof waardoor wij bidden, niet bezwijkt. Het geloof is de basis van het gebed, en dat gebed versterkt weer het geloof.
   Uit: Aurelius Augustinus -Als korrels tussen kaf : Preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367]. – Budel: Damon, 2007.- p. 292  

30e zondag door het jaar
Lucas 18,9-14 toegelicht door Augustinus (sermo 115,2)
 
Het geloof is echter niet van de trotsen maar van de nederigen. Daarom vertelde de Heer met het oog op de mensen die overtuigd zijn van hun eigen rechtvaardigheid en neerzien op alle anderen de volgende gelijkenis: "Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De een was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër zei: ik dank u, God, dat ik niet ben zoals de andere mensen." (Lc 18,9-11) Hij had op zijn minst kunnen zeggen: "zoals veel mensen." Wat kan "zoals de andere mensen" anders betekenen dan: allen, behalve hijzelf? Ik ben rechtvaardig, zegt hij, de anderen zijn zondaars: "Ik ben niet zoals de andere mensen, onrechtvaardig, hebzuchtig en overspelig..." En jawel hoor, meteen ziet hij door die tollenaar kans om nog meer op te scheppen: "zoals die tollenaar daar." Hij zegt: "Ik sta op eenzame hoogte, maar hij hoort bij de rest. Ik ben niet zoals hij, vanwege mijn rechtvaardigheid. Zodoende ben ik niet oneerlijk. Ik vast tweemaal per week en geef een tiende weg van al mijn inkomsten." (Lc 18,12) Heeft hij God iets gevraagd? Ga zijn woorden maar na, u zult niets vinden. Hij kwam om te bidden, maar het was niet zijn bedoeling om God iets te vragen. Hij wilde zichzelf juist ophemelen. En alsof het nog niet erg genoeg was dat hij God niets vroeg maar zichzelf ophemelde: het was ook nog eens een belediging voor wie wel iets vroeg. De tollenaar stond op enige afstand (lc 18,13), maar hij stond wel dichter bij God. Zijn geweten hield hem veraf, zijn oprechtheid bracht hem dichterbij. De tollenaar stond op enige afstand: maar de Heer bezag hem van dichtbij. Want de Heer is hoogverheven en ziet om naar al wat nederig is (Ps 138,6).
   Uit: Aurelius Augustinus -Als korrels tussen kaf : Preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie [Sermones de scripturis 94A-116 + 367]. – Budel: Damon, 2007.- p. 293  

top

31e zondag door het jaar
Lucas 19,1-10 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc 8,85-87)
Er is niets mis met een flink vermogen, maar wel met wie er geen goed gebruik van weten te maken. Want rijkdom is in handen van boosaardige mensen een hindernis, maar een hulp om goed te leven voor wie het hart op de goede plaats hebben. Zeker, Zacheüs die door Christus werd uitgekozen, was erg rijk, maar hij gaf de helft van zijn bezit aan de armen en vergoedde viervoudig wat hij met afpersing had verkregen. Alleen maar teruggeven is niet genoeg. Royale giften zijn God niet welgevallig als onrecht voortduurt. Er wordt immers niet om buitgemaakte goederen, maar om vrijwillige gaven gevraagd. Daarom was de beloning die hij kreeg, rijker dan zijn liefdadige giften (Vgl. Lc 19,5-8).
     Het is ook goed dat hij als oppertollenaar wordt voorgesteld! Wie zal namelijk de hoop op eigen redding opgeven wanneer zelfs iemand die zijn vermogen aan valse inkomsten dankt, zijn doel bereikt? "Hij was rijk," zegt de evangelist.[1] Dan weet u meteen dat niet alle rijken­ hebzuchtig zijn.
     Wat kan het betekenen dat Zacheüs de enige is van wie de Schrift de lichaamslengte vermeldde: hij was klein van stuk? (Vgl. Lc 19,3) Zou het kunnen zijn dat hij klein was in zijn slecht gedrag of nog klein was in zijn geloof? Hij had immers nog niets beloofd toen hij in de boom klom. Hij had Christus nog niet gezien en gold dan ook terecht nog als klein. Ten slotte heet Johannes groot omdat hij Christus heeft gezien en de Geest als een duif boven Christus. Hij zegt dan ook zelf: "Ik heb gezien hoe de Geest als een duif neerdaalde en op Hem bleef rusten." (Joh 1,32)
   Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 453 (= boek 8 § 85).

Top

1 november – Allerheiligen
Matteüs 5,1-12 toegelicht door Augustinus (De serm. Dom.in monte 1,8-9)
 Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.” (Mt 5,8) Hoe dom zijn dus zij die God zoeken met de ogen van het lichaam, aangezien Hij met de ogen van het hart wordt gezien zoals er ook ergens anders staat: "Zoek Hem in eenvoud van hart!" (W 1,1) Een zuiver hart is een eenvoudig hart. En zoals we het licht om ons heen allee­n kunnen zien met zuivere ogen, zo zien wij ook God alleen zien als het instrument zuiver is waarmee Hij kan worden gezien. “Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God worden genoemd.” (Mt 5,9) Waar elke strijd ontbreekt, is volmaakte vrede. En wie vrede brengen, zijn kinderen van God omdat bij hen elke strijd tegen God ontbreekt: kinderen behoren toch zeker op de Vader te lijken. Welnu, vrede in zichzelf brengen zíj teweeg, die alle driften in hun innerlijk beteugelen en onderwerpen aan het verstand, dat wil zeggen: aan de geestelijke vermogens. Zij houden hun vleselijke begeerten in bedwang. Zo worden ze het koninkrijk van God.
  Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p. 60.

2 november – Allerzielen
Lucas 24,13-25 toegelicht door uit: Augustinus (sermo 253,3-4)
 
Om de Heer te herkennen moet u dus hetzelfde doen als de twee leerlingen onderweg, wanneer u het leven wilt bezitten. Zij gaven Hem onderdak. In hun ogen leek de Heer iemand die naar verre streken reist, maar zij hielden Hem staande. Nadat ze op de plaats van bestemming waren aangekomen, zeiden ze: "Blijf hier bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde." (Lc 24,29) Als u de Verlosser wilt herken­nen, neem Hem dan op als gast. Wat ongeloof had weggenomen, gaf gastvrijheid weer terug. De Heer heeft laten zien wie Hij was, in het breken van het brood. Leer, waar u de Heer kunt zoeken, waar u Hem kunt aantreffen en waaraan u Hem kunt herkennen. Aan tafel. Want gelovigen beschikken over een bepaalde voorkennis, waardoor ze deze lezing beter begrij­pen, beter dan zij die geen voorkennis hebben. De Heer werd door hen herkend. Toen Hij eenmaal was herkend, verscheen Hij nergens meer. In het lichaam was Hij afwezig voor hen, in het geloof hielden zij Hem vast. Want in het lichaam verwijderde de Heer zich van de hele kerk en steeg Hij op ten hemel, om het geloof op te bouwen. Als u immers alleen maar zeker weet wat u ziet, waar blijft het geloof dan? Maar als u zelfs wat u niet ziet, gelooft, dan zult u verheugd zijn, wanneer u het uiteindelijk wel te zien krijgt!
   Uit : Aurelius Augustinus -Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. – Baarn, 1996. – p. 188 ( = sermo 253,3-4)

voor inspiratie zie ook Allerheiligen en Allerzielen


32e zondag door het jaar
Lucas 20,27-38 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc.  9,38)
 
Laten wij daarom eens kijken of die vrouw mogelijk de synagoge is met haar zeven mannen, zoals tot de Samaritaanse vrouw wordt gezegd: "Vijf mannen hebt u gehad." (Joh 4,18) Want de Sama­ritaanse volgt alleen maar de vijf boeken van Mozes, de synagoge kent met de boeken Jozua en Rechters erbij in hoofdzaak zeven boeken als wet en heeft vanwege ongeloof van geen enkel het zaad gekregen voor een nageslacht om de erfenis door te geven. Daarom zal zij bij de verrijzenis het leven met haar echtgenoten niet kunnen delen omdat zij een gebod dat geestelijk is bedoeld in de verkeerde lichamelijke zin uitlegt (Apk 20,6). Er was namelijk geen sprake van een broeder naar het vlees die aangewezen zou zijn om voor de overleden broer een nazaat te verwekken, maar het ging om de Broer die uit het dode volk de wijsheid tot bruid zou nemen om God te eren en te dienen. Hij zou bij haar een nageslacht verwekken in de persoon van de aposte­len. Dat waren om zo te zeggen overlevenden onder de gestorvenen, nog ongeboren achtergelaten in de schoot van de synagoge. Dankzij een genadige uitverkiezing werd aan hen nieuw zaad toegevoegd en zo verdienden zij in leven te blijven (Rom 11,28).
 Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 472 (= boek 9 § 38).

33e zondag door het jaar
Lucas 21,5-19 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 10,6-7)
 
Er zal geen steen op de andere blijven. Ze worden allemaal neergehaald (Lc 21,6). Wat de aangehaalde teksten aangaat: het is een waar woord dat gesproken werd over de tempel die Salomo liet bouwen. Vooreerst moest deze ten tijde van het oordeel door de vijand ondersteboven worden gehaald. Er bestaat immers niets dat door mensenwerk tot stand kwam, of het wordt van ouderdom verteerd, met geweld te gronde gericht of door vuur in de as gelegd. Toch is er ook nog een andere tempel uit kostbare stenen opgebouwd en met geschenken verrijkt, waarvan de Heer de verwoes­ting schijnt aan te duiden: de synagoge van de joden namelijk. Terwijl de kerk in opkomst is, laten de voegen van het oude bouwsel los. Ook is er de tempel in iedere mens die in verval raakt als het geloof het laat afweten, vooral als iemand ten onrechte Christus' naam erbij als dekmantel gebruikt om zo greep te krijgen op iemands innerlijke gevoelens. Ook kan de uitleg zo zijn dat ik er meer profijt van heb. Wat heb ik er immers aan de dag te kennen waarop het oordeel zal plaatsvinden? Wat heb ik, mij bewust van zulke grote zonden, er aan als de Heer wel komt maar niet in mijn willen en voelen, niet terugkeert in mijn denken, als Christus niet leeft in mij en Christus niet in mij spreekt? (Gal 2,20) Ik ben het dus voor wie Christus moet komen, voor wie zijn komst moet plaatsvinden.
  Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 476-477 (= boek 10,6-7).

 

Christus Koning
Lucas 23,35-43 toegelicht door Ambrosius (exp.eu.Lc. 10,121-122) 
 
Ik beloof u: "Vandaag nog zult u bij Mij zijn in het paradijs." (Lc 23,43) Een mooiere uitnodiging om alles te doen voor je bekering is moeilijk te vinden: zo weinig tijd vraagt de vergiffenis die de goede moordenaar krijgt en de genade reikt voor hem nog verder dan waar hij om bidt. Want wat de Heer geeft, is altijd meer dan waar men Hem om vraagt. De misdadiger vroeg namelijk dat de Heer aan hem zou denken wanneer Hij in zijn koninkrijk gekomen was (Lc 23,42), maar de Heer antwoordde: "Ik beloof u: vandaag nog zult u bij Mij zijn in het paradijs." (Lc 23,43) Bij Christus zijn betekent leven, want overal waar Christus is, daar is zijn koninkrijk. De Heer vergeeft dus snel omdat de misdadiger zich snel bekeert (vgl. Lc 23,39). Dat lost volgens mij ook de kwestie op dat de andere evange­listen spreken over twee bandieten die met Jezus gekruisigd waren en Hem beledigden (vgl. Mt 27,44 en Mc 15,37). Lucas spreekt van één misdadiger vol beledigingen en één met een vraag om hulp (vgl. Lc 23,39-42). Mogelijk heeft ook de laatste Hem eerst beledigd maar zich toen plotseling bekeerd. Het hoeft geen verwondering te wekken dat de Heer hem bij die bekering ­de schuld kwijt­schold, als Hij zelfs zijn Vader om vergiffenis bad voor wie Hem hoonden (vgl. Lc 23,34).
   Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 520-521 (= boek 10 § 121-122).

Top

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand
Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas [Expositio evangelii secundum Lucam] / Ambrosius van Milaan ; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Peter Eijkenboom S.J., Fried Pijnenborg S.J. en Hans van Reisen. - Budel : Damon, 2005. - 596 p. - ISBN : 90-5573-644-9. - € 39,90 . lees verder
21 Mei 2019